Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:924

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
23-002091-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling, vernieling en mishandeling. Verdachte heeft een buurman met een klinker tegen zijn lichaam geslagen. Beroep op ontoerekenbaarheid verworpen. De verdachte heeft niet willen meewerken aan een psychologische en een psychiatrische rapportage. Inmiddels is de verdachte gedwongen opgenomen. In strafmatigende zin houdt het hof er rekening mee dat niet onaannemelijk is dat het bewezen verklaarde in enigerlei mate is beïnvloed door de geestestoestand en de persoonlijkheid van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002091-16

datum uitspraak: 14 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13/702178-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedag] 1985,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1 primair
zij op of omstreeks 17 juni 2015 te Uithoorn, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- (met kracht) een klinker en/of baksteen, althans een zwaar voorwerp, in de richting van het hoofd van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gegooid en/of geworpen

- voornoemde [slachtoffer 1] (met kracht) met een klinker en/of baksteen, althans een zwaar voorwerp, tegen het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of

- (met kracht) een klinker en/of baksteen, althans een zwaar voorwerp, tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gegooid en/of geworpen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

1 subsidiair
zij op of omstreeks 17 juni 2015 te Uithoorn, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit

- het slaan met een klinker en/of baksteen, althans een zwaar voorwerp, tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het gooien en/of werpen van een klinker en/of baksteen, althans een zwaar voorwerp, tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1],

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2
zij op of omstreeks 17 juni 2015 te Uithoorn, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit:

- het meermalen, althans eenmaal (met kracht) vastpakken en/of vastgrijpen van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het meermalen, althans eenmaal (met kracht) krabben tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] en/of

- het meermalen, althans eenmaal (met kracht) trekken en/of rukken aan het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en/of

- het meermalen, althans eenmaal (met kracht) vastpakken en/of vastgrijpen van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 3],

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;


3
zij op of omstreeks 17 juni 2015 te Uithoorn, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een t-shirt, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door eenmaal of meermalen (met kracht) aan voornoemd t-shirt te rukken en/of te trekken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Partiële vrijspraak voor mishandeling van [slachtoffer 3], feit 2

Het hof stelt vast dat uit het procesdossier en het verhandelde op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3]) door het vastpakken of het vastgrijpen van haar lichaam door de verdachte pijn of letsel heeft bekomen. Weliswaar kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 3] na het incident een kras op haar arm had, maar die kras is blijkens haar verklaring het gevolg geweest van het krabben door de verdachte, welke gedraging de verdachte niet ten laste is gelegd. Het hof is, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, dan ook van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de mishandeling van [slachtoffer 3] die is opgenomen in het onder 2 ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 primair
zij op 17 juni 2015 te Uithoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] met kracht met een klinker tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2
zij op 17 juni 2015 te Uithoorn opzettelijk [slachtoffer 1] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit:

- het met kracht vastpakken van het lichaam van [slachtoffer 1] en

- het met kracht krabben aan het lichaam van [slachtoffer 1] en

waardoor [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

en

zij op 17 juni 2015 te Uithoorn opzettelijk [slachtoffer 2] heeft mishandeld, bestaande die mishandeling uit:

- het met kracht trekken aan het lichaam van [slachtoffer 2],

waardoor [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden.


3
zij op 17 juni 2015 te Uithoorn opzettelijk en wederrechtelijk een T-shirt toebehorende aan [slachtoffer 1] heeft vernield door met kracht aan voornoemd T-shirt te trekken.

Hetgeen onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde

Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen is voor het hof buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat de verdachte met een klinker een slaande beweging heeft gemaakt richting het lichaam van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), meer bepaald richting diens hoofd, en dat [slachtoffer 1] die slag heeft weten af te weren, waardoor de klinker [slachtoffer 1] niet op het hoofd, maar op de rechterarm heeft geraakt. Het hof is van oordeel dat door het slaan met een klinker op het hoofd van een ander naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans in het leven wordt geroepen dat die ander daardoor zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, mede gelet op de vitale structuren die zich in het hoofd van de mens bevinden. Daarvan zal zich een ieder, dus ook de verdachte, bewust zijn. Door desondanks te handelen als zij heeft gedaan heeft zij (kennelijk en minst genomen) die aanmerkelijke kans willen aanvaarden.

Hetgeen de raadsman ter onderbouwing van zijn verzoek de verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde te berde heeft gebracht, wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de raadsman is gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de strafbare feiten haar niet kunnen worden toegerekend. Bij de verdachte is sprake van een chronische stoornis, waardoor haar oordeelsvorming ten tijde van het delict dermate was belemmerd, dat zij als volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte is op 25 juni 2015, acht dagen na het begaan van de bewezen geachte feiten, onderzocht door psychiater drs. [naam 1]. Zij concludeerde blijkens haar rapport van gelijke datum dat er sterke aanwijzingen waren dat de verdachte kampte met een psychotisch toestandsbeeld met paranoïde- en grootheidswanen. Verder kon er worden gedacht aan een delirant beeld, dit gezien de desoriëntatie in tijd in combinatie met de verwardheid van de verdachte. Laatstgenoemde gedroeg zich oninvoelbaar en liet niet het achterste van haar tong zien. Die pathologie leek in de optiek van de psychiater een rol te hebben gespeeld bij het ten laste gelegde. De psychiater adviseerde dan ook een nader psychiatrisch- en psychologisch onderzoek te entameren.

