Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:956

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
11-04-2017
Zaaknummer
200.186.762/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging overeengekomen kinderalimentatie; hoogte behoefte; draagkracht alimentatieplichtige; geen belang bij verzoek tot vastlegging betalingsachterstand in beschikking want geen verzoek gedaan tot nakoming vaststellingsovereenkomst om zodoende titel voor executie te verkrijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie -en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.186.762/01

zaak- en rekestnummer rechtbank: C/15/233387 / FA RK 15-6169

beschikking van de meervoudige kamer van 21 maart 2017 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats a] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. Y.A.R. Seen te Noord-Scharwoude,

en

[de man] ,

wonende te [woonplaats b] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. F. Riezebos te Heerhugowaard.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank), van 2 december 2015 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De vrouw is op 1 maart 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van voormelde beschikking van 2 december 2015.

2.2.

De man heeft op 6 april 2016 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De vrouw heeft op 8 juni 2016 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 30 juni 2016 met bijlagen, ingekomen op 1 juli 2016;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 23 augustus 2016 met bijlage (productie 14), ingekomen op 24 augustus 2016;

- een faxbericht van de zijde van de vrouw van 6 september 2016 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 7 september 2016 met bijlagen, ingekomen op 8 september 2016.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 12 september 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Voorts is verschenen de bewindvoerder van de vrouw, [de bewindvoerder] .

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

2.6.

Zoals afgesproken bij de behandeling ter zitting heeft de man nog recente salarisspecificaties en de Aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB‑aangifte) aan het hof toegezonden.

De vrouw heeft daarvan afschriften ontvangen en heeft daarop gereageerd bij faxbericht van 16 september 2016.

2.7.

In voormeld faxbericht maakt de vrouw tevens een slotopmerking die geen betrekking heeft op de door de man – desgevraagd – nagezonden stukken. Het hof heeft daarom aanleiding gezien de man in de gelegenheid te stellen hierop nader schriftelijk te reageren, hetgeen de man bij journaalbericht van 30 januari 2017 heeft gedaan.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen hebben tot medio 2008 een relatie met elkaar gehad.

3.3.

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige] , geboren [in] 2007 (hierna: [de minderjarige] ).

De man heeft [de minderjarige] erkend.

Uit een andere relatie van de man is geboren [het kind] (hierna: [het kind] ) [in] 2012. [het kind] verblijft bij haar moeder.

3.4.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

3.5.

Bij vaststellingsovereenkomst van 29 september 2008 zijn partijen (onder meer) overeengekomen dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juli 2009 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) zal betalen van € 200,- per maand. Deze alimentatie bedraagt thans ingevolge de wettelijke indexering per 1 januari 2017 € 223,72 per maand.

3.6.

Bij beschikking van de rechtbank van 11 mei 2016 is, voor zover thans van belang, de kinderalimentatie ten behoeve van [het kind] met ingang van 1 april 2016 bepaald op € 119,- per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking is – voor zover thans van belang – op het daartoe strekkende (inleidend) verzoek van de man, met dienovereenkomstige wijziging van de vaststellingsovereenkomst van 29 september 2008, de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] met ingang van 1 januari 2015 bepaald op € 174,- per maand.

4.2.

In principaal appel

De vrouw verzoekt, naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de man af te wijzen.

De man verzoekt, naar het hof begrijpt, het door de vrouw verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, naar het hof begrijpt, tot 1 november 2015.

4.3.

In incidenteel appel

De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen met ingang van 1 november 2015. Hij heeft in hoger beroep zijn verzoek vermeerderd, in die zin dat hij thans verzoekt te bepalen dat hij met ingang 1 november 2015 aan de vrouw € 162,- per maand als kinderalimentatie zal betalen.

De vrouw verzoekt het door de man verzochte af te wijzen.

4.4.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

De vrouw is het niet eens met de door de rechtbank bepaalde verlaging van de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] . Zij betwist (in haar eerste grief) dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een verlaging van de kinderalimentatie. Zij heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd, omdat haar advocaat vanwege een misverstand nimmer het (inleidend) verzoekschrift van de man heeft ontvangen. Bovendien staat zij onder bewind en is zij niet bevoegd te beslissen tot een verlaging van de kinderalimentatie, aldus de vrouw.

De man stelt dat partijen in onderling overleg hebben besloten de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] te verlagen tot € 174,- per maand met ingang van 1 januari 2015, maar dat nadien bleek dat de bewindvoerder van de vrouw het niet eens was met deze verlaging.

