Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:948

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
23-004328-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW. Lichamelijk letsel. Zeer onvoorzichtig rijgedrag. Strafmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-004328-14

Datum uitspraak: 22 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2014 in de strafzaak onder parketnummer 13/664000-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
20 januari 2016 en 8 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair
hij op of omstreeks 1 juni 2013 te Duivendrecht, in de gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (taxi), daarmee rijdende over de van der Madeweg en/of de kruising van de van der Madeweg met de Randweg, zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken borstbeen en/of een nekhernia, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de van der Madeweg, komende uit de richting van Biesbosch en gaande in de richting van de Diemerdreef,

-terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was,

verdachte is, gekomen bij voornoemde kruising, op de rijstrook voor het rechtsafslaande verkeer gaan rijden – teneinde een voor verdachte rijdende personenauto, die doende was voor het oranje of rood licht uitstralend verkeerslicht tot stilstand te komen, te passeren en/of te ontwijken – en/of is vervolgens naar links af gaan slaan en is daarbij niet gestopt voor een in zijn (rij)richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn (rij)richting geldend ROOD, althans ORANJE licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat voornoemd kruispunt vrij was van (enig) (kruisend) verkeer, doch is voornoemde kruising opgereden terwijl een personenauto, waarin voornoemde [slachtoffer] als passagier gezeten was en die, gezien verdachtes (rij)richting komend van rechts - vanaf de Diemerdreef -, bij GROEN licht voornoemde kruising was opgereden, althans op voornoemde kruising reed, althans zich daar bevond,

verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken voor voornoemde personenauto,

voornoemde personenauto is vervolgens tegen de door verdachte bestuurde personenauto aangereden en/of aangebotst, waardoor voornoemde [slachtoffer], voornoemd zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

subsidiair

hij op of omstreeks 1 juni 2013 te Duivendrecht, in de gemeente Ouder-Amstel, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (taxi), daarmee rijdende over de van der Madeweg en/of de kruising van de van der Madeweg met de Randweg, zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de van der Madeweg, komende uit de richting van Biesbosch en gaande in de richting van de Diemerdreef,

-terwijl verdachte ter plaatse (zeer) bekend was,

verdachte is, gekomen bij voornoemde kruising, op de rijstrook voor het rechtsafslaande verkeer gaan rijden - teneinde een voor verdachte rijdende personenauto, die doende was voor het oranje of rood licht uitstralend verkeerslicht tot stilstand te komen, te passeren en/of te ontwijken - en/of is vervolgens naar links af gaan slaan en is daarbij niet gestopt voor een in zijn (rij)richting gekeerd en/of voor het verkeer in zijn (rij)richting geldend ROOD licht uitstralend verkeerslicht,

verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat voornoemd kruispunt vrij was van (enig) (kruisend) verkeer, doch is voornoemde kruising opgereden terwijl een personenauto, waarin voornoemde [slachtoffer] als passagier gezeten was en die, gezien verdachtes (rij)richting komend van rechts - vanaf de Diemerdreef -, bij GROEN licht voornoemde kruising was opgereden, althans op voornoemde kruising reed, althans zich daar bevond,

verdachte heeft (vervolgens) niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, af kunnen remmen en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uit kunnen wijken voor voornoemde personenauto, voornoemde personenauto is vervolgens tegen de door verdachte bestuurde personenauto aangereden en/of aangebotst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 juni 2013 te Duivendrecht, in de gemeente Ouder-Amstel, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto (taxi), daarmee rijdende over de Van der Madeweg en de kruising van de Van der Madeweg met de Randweg, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend, heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken borstbeen en een nekhernia werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

- verdachte heeft gereden over de Van der Madeweg, gaande in de richting van de Diemerdreef, terwijl verdachte ter plaatse bekend was,

- verdachte is, gekomen bij voornoemde kruising, op de rijstrook voor het rechts afslaande verkeer gaan rijden – teneinde een voor verdachte rijdende personenauto, die doende was voor het oranje licht uitstralend verkeerslicht tot stilstand te komen, te passeren – en is vervolgens naar links af gaan slaan en is daarbij niet gestopt voor een in zijn rijrichting gekeerd en voor het verkeer in zijn rijrichting geldend oranje licht uitstralend verkeerslicht,

- verdachte heeft zich hierbij niet voldoende vergewist en is zich niet voldoende blijven vergewissen dat voornoemd kruispunt vrij was van enig kruisend verkeer, doch is voornoemde kruising opgereden terwijl een personenauto, waarin voornoemde [slachtoffer] als passagier gezeten was en die – vanaf de Diemerdreef – bij groen licht voornoemde kruising was opgereden,

- verdachte heeft vervolgens niet afgeremd en voornoemde personenauto is tegen de door verdachte bestuurde personenauto aangebotst,

waardoor [slachtoffer] voornoemd zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden.