De verdachte heeft echter niet willen meewerken aan de onderzoeken van de psycholoog drs. [naam 2] en de psychiaters [naam 3] en [naam 4], die door de officier van justitie waren benoemd. Zij heeft geweigerd de psycholoog te woord te staan en heeft weliswaar een kort gesprek met de psychiaters gevoerd, maar heeft daarbij laten weten dat zij niet wilde meewerken aan het onderzoek, omdat zij daarvan het nut niet inzag. De gedragsdeskundigen hebben dus geen antwoord kunnen geven op de vraag of de verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten leed aan een ziekelijke stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Ook hebben zij zich niet kunnen uitlaten over de vraag op welke wijze een eventuele stoornis of gebrekkige ontwikkeling het handelen van de verdachte heeft beïnvloed.

Uit de door de raadsman overgelegde stukken blijkt dat de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 6 mei 2016 een voorlopige machtiging tot opneming en doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis van de verdachte heeft verleend. Redengevend werd geacht het oordeel dat de verdachte door een stoornis van de geestvermogens, te weten een psychose NAO [het hof begrijpt: niet anders omschreven], gevaar veroorzaakte, en onder andere ernstige fysieke agressie jegens derden in zich bergde. Bij beschikking van 25 augustus 2016 is door de rechtbank Amsterdam een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van de verdachte verleend. In die beschikking is opgenomen dat de verdachte is gediagnosticeerd met schizofrenie van het paranoïde type en is geoordeeld dat de verdachte vanwege haar paranoïdie een gevaar voor agressie naar anderen in zich bergt.

Naar het oordeel van het hof kunnen in bovenstaande feiten en omstandigheden de nodige aanwijzingen worden gevonden dat de verdachte ten tijde van de bewezen geachte vernieling kampte met een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Niet onaannemelijk is ook dat de geestestoestand van de verdachte op enigerlei wijze van invloed is geweest op de totstandkoming van haar gewraakte handelingen. Op basis van de beschikbare informatie is echter onvoldoende aannemelijk geworden dat het bewezen verklaarde de verdachte in het geheel niet kan worden toegerekend.

Er is (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair, onder 2 en onder 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot gevangenisstraf van 69 dagen met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich naar aanleiding van een conflict met haar buurman schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, twee mishandelingen en een vernieling. Zij heeft met haar handelen inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hen pijn of letsel toegebracht. Zoals naar voren komt uit de toelichting op de door de slachtoffers als benadeelde partij ingediende vorderingen tot schadevergoeding, is dit voor hen een zeer vervelende en beangstigende ervaring geweest. Incidenten als het onderhavige kunnen bovendien gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengen in de samenleving en, zeker als zij zich – zoals hier – in het openbaar afspelen, bij omstanders en omwonenden in het bijzonder. Daarnaast heeft de verdachte door de vernieling inbreuk gemaakt op het eigendom van [slachtoffer 1] en hem schade toegebracht.

Vanwege de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten en gezien de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van 5 maanden gerechtvaardigd.

In strafmatigende zin houdt het hof er rekening mee dat, zoals al bleek, niet onaannemelijk is dat het bewezen verklaarde in enigerlei mate is beïnvloed door de geestestoestand en de persoonlijkheid van de verdachte. Ook is duidelijk geworden dat de verdachte thans klinisch is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en daar wordt behandeld voor haar stoornis. Het hof acht het onwenselijk dat deze behandeling wordt doorkruist doordat de verdachte opnieuw gedetineerd zou raken.

Het hof acht, alles afwegende, oplegging van de gevangenisstraf die door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist en waarvan de duur gelijk is aan het reeds door de verdachte ondergane voorarrest, passend en geboden. Hieruit spreekt dat het hof in de beslissing tot vrijspraak van de mishandeling van [slachtoffer 3] geen aanleiding ziet om tot een mildere strafoplegging te komen; de aard en de ernst van het onder 1 bewezen geachte feit is in doorslaggevende mate strafbepalend.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 394,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen en is in hoger beroep weer aan de orde.

Zijdens de verdachte is de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de schadeveroorzakende gebeurtenissen (de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten) betwist. Het ontstaan van de schade, het causale verband met die gebeurtenissen en de omvang van de schade is niet weersproken.

Nu het hof de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk houdt voor de onder 1 tot en met 3 bewezen geachte feiten, is daarmee de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de daaruit rechtstreeks voortvloeiende schade gegeven.

Nu de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij zijdens de verdachte niet zijn betwist zal de vordering worden toegewezen. De toe te wijzen bedragen zullen, zoals verzocht, vermeerderd worden met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen en is in hoger beroep aan de orde.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 2 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Zijdens de verdachte is de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de schadeveroorzakende gebeurtenis (het onder 2 ten laste gelegde feit) betwist. Het ontstaan van de schade, het causale verband met die gebeurtenis en de omvang van de schade is niet weersproken.

Nu het hof de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk houdt voor het onder 2 bewezen geachte feit, is daarmee de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor de daaruit rechtstreeks voortvloeiende schade gegeven. Nu de gemotiveerde stellingen van de benadeelde partij door de verdediging niet zijn betwist zal de vordering worden toegewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals verzocht, vermeerderd worden met de wettelijke rente.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 300, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 69 (negenenzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 394,00 (driehonderdvierennegentig euro) bestaande uit € 44,00 (vierenveertig euro) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 primair, 2, 3 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 394,00 (driehonderdvierennegentig euro) bestaande uit € 44,00 (vierenveertig euro) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 200,00 (tweehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 200,00 (tweehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. C.N. Dalebout en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 maart 2017.

=[..........]

.