5.2.

Nu de man zich beroept op het rechtsgevolg van zijn stellingen, te weten wijziging van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst door verlaging van de kinderalimentatie voor [de minderjarige] , draagt hij op grond van de hoofdregel van artikel 149 en 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast van zijn stellingen.

Daargelaten de vraag of de vrouw zonder toestemming van haar bewindvoerder een lagere kinderalimentatie mocht overeenkomen, blijkt naar het oordeel van het hof uit de stukken in het dossier niet dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de door de man gestelde verlaging van de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] . De door de man in dit verband in het geding gebrachte e-mailcorrespondentie tussen de vrouw en zijn advocaat acht het hof hiertoe onvoldoende. Tegenover de uitdrukkelijke betwisting door de vrouw, inhoudende dat zij geen afspraken met de man heeft gemaakt over een wijziging van de alimentatie, heeft de man zijn stelling dat partijen in onderling overleg een lagere alimentatie ten behoeve van [de minderjarige] zijn overeengekomen, dan ook onvoldoende onderbouwd. Het hof zal derhalve aan die stelling voorbijgaan.

5.3.

Vaststaat dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), reeds omdat sinds het sluiten van de vaststellingsovereenkomst [het kind] is geboren, jegens wie de man eveneens onderhoudsplichtig is. Derhalve ligt aan het hof ter beoordeling voor of de vaststellingsovereenkomst van 29 september 2008, voor zover daarbij een door de man te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] is overeengekomen van € 200,- per maand, door voormelde wijziging van omstandigheden nog aan de wettelijke maatstaven voldoet.

5.4.

Partijen zijn verdeeld over de (hoogte van de) behoefte van [de minderjarige] , de draagkracht van de man en de ingangsdatum van een eventuele wijziging van de alimentatieverplichting.

5.5.

Het hof ziet aanleiding om eerst de ingangsdatum te bespreken.

De vrouw stelt dat bij de bestreden beschikking ten onrechte 1 januari 2015 als ingangsdatum is aangemerkt en dat uitgegaan dient te worden van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift. De man stelt hiertegenover dat de vrouw sinds januari 2015 ervan op de hoogte was dat hij wijziging van de kinderalimentatie wenste. Bovendien ontving de vrouw vanaf die datum ook een hoger kindgebonden budget, aldus de man.

Het hof overweegt dat uit de door de man in dit verband in het geding gebrachte e‑mailcorrespondentie in januari 2015 weliswaar blijkt dat de vrouw een salarisspecificatie aan de advocaat van de man heeft gezonden en deze haar heeft gevraagd het kindgebonden budget ten behoeve van [de minderjarige] door te geven, doch hieruit blijkt niet dat de man jegens de vrouw heeft aangekondigd dat hij voornemens was een wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie te verzoeken. De man heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat de vrouw reeds vanaf dat moment rekening kon houden met een mogelijke wijziging van de kinderalimentatie. De enkele wens van de man dat hij een lagere bijdrage voor [de minderjarige] wilde betalen en het inwinnen van financiële informatie bij de vrouw zonder een nadere toelichting daarbij, acht het hof in dit verband onvoldoende. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt om de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, zijnde 7 oktober 2015, als ingangsdatum te hanteren.

Behoefte

5.6.

De vrouw stelt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2008 € 2.093,- per maand bedroeg. De vrouw stelt dat de behoefte van [de minderjarige] op grond van dit inkomen en vier kinderbijslagpunten destijds € 301,- per maand bedroeg.

De man betwist de door de vrouw gestelde behoefte van [de minderjarige] . Hij stelt dat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van de beëindiging van de samenleving € 2.100,- per maand bedroeg en dat de behoefte van [de minderjarige] destijds € 287,- per maand bedroeg.

5.7.

Het hof gaat bij de bepaling van de behoefte van [de minderjarige] uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving, inclusief het kindgebonden budget waarop ten tijde van de samenleving aanspraak werd gemaakt en stelt op basis daarvan de behoefte ingevolge de NIBUD-tabellen vast.

Het hof stelt vast dat partijen nagenoeg niet van mening verschillen over de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de beëindiging van hun samenleving. Nu partijen geen financiële gegevens met betrekking tot dat inkomen hebben overgelegd, ziet het hof aanleiding de behoefte vast te stellen op basis van een netto besteedbaar gezinsinkomen van (afgerond) € 2.100,- per maand.