De raadsman heeft verzocht de verdachte niet te veroordelen tot een gevangenisstraf. Aangevoerd is dat de ernst van het feit – hoewel de gevolgen voor het slachtoffer groot zijn – geen gevangenisstraf rechtvaardigt, mede gelet op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarnaast zou een gevangenisstraf volgens de raadsman een te grote impact hebben op het gezin van de verdachte. Tot slot heeft de verdediging verzocht, gelet op het tijdsverloop van vier jaar en het werk van de verdachte als ZZP’er, geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, door zeer onvoorzichtig rijgedrag, schuldig gemaakt aan een ernstig verkeersmisdrijf. Hij heeft een voor hem rijdende personenauto, die stopte voor een oranje verkeerslicht, via een voorsorteerstrook rechts daarvan ingehaald. In plaats van vervolgens te remmen voor het oranje verkeerslicht, is hij de kruising opgereden. Daarbij heeft de verdachte nagelaten voorrang te verlenen aan een andere personenauto die een groen verkeerslicht was gepasseerd. Deze personenauto is vervolgens tegen de auto van de verdachte gebotst, waarbij de passagier in die auto, [slachtoffer], ernstig gewond is geraakt.

De zogeheten Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) bieden een eerste aanknopingspunt voor het bepalen van een passende straf. Deze oriëntatiepunten worden in Nederland door strafrechters gebruikt om te voorkomen dat straffen in soortgelijke zaken te zeer uiteenlopen. Voor gevallen als hier aan de orde worden daarin een taakstraf van 160 uur en een rijontzegging van één jaar genoemd.

Deze oriëntatiepunten zijn echter geenszins allesbepalend bij de strafoplegging. Het hof hecht er in dit verband belang aan te benadrukken dat de aanrijding ernstige gevolgen heeft gehad voor het slachtoffer. Zij heeft deze ter terechtzitting in hoger beroep als volgt toegelicht. Na het ongeluk is zij 11 dagen in het AMC opgenomen geweest. Haar borstbeen bleek te zijn gebroken en haar ribben bleken zwaar te zijn gekneusd. Daarnaast kreeg zij te kampen met een nekhernia. Sinds het ongeluk is zij verschillende keren geopereerd. Haar pijnklachten zijn sinds de operaties nooit meer verdwenen; zij gebruikt daarom al bijna vier jaar morfine. Het slachtoffer kan haar been niet meer goed optillen, waardoor haar mobiliteit beperkt is. Als gevolg van haar lichamelijke klachten heeft zij zeer weinig energie, is zij voor 100% afgekeurd en kan zij haar werk – dat zij met plezier verrichtte – niet meer uitvoeren. Door alles wat het slachtoffer heeft meegemaakt, is bovendien een conversiestoornis opgetreden die haar spraakvermogen heeft aangetast. Ook voor het gezin van het slachtoffer zijn de gevolgen verstrekkend. Het slachtoffer kan niet meer de (groot)moeder zijn die zij was en die zij wil zijn en er is geen uitzicht op verbetering van haar fysieke klachten.

Gelet op de ingrijpende gevolgen van het door de verdachte veroorzaakte ongeluk lijkt de oplegging van een gevangenisstraf in beginsel een adequate reactie. Het hof moet bij het bepalen van de straf echter ook rekening houden met de mate van verwijtbaarheid, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Het hof stelt daarbij voorop dat geen enkele straf de gevolgen die het slachtoffer nog dagelijks ondervindt, kan wegnemen of verlichten. Ook neemt het hof in beschouwing dat de verdachte het ongeluk nooit heeft gewild. Hij is als taxichauffeur niet de weg opgegaan met de intentie een ongeluk te veroorzaken, maar om naar de plek van bestemming te rijden. De verdachte heeft zich op dit noodlottige moment zeer onvoorzichtig gedragen, maar aanwijzingen dat hij vaker in het verkeer onverantwoorde risico’s nam, biedt het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie (zijn ‘strafblad’) niet. Daaruit komt naar voren dat de verdachte voorafgaand en na het feit niet vanwege enig ander verkeersdelict met politie en justitie in aanraking is gekomen. Voorts houdt het hof rekening met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Deze omstandigheden, in onderling verband gezien, leiden ertoe dat de verdachte niet zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf, maar tot een taakstraf van aanzienlijke duur.

Het hof zal dienovereenkomstig beslissen, met dien verstande dat een zwaardere taakstraf zal worden opgelegd dan genoemd in voormelde LOVS-oriëntatiepunten, gelet op het grote leed dat het slachtoffer is aangedaan. Het hof benadrukt, met name richting het slachtoffer, dat het feit dat het hof – anders dan de rechtbank – geen gevangenisstraf oplegt, zeker niet betekent dat de gevolgen van de aanrijding als minder ernstig worden ingeschat.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 (één) jaar.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. J.J.I. de Jong en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 maart 2017.