Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:998

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
23-001166-15
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:469, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Langdurig seksueel misbruik zeer jonge nichtjes door oom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001166-15

datum uitspraak: 23 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-654056-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteland] op [geboortedatum 1] ,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na een in eerste aanleg toegelaten wijziging – ten laste gelegd dat:

1:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 november 2006 tot en met 8 november 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte in voornoemde periode meermalen, in elk geval eenmaal

- haar buik en/of borsten en/of billen en/of vagina, althans het lichaam gestreeld en/of betast en/of

- zijn vinger(s) in haar vagina gebracht/geduwd en/of

- zijn penis in haar vagina gebracht/geduwd;

2:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 november 2011 tot en met 8 november 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland met [slachtoffer 1] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] geduwd/gebracht;

3:
hij in of omstreeks de periode van 30 april 2003 tot en met 30 april 2009 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij die [slachtoffer 2] (terwijl zij op de achterbank van een rijdende auto zaten) onverhoeds/terwijl die [slachtoffer 2] daar niet op de bedacht was, bij een/de borst(en) vastgepakt en/of gegrepen, althans die borst(en) aangeraakt;

4 primair:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 juli 1994 tot en met 22 juli 1999 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 3] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte in voornoemde periode meermalen, in elk geval eenmaal

- met zijn (stijve) penis 'rijdende bewegingen' tegen haar vagina aan gemaakt, althans met zijn (stijve) penis tegen haar vagina geduwd en/of

- zijn tong in haar mond geduwd en/of

- zijn penis in en/of op en/of tegen haar vagina en/of tussen haar schaamlippen gebracht/geduwd;

- zich laten pijpen, althans zijn penis laten betasten door die [slachtoffer 3] ;

4 subsidiair:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 juli 1994 tot en met 22 juli 1999 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 3] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen te plegen, die (mede) bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , immers heeft hij, verdachte in voornoemde periode meermalen, in elk geval eenmaal,

- zich naar die [slachtoffer 3] begeven en/of benaderd en/of

- met zijn (stijve) penis 'rijdende bewegingen' tegen haar vagina aan gemaakt, althans met zijn (stijve) penis tegen haar vagina geduwd en/of

- zijn tong in haar mond geduwd en/of

- zijn penis in en/of op en/of tegen haar vagina en/of tussen haar schaamlippen gebracht/geduwd;

- zich laten pijpen, althans zijn penis laten betasten door die [slachtoffer 3] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Bewijsoverwegingen

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 primair tenlastegelegde feiten. De verklaringen van de aangeefsters zijn betrouwbaar en vinden voldoende steun in andere bewijsmiddelen. Het door de verdachte opgevoerde alternatieve scenario, dat sprake is geweest van een familieruzie als gevolg waarvan valse aangiften tegen hem zijn gedaan is onaannemelijk, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Er is sprake van vermenging van de inhoud van verklaringen omdat de aangeefsters in aanloop naar de aangiften en de verhoren onderling hebben gecommuniceerd. De verklaringen van de aangeefsters moeten om deze reden minder betrouwbaar worden geacht.

Bovendien is niet voldaan aan het bewijsminimum. Er is onvoldoende steunbewijs op basis waarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. De verzoeken tot het horen van getuigen en benoemen van een deskundige om de verklaringen van de aangeefsters op betrouwbaarheid te onderzoeken worden herhaald, aldus de raadsman.

Oordeel hof

Inleiding

De aangeefsters [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) hebben, kort gezegd, verklaard dat zij vanaf zeer jonge leeftijd meermalen door hun oom (de verdachte) seksueel zijn misbruikt. Dit misbruik bestond ten aanzien van [slachtoffer 1] onder meer uit het vaginaal binnendringen met de vingers en de penis; ten aanzien van [slachtoffer 3] onder meer uit het duwen met de penis tegen haar vagina en het moeten pijpen.

De aangeefster [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) heeft verklaard dat de verdachte haar éénmaal bij haar borst heeft vastgepakt.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters omtrent het seksueel misbruik en de aanranding te twijfelen. De verklaringen zijn met betrekking tot de seksuele handelingen gedetailleerd en consistent. Niet aannemelijk is geworden dat de aangeefsters hun verklaringen op elkaar af hebben gestemd voorafgaande aan de aangiften.