Het aantal punten van vier in aanmerking genomen, berekent het hof het eigen aandeel van de ouders voor [de minderjarige] op basis van de tabel 2008 op € 302,- per maand, welke geïndexeerd naar de ingangsdatum (afgerond) € 339,- per maand bedraagt.

Draagkracht

5.8.

De vrouw stelt voorts dat de man voldoende draagkracht heeft om € 200,- per maand en – na wettelijke indexering – in 2016 € 219,12 per maand, als kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] te betalen, ook indien wordt uitgegaan van zijn onderhoudsplicht jegens [het kind] .

De man stelt dat hij vanaf 1 november 2015 een lager inkomen heeft, te weten € 30.456,- per jaar, en dat de bij de bestreden beschikking bepaalde kinderalimentatie is gebaseerd op het hogere inkomen dat hij destijds op uitzendbasis verdiende.

5.9.

Het hof overweegt als volgt.

Bij het bepalen van het eigen aandeel van de man en het aandeel van de vrouw in de kosten van [de minderjarige] dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot het kind of de kinderen voor wie hij of zij onderhoudsplichtig is in de beoordeling te worden betrokken.

Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw € 25,- per maand bedraagt.

Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. Het hof zal in het navolgende verschillende perioden in acht nemen.

5.10.

Bij het berekenen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. De man is geboren [in] 1987 en is alleenstaand. Over de periode vanaf de ingangsdatum tot 12 oktober 2015 was de man op uitzendbasis (via Careermaker) werkzaam als chauffeur bij [transportbedrijf] (hierna: [transportbedrijf] ). Met ingang van 12 oktober 2015 is hij werkzaam in loondienst bij [transportbedrijf] .

Periode met ingang van 7 oktober 2015

5.11.

Blijkens de jaaropgaven van Careermaker en [transportbedrijf] over 2015 bedroeg het belastbaar loon van de man in dat jaar respectievelijk € 6.288,- en € 26.241,-, derhalve in totaal € 32.529,-, welk inkomen tevens blijkt uit de door de man na de zitting in hoger beroep overgelegde IB‑aangifte en Verklaring geregistreerd inkomen 2015.

De vrouw heeft in haar reactie van 16 september 2016 verzocht om bij het opnieuw berekenen van de draagkracht van de man over het jaar 2015 voormeld inkomen als uitgangspunt te nemen. Gelet op het voorgaande zal het hof bij het berekenen van de draagkracht van de man voor het jaar 2015 uitgaan van voormeld inkomen uit arbeid. Voorts houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Hieruit volgt een netto besteedbaar inkomen van € 2.007,- per maand.

De vrouw stelt dat de man daarnaast, blijkens de door hem overgelegde bankafschriften waarop bedragen van € 250,- ten titel van bijvoorbeeld “huur per maand december” staan vermeld, netto inkomsten uit verhuur van € 250,- per maand heeft. Zij betwist dat het hierbij gaat om een bijdrage van de moeder van de man in diens kosten, aangezien in de bankafschriften de naam “ [X] ” staat vermeld. Zij stelt voorts dat een man genaamd [Y] bij de man zou inwonen.

De man betwist dat hij thans huurinkomsten heeft. In zijn reactie van 30 januari 2017 stelt de man dat de heer [X] in de periode van 1 oktober 2014 tot 1 april 2015 heeft ingewoond en in die periode bijdroeg in de woonlasten met een bedrag van € 250,- per maand. De man stelt voorts dat de heer [Y] in de periode na diens echtscheiding tot november af en toe bij hem heeft gelogeerd, maar geen huur betaalde.

Het hof overweegt dat, gelet op de hiervoor bepaalde ingangsdatum, geen rekening zal worden gehouden met de door de man van de heer [X] ontvangen bijdrage in zijn woonlasten, nu de man deze extra inkomsten voor de ingangsdatum van de wijziging van de kinderalimentatie genoot. In aanmerking genomen de gemotiveerde betwisting door de man heeft de vrouw haar stelling dat de man in de periode vanaf 7 oktober 2015, zijnde de ingangsdatum, huurinkomsten heeft ontvangen en deze ook thans nog ontvangt, onvoldoende onderbouwd. Het hof heeft geen aanwijzingen dat de heer [Y] huur heeft betaald. Weliswaar wordt in de door de man overgelegde maandoverzichten van zijn bewindvoerder (in een vrijwillig kader) over de maanden januari, februari, april, mei en juni 2016 als overige inkomsten een “Bijdrage alimentatie” van € 250,- per maand vermeld, doch ter zitting in hoger beroep heeft de man in dit verband verklaard dat hij een bijdrage van zijn moeder ontvangt om financieel rond te kunnen komen. Mede gelet op de in die maandoverzichten tevens vermelde en door de vrouw niet weersproken schulden van de man, acht het hof voldoende aannemelijk dat de man die bijdragen met het oog daarop van zijn moeder heeft ontvangen, zodat deze niet zijn draagkracht hebben verhoogd.

