Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:929

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
23-005264-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Bewijsuitsluiting van "proces-verbaal misdrijf", omdat de betrouwbaarheid hiervan niet kan worden beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-005264-12

datum uitspraak: 21 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 december 2012 in de strafzaak onder parketnummer 96-176696-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 april 2014 en 7 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 12 april 2012, te Amsterdam terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Jan Tooropstraat, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven nu het tot andere beslissingen komt.

Bespreking van het verweer

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aan de hand van haar pleitnota betoogd dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en dat bewijsuitsluiting moet volgen. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

In het dossier bevinden zich onder meer twee processen-verbaal die zijn opgemaakt door verbalisant [verbalisant], te weten het “proces-verbaal van herkenning” opgemaakt op 9 mei 2012 en het “proces-verbaal misdrijf” opgemaakt op 7 juli 2012. Deze twee processen-verbaal die betrekking hebben op dezelfde gedraging zijn tegenstrijdig. Om die reden kan de juistheid van de processen-verbaal niet worden vastgesteld en dienen deze processen-verbaal van het bewijs te worden uitgesloten. Bij gebrek aan overig bewijs en gelet op de ontkenning van de verdachte moet hij worden vrijgesproken.


Het oordeel van het hof


Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In het zich in het dossier bevindende “proces-verbaal misdrijf” bonnummer 12.04.2012.1104.031082 met sluitingsdatum 5 juli 2012 is opgenomen dat dit proces-verbaal op ambtsbelofte is opgemaakt door verbalisant [verbalisant]. Evenwel ontbreekt een handtekening van voornoemde verbalisant.

Onder het betreffende “proces-verbaal” is opgenomen een “stempel” met de volgende tekst:

Elektronische invoer conform bijgaand concept proces-verbaal, zijnde een brondocument waarin de verbalisant zijn bevindingen heeft vastgelegd en ondertekend.

Gecontroleerd en getekend voor akkoord

De buitengewoon opsporingsambtenaar van Politie [ondertekend] [opsporingsambtenaar]

Ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2017 heeft verbalisant [verbalisant], als getuige hierover gehoord, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij niet betrokken is geweest bij het opstellen van dit “proces-verbaal misdrijf” en dat hij geen kennis heeft genomen van de inhoud daarvan. De daarin opgenomen bevindingen heeft [verbalisant] niet zelf gedaan, maar zijn opgetekend door een derde. Dit zou zijn gebeurd op basis van het ‘mini’ proces-verbaal van zijn hand, van 9 mei 2012. Om die reden ontbreekt dan ook zijn handtekening op voornoemd proces-verbaal misdrijf. [verbalisant] heeft verder verklaard dat hetgeen hij op 12 april 2012 heeft waargenomen is opgetekend in het door hem zelf opgemaakte en ondertekende “proces-verbaal van herkenning en bevindingen” van 9 mei 2012.

Bij deze stand van zaken komt het hof tot de conclusie dat met de bewoordingen en de strekking van het “proces-verbaal misdrijf” van 5 juli 2012 de indruk wordt gewekt dat sprake is van een op ambtsbelofte opgemaakt (concept) proces-verbaal, door de daarin genoemde verbalisant [verbalisant], terwijl daarvan feitelijk geen sprake is. Evenmin zijn de in dit “proces-verbaal” gerelateerde bevindingen door hem gecontroleerd terwijl overigens sprake is van een incorrecte weergave van de bevindingen van verbalisant [verbalisant].

Het hof acht deze gang van zaken betreurenswaardig temeer nu een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar immers bij uitstek de naar waarheid opgestelde kenbron is waarop de procesdeelnemers bij de beoordeling van alle mogelijke relevante aspecten van een strafzaak moeten kunnen vertrouwen

Hoewel het hof, anders dan de raadsvrouw van oordeel is dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering omdat het eventuele verzuim niet onherstelbaar is ziet het hof in hetgeen hiervoor is overwogen aanleiding om evengenoemd “proces-verbaal misdrijf” uit te sluiten van het bewijs, reeds omdat de betrouwbaarheid hiervan niet kan worden beoordeeld.

De vraag rijst dan vervolgens of deze bewijsuitsluiting moet leiden tot het door de raadsvrouw beoogde effect, te weten vrijspraak. Daarin zal het hof de raadsvrouw niet volgen.

Hert dossier bevat overigens voldoende wettig en overtuigend bewijs – te weten onder meer het door verbalisant [verbalisant] op 9 mei 2012 opgemaakte “proces-verbaal van herkenning en bevindingen”, het zogeheten ‘mini’ proces-verbaal van 9 mei 2012 alsmede de verklaring die [verbalisant] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2017 heeft afgelegd - om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te kunnen komen.

Daarbij merkt het hof op dat in hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd, noch anderszins enig aanknopingspunt kan worden gevonden de betreffende bewijsmiddelen en daarin vervatte waarnemingen

van politieambtenaar [verbalisant] onbetrouwbaar te achten.

Hetgeen overigens door de raadsvrouw is aangevoerd doet daaraan niet af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 12 april 2012 te Amsterdam terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Jan Tooropstraat, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van dertig uren te vervangen door vijftien dagen hechtenis met een proeftijd van één jaar.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden in een personenauto terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Daarmee heeft hij laten zien zich niets gelegen te laten aan een door het bevoegd gezag genomen beslissing die mede ziet op de verkeersveiligheid.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 januari 2017 is hij eerder – onder meer voor soortgelijke feiten – onherroepelijk veroordeeld. Gelet hierop en gezien de ernst van het bewezen geachte feit is het hof, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat oplegging van een vrijheidsstraf gerechtvaardigd is.

Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de verdachte thans uit anderen hoofde is gedetineerd en na zijn invrijheidstelling een intensief traject bij de Reclassering moet ondergaan. Het hof zal aan de verdachte weliswaar een duidelijk signaal geven dat hij zich aan de wet moet houden en dat herhaling van het strafbare feit voorkomen moet worden, maar zal dit in voorwaardelijke vorm doen om hem de mogelijkheid te geven zich te concentreren op genoemd traject.

Om die reden wijkt het hof, mede gelet op het tijdsverloop sedert het bewezenverklaarde feit, in het voordeel van de verdachte af van de door de politierechter opgelegde straf.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden en zal de op te leggen proeftijd matigen in na te noemen zin.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. M.C. Franken, in tegenwoordigheid van D.E.C. Velthuis, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 februari 2017.

Mr. M.C. Franken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.