Steunbewijs

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaringen van de aangeefsters in voldoende mate steun vinden in de overige tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen, kort samengevat in het bijzonder:

ten aanzien van feit 1 en 2:
- de verklaringen van [naam 1] inhoudende dat [slachtoffer 1] tegenover haar heeft verklaard dat zij werd misbruikt door haar oom1;

- de brief van kinderarts [naam 2] , waarin is vermeld dat bij [slachtoffer 1] geen hymen (maagdenvlies) werd gezien en zij niet-theatraal verdriet bij [slachtoffer 1] heeft waargenomen dat toenam toen zij haar onderbroek uit moest doen2;
- de verklaringen van [naam 14]3, [naam 15]4[naam 15] [naam 5]5 en [naam 16]6 inhoudende dat [slachtoffer 1] vaak bij haar oma op de [adres 2] in Amsterdam kwam en daar logeerde;

- de verklaringen van [naam 15]7[naam 15] [naam 5]8, [naam 7]9 en de verdachte10, waaruit volgt dat de verdachte eveneens langskwam op de [adres 2] in Amsterdam en daar wel eens op de bank sliep;

- de verklaring van [naam 16] inhoudende dat het hem eenmaal is opgevallen dat de verdachte [slachtoffer 1] achtervolgde in de woning aan de [adres 2] Amsterdam11;

- de brief van orthopedagoog/gz-psycholoog [naam 8] , waarin is vermeld dat [slachtoffer 1] is gediagnostiseerd met PTSS, chronisch en van extreme ernst12.

ten aanzien van feit 3:

- de verklaring van de verdachte bij de politie, voor zover inhoudende dat hij met [slachtoffer 2] in de auto op de achterbank heeft gezeten en haar bij haar borst heeft aangeraakt13;

- de verklaring van [naam 9] inhoudende dat de verdachte en [slachtoffer 2] op 30 april (in 2013 naar schatting 8 a 10 jaar geleden) bij hem in Betondorp in Amsterdam achterin de auto zaten, hij [slachtoffer 2] ‘stop stop’ hoorde roepen, [slachtoffer 2] tegen hem zei ‘oom zat aan mij’ en dat [slachtoffer 2] op de terugweg huilde14;

- de verklaring van [naam 17] inhoudende dat [slachtoffer 2] haar dezelfde dag van het voorval heeft gezegd dat de verdachte aan haar borsten had gevoeld15.

ten aanzien van feit 4:
- de verklaringen van [naam 5]16, [naam 17]17 en [naam 18]18 inhoudende dat [slachtoffer 3] heeft gelogeerd bij haar familie op [adres 3] in Amsterdam;

- de verklaringen van [naam 5]19 en [naam 9]20 waaruit volgt dat de verdachte op [adres 3] in Amsterdam bleef slapen; de verdachte heeft eveneens verklaard dat het voorkwam dat hij daar sliep21.

- de verklaring van [naam 17]22 inhoudende dat [slachtoffer 3] haar heeft verteld dat de verdachte meermalen seks met haar heeft gehad waarna zij met [slachtoffer 3] naar de huisarts is geweest;

- een medische verklaring van 1 juli 2003 waaruit volgt dat [slachtoffer 3] onlangs heeft verteld dat ze op achtjarige leeftijd door oom is misbruikt23;

- de verklaring van [naam 9] inhoudende dat de verdachte [slachtoffer 3] heeft betast bij een barbecue24;

- de brief van psychiater [naam 12] , waaruit naar voren komt dat bij [slachtoffer 3] PTSS en depressie is vastgesteld25.

Alternatief scenario

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het door hem aangevoerde alternatieve scenario herhaald, inhoudende dat als gevolg van een familieruzie die is ontstaan in 1994 de aangeefsters zijn aangezet tot het doen van valse aangiften tegen hem.

Het hof acht deze lezing niet aannemelijk geworden. Daartoe is in het bijzonder redengevend dat het door de verdachte gepleegde seksueel misbruik aan het licht is gekomen buiten de familie om. [slachtoffer 1] heeft hierover voor het eerst gesproken met een vriendin en daarna hebben medewerkers van haar school dit vernomen. Daarna is een melding gedaan bij het AMK.