5.12.

De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 875,-)] , nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.525,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 875,- aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.13.

Rekening houdend met de niet in geschil zijnde lasten en een bij dit inkomen behorend redelijk lastenpatroon en een draagkrachtloos inkomen van € 875,-, stelt het hof de draagkracht van de man op grond van voormelde formule vast op € 371,- per maand.

5.14.

Daarnaast is de man onderhoudsplichtig jegens [het kind] . Blijkens de beschikking van de rechtbank van 11 mei 2016 dient de man met ingang van 1 april 2016 € 119,- per maand ten behoeve van [het kind] te betalen. Uit de stukken in het dossier, waaronder voormelde - door de man in het geding gebrachte - beschikking en overzichten van zijn bewindvoerder, is gebleken dat de man tot die datum € 169,- per maand ten behoeve van [het kind] betaalde. Nu de vrouw dit niet heeft betwist, zal het hof hiervan uitgaan. Hieruit volgt dat de man ten behoeve van [de minderjarige] in 2015 (371 – 169 = ) € 202,- per maand aan draagkracht beschikbaar had.

5.15.

De vrouw is geboren [in] 1987. De vrouw heeft een relatie met de heer [Z] (verder te noemen: [Z] ). Zij vormen samen met [de minderjarige] en een dochter van [Z] een gezin. De vrouw is werkzaam als thuishulp en ontvangt een aanvullende uitkering ingevolge de Participatiewet naar de norm van een gezin.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw een (minimum) draagkracht heeft van € 25,- per maand.

Nu de vrouw een inkomen op bijstandsniveau heeft en de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen tezamen onvoldoende is om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien, kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.

5.16.

Voorts dient rekening te worden gehouden met de kosten van de verdeling van de zorg voor [de minderjarige] . De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg.

Tussen partijen is niet geschil dat rekening dient te worden gehouden met een zorgkorting van 15%. Uitgaande van dit percentage bedraagt de zorgkorting (afgerond) € 51,-, zijnde 15% van de – naar de ingangsdatum geïndexeerde – behoefte van € 339,-.

De onderhoudsplichtigen hebben gezamenlijk onvoldoende draagkracht om in de totale behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Het tekort aan draagkracht bedraagt € 112,- (€ 339,- minus € 227,-) per maand. Het tekort aan gezamenlijke draagkracht is meer dan tweemaal zo groot als de zorgkorting, zodat de man, overeenkomstig de geldende richtlijnen, tot het volledige bedrag van zijn draagkracht dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Derhalve zal geen zorgkorting in mindering worden gebracht. Het hof berekent het aandeel van de man in de behoefte van [de minderjarige] over de periode met ingang van 7 oktober 2015 derhalve op € 202,- per maand.

Periode van 1 januari tot 1 april 2016

5.17.

De man is sinds november 2015 op basis van een vast dienstverband werkzaam bij [transportbedrijf] . De man stelt dat hij sindsdien een lager inkomen heeft. Volgens de vrouw blijkt uit de door de man – na de zitting in hoger beroep – overgelegde stukken dat zijn inkomen in 2016 niet veel lager is dan in 2015 en dat het zeer aannemelijk is dat het jaarinkomen over 2016 gelijk zal zijn aan dat over 2015.

Met de vrouw zal het hof uitgaan van de cumulatieven vermeld in de door de man overgelegde salarisspecificatie over periode 9, 2016. Het hof houdt het ervoor dat de vrouw heeft beoogd uit te gaan van het fiscaal loon over de perioden 1 tot en met 9, 2016 (zijnde 36 weken), doch de vrouw is ten onrechte uitgegaan van de post “SVW‑loon”. Het hof zal het fiscaal loon vermeld onder de post “Loon in geld” van € 23.376,- tot uitgangspunt nemen en dit doorrekenen naar een geheel jaar. Hiertoe zal het hof het door de man in periode 5, 2016 ontvangen vakantiegeld van € 2.175,- op voormeld fiscaal loon in mindering brengen en het bedrag exclusief vakantiegeld doorrekenen naar een geheel jaar, hetgeen neerkomt op € 30.624,- [(21.201/36) x 52]. Vervolgens dient het vakantiegeld van € 2.175,- bij dit bedrag te worden opgeteld, hetgeen resulteert in een fiscaal loon over een geheel jaar van € 32.799,-, hetgeen ongeveer neerkomt op het belastbaar loon dat de man in 2015 verdiende.

Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding de draagkracht van de man met ingang van 1 januari 2016 opnieuw te berekenen.

Periode met ingang van 1 april 2016

5.18.

In aanmerking genomen de beschikking van de rechtbank van 11 mei 2016 is de door de man ten behoeve van [het kind] te betalen bijdrage met ingang van 1 april 2016 € 119,- per maand. Het hof zal hiervan uitgaan en de draagkracht van de man ten behoeve van [de minderjarige] met ingang van 1 april 2016 opnieuw bepalen.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.11 en 5.17 is overwogen, gaat het hof bij het bepalen van het netto besteedbaar inkomen van de man voor de periode met ingang van 1 april 2016 uit van een belastbaar jaarloon van € 32.529,-. Voorts houdt het hof rekening met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Hieruit volgt een netto besteedbaar inkomen van € 2.074,- per maand.

5.19.

De draagkracht wordt in voormelde periode vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)] , nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.550,- per maand.

5.20.

Rekening houdend met de niet in geschil zijnde lasten en een bij dit inkomen behorend redelijk lastenpatroon en een draagkrachtloos inkomen van € 890,-, stelt het hof de draagkracht van de man op grond van voormelde formule vast op € 393,- per maand.

5.21.

Uit het voorgaande volgt dat de man ten behoeve van [de minderjarige] met ingang van 1 april 2016 € 274,- (€ 393,- minus € 119,-) per maand aan draagkracht beschikbaar heeft.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.15 is overwogen, kan ook thans een draagkrachtvergelijking achterwege blijven.

5.22.

Voorts dient rekening te worden gehouden met de kosten van de verdeling van de zorg voor [de minderjarige] . Uitgaande van de – tussen partijen niet in geschil zijnde – zorgkorting van 15%, zal het hof een zorgkorting van € 52,- in aanmerking nemen, zijnde 15% van de – naar 2016 geïndexeerde – behoefte van (afgerond) € 344,-.

Ook thans hebben de onderhoudsplichtigen gezamenlijk onvoldoende draagkracht om in de totale behoefte van [de minderjarige] te voorzien, zodat het hof de zorgkorting niet volledig in mindering zal brengen op de bijdrage. Het tekort aan draagkracht bedraagt € 45,- (€ 344,- minus € 299,-) per maand. Dit tekort wordt gelijkelijk verdeeld tussen de onderhoudsplichtigen. Het aan de man toegerekende deel van dat tekort, te weten € 22,50 wordt in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting, te weten (afgerond) € 30,-, wordt in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Het hof berekent het aandeel van de man in de behoefte van [de minderjarige] derhalve op (afgerond) € 244,- (€ 274,- minus € 30,-).

In aanmerking genomen de omvang van het geschil dient de man met ingang van 1 april 2016 € 219,12 per maand aan kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] te betalen.

5.23.

Voor zover de vrouw in haar verweerschrift op het incidenteel hoger beroep verzoekt een overweging te wijden aan de achterstand in de door de man te betalen alimentatiebedragen (inclusief de wettelijke indexering), overweegt het hof dat de vrouw in deze procedure geen belang heeft bij dit verzoek. Zij heeft immers niet verzocht om nakoming van de vaststellingsovereenkomst d.d. 29 september 2008 om zodoende een titel voor executie te verkrijgen. Voor het overige moet zij in staat worden geacht aan de hand van de te dezen te geven beschikking, en op basis van de in de vaststellingsovereenkomst vastgelegde afspraken tussen partijen, die achterstand te kunnen uitrekenen.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord‑Holland (locatie Alkmaar) van 2 december 2015, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt, met dienovereenkomstige wijziging van de vaststellingsovereenkomst van 29 september 2008, dat de man aan de vrouw met ingang van 7 oktober 2015 € 202,- per maand en met ingang van 1 april 2016 € 219,12 per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, mr. I.M. Dölle, bijgestaan door mr. J.H.M. Kessels als griffier, en is op 21 maart 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.