Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:920

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
23-003537-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling. De verdachte heeft de aangever met een mes in zijn wang gestoken. Verweren met betrekking tot het opzet, noodweer en psychische overmacht worden verworpen. Gelet op de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte wordt geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003537-16

datum uitspraak: 14 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-654007-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1 primair
zij op of omstreeks 3 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] (met kracht) met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de wang, in elk geval het hoofd en/of het gezicht, heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden;

1 subsidiair
zij op of omstreeks 3 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (blijvend ontsierend litteken in het gezicht/de wang), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet (met kracht) met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de wang, in elk geval het hoofd en/of het gezicht te steken en/of te prikken en/of te snijden;

1 meer subsidiair
zij op of omstreeks 3 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet naar voornoemde [slachtoffer] is toegegaan, waarna zij, verdachte, voornoemde [slachtoffer] (met kracht) met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de wang, in elk geval in het hoofd en/of het gezicht heeft gestoken en/of geprikt en/of gesneden;

2
zij op of omstreeks 3 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer] een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp getoond en/of voorgehouden en/of eenmaal of meermalen de woorden toegevoegd: "Ik steek je dood als je niet oppast" en/of "Ik steek je dood", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Het hof is met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bespreking van in hoger beroep gevoerde bewijsverweren

De verdachte heeft in haar verklaringen die zij tegenover de politie en op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep heeft afgelegd, samengevat, de volgende lezing gepresenteerd. De verdachte had een meningsverschil met [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]). Zij is, vergezeld van haar vriend [naam 1] (hierna: [naam 1]), naar de woning van [slachtoffer] gegaan en heeft aangebeld. Toen [slachtoffer] de deur opende stormde hij naar buiten, pakte haar meteen vast en probeerde hij de verdachte de tuin uit te werken. Daarbij gaf hij de verdachte, die op dat moment 19 weken zwanger was, knietjes richting haar buik. Op enig moment zag zij tijdens het handgemeen een mes op de grond liggen. Zij heeft het mes opgepakt en in de richting van [slachtoffer] gehouden. [slachtoffer] kwam, toen zij achteruit en aan het weglopen was, op de verdachte af, waarna zij voelde dat zij hem raakte met het mes. Hoe [slachtoffer] precies gewond is geraakt aan zijn wang heeft zij niet kunnen verklaren.

De raadsman heeft in het verlengde van de verklaring van de verdachte betwist dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft gestoken. Het hof begrijpt dat de raadsman heeft willen bepleiten dat de verdachte van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Het hof acht de door de verdachte gepresenteerde lezing niet geloofwaardig, omdat zij in de verschillende door haar afgelegde verklaringen op essentiële punten niet consistent is gebleken. Zo heeft zij op 7 januari 2016 tegenover de rechter-commissaris en op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat het mes dichtgeklapt was toen zij het van de grond oppakte en dat zij het mes vervolgens heeft opengeklapt. In hoger beroep heeft zij echter verklaard dat het mes al (deels) opengeklapt was toen zij het oppakte. Daarnaast heeft de verdachte tegenover de politie (p. 40) en op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [slachtoffer] knietjes gaf in de richting van haar buik, maar dat zij hierdoor niet werd geraakt. Op de terechtzitting in hoger beroep heeft zij echter verklaard dat zij door de knietjes wel in haar buik werd geraakt.

Aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de verdachte wordt verder afbreuk gedaan doordat deze op een belangrijk punt niet wordt ondersteund door de verklaring van [naam 1]. Uit diens verklaring volgt immers niet dat [slachtoffer] direct op de verdachte afstormde nadat hij de deur had geopend, maar dat [slachtoffer] enige tijd keek naar de buik van de verdachte en daarbij zeer dromerig overkwam, ‘alsof hij net een lijn had genomen’.

Het hof gaat bij die stand van zaken voorbij aan de verklaring van de verdachte.

Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer]. Daarbij komt dat deze wordt ondersteund door de verklaring van [naam 2] (hierna: [naam 2]) en door de omtrent [slachtoffer] opgemaakte letselverklaring. Op basis hiervan acht het hof bewezen dat de verdachte [slachtoffer