De verdachte heeft bovendien wisselend verklaard over de oorzaak van de ruzie.

Niet is gesteld of anderszins aannemelijk geworden wie in de familie de aangeefsters tot hun aangifte zou hebben aangezet, terwijl de aangeefsters uit verschillende gezinnen kwamen.

Tenslotte staat geen van de door de verdachte genoemde oorzaken in causaal verband tot de aangiften van misbruik en aanranding of de personen die daarvan aangifte hebben gedaan.

Dat de verdachte als gevolg van zijn medische beperkingen impotent zou zijn, is op grond van de inhoud van het dossier evenmin aannemelijk geworden.

Ter terechtzitting herhaalde verzoeken

Het hof wijst de verzoeken tot het horen van getuigen en het benoemen van een deskundige om de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefsters te onderzoeken af, nu hierop reeds door het hof is beslist en de verzoeken in dit stadium niet nader zijn onderbouwd. Het hof acht toewijzing van de verzoeken niet noodzakelijk.

Het hof zal voorbijgaan aan de overige door de raadsman naar voren gebrachte stellingen nu deze niet nader en/of uitdrukkelijk zijn onderbouwd en niet zijn voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 9 november 2006 tot en met 8 november 2011 te Amsterdam, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte in voornoemde periode meermalen haar borsten en vagina betast en zijn vingers in haar vagina gebracht en

zijn penis in haar vagina gebracht;

2:
hij in de periode van 9 november 2011 tot en met 8 november 2012 te Amsterdam, met [slachtoffer 1] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht;

3:
hij in de periode van 29 april 2005 tot en met 30 april 2009 te Amsterdam, door een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij die [slachtoffer 2] terwijl zij op de achterbank van een rijdende auto zat en die [slachtoffer 2] daar niet op de bedacht was, bij een borst vastgepakt;

4 primair:
hij in de periode van 23 juli 1994 tot en met 22 juli 1999 te Amsterdam, met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 3] , die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte in voornoemde periode met zijn stijve penis tegen haar vagina geduwd en zijn tong in haar mond geduwd en

zich laten pijpen door die [slachtoffer 3] .

Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 en 4 primair bewezen verklaarde levert op:

telkens

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar met algemene en bijzondere voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg is opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan herhaaldelijk seksueel misbruik van twee nichtjes terwijl zij ruim onder de twaalf jaar oud waren. Bij [slachtoffer 1] is hij ook na haar twaalfde jaar daarmee doorgegaan. De verdachte heeft [slachtoffer 1] gedwongen seks met hem te hebben en haar borsten en vagina betast. [slachtoffer 3] moest hem pijpen en dulden dat hij zijn stijve penis tegen haar vagina hield. Daarnaast heeft de verdachte zijn nichtje [slachtoffer 2] aangerand door haar bij haar borst vast te pakken.

Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat hij door zijn handelen op grove wijze misbruik heeft gemaakt van de vertrouwenspositie die hij in de familie en ten opzichte van zijn zeer jonge nichtjes had, uitsluitend om zijn seksuele lusten te bevredigen. De gebeurtenissen met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] vonden plaats in de woningen van hun oma en tante, waar zij bij uitstek veilig zouden moeten kunnen zijn.

De verdachte heeft op een verregaande grensoverschrijdende manier inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de zeer jeugdige slachtoffers en zich op geen enkele wijze om hun prille leeftijd of welzijn bekommerd. De aangeefsters hebben uit schaamte zeer veel moeite gehad met het naar buiten brengen van het seksueel misbruik en zij vinden het blijkens hun verklaringen nog altijd moeilijk uiting te geven aan hetgeen hun is aangedaan. [slachtoffer 1] is fors getraumatiseerd, een arts spreekt over een blijvend litteken26, en de slachtoffers lijden nog steeds ernstig onder de psychische gevolgen van het handelen door de verdachte.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend Pro Justitia rapport van 11 februari 2016 van [naam 13] , Gz-psycholoog en een reclasseringsadvies van 28 juli 2016.

Bij de verdachte is een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens vastgesteld in de vorm van een verstandelijke beperking. De reclassering adviseert als bijzondere voorwaarden onder meer op te leggen: een meldplicht, ambulante behandeling bij een forensische polikliniek, een contactverbod en een locatieverbod.

Het hof zal deze adviezen overnemen en acht alles afwegende een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, met bijzondere voorwaarden, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partijen

Zijdens de verdachte is de vordering van de benadeelde partijen niet betwist. De verdachte wordt strafrechtelijk verantwoordelijk gehouden voor het onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde, zodat daarmee diens civielrechtelijke aansprakelijkheid is gegeven.

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 12.491,20. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade met een omvang van € 4.491,20 heeft geleden, gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij, die zijdens de verdachte in het geheel niet zijn betwist (in het bijzonder niet voor wat betreft het optreden van schade, het causale verband met de schadeveroorzakende gebeurtenis en de omvang van de schade). Dit deel van de vordering ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, eveneens gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij die zijdens de verdachte niet zijn betwist.

De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter.

Het hof schat de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid op € 8.000 waarbij in het bijzonder is gelet op de omstandigheden dat ten gevolge van het bewezen geachte de benadeelde partij:

- behept is met PTSS en daarvoor langdurig onder behandeling heeft gestaan en nog altijd staat van verschillende behandelaars;

- zich ernstig aangetast voelt in haar lichamelijke integriteit maar zich tegelijkertijd ook heel schuldig voelt over wat er met haar is gebeurd;

- last heeft van flashbacks waarbij zij wordt meegezogen in akelige herinneringen;

- kampt met een depressie en wordt geteisterd door nachtmerries en andere slaapproblemen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

[slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 8.000. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg onder 3 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij die zijdens de verdachte niet zijn betwist.

Het hof schat de omvang van de immateriële schade met de rechtbank op € 500.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

[slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 8.000. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.000. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg onder 4 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden, gelet op de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij die zijdens de verdachte niet zijn betwist.

Het hof schat de omvang van de immateriële schade op € 8.000, waarbij in het bijzonder is gelet op de omstandigheden dat ten gevolge van het bewezen geachte de benadeelde partij:

- behept is met PTSS en daarvoor onder behandeling heeft gestaan;

- lijdt onder haar psychiatrisch toestandsbeeld dat zich uit in sombere stemming, slechte concentratie en geheugen, angsten, herbelevingen en slecht slapen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 244, 245 en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten

-omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of

-de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren of ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of

-geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of

-geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, of

- de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd op tijdstippen te melden bij de afdeling reclassering van Inforsa, op het adres [adres 4] zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen van een Forensische Ambulante Zorg van Inforsa, De Waag of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling vast te stellen, teneinde zich te laten behandelen voor alcoholmisbruik en psychische klachten;

3. dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met:

- [slachtoffer 1] ;

- [slachtoffer 3] ;

- [slachtoffer 2] ,

zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

4. dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden binnen een straal van 500 meter van het adres [adres 5] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1, 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 12.491,20 (twaalfduizend vierhonderdeenennegentig euro en twintig cent) bestaande uit € 4.491,20 (vierduizend vierhonderdeenennegentig euro en twintig cent) materiële schade en € 8.000 (achtduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 12.491,20 (twaalfduizend vierhonderdeenennegentig euro en twintig cent) bestaande uit

€ 4.491,20 (vierduizend vierhonderdeenennegentig euro en twintig cent) materiële schade en

€ 8.000 (achtduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 97 (zevenennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 500 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] , ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 500 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 november 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 3] ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.000 (achtduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] , ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 8.000,00 (achtduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. V. Mul en mr. G.M. Boekhoudt, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 maart 2017.

mr. V. Mul is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 [...]

2 [...]

3 [...]

4 [...]

5 [...]

6 [...]

7 [...]

8 [...]

9 [...]

10 [...]

11 [...]

12 [...]

13 [...]

14 [...]

15 [...]

16 [...]

17 [...]

18 [...]

19 [...]

20 [...]

21 [...]

22 [...]

23 [...]

24 [...]

25 [...]

26 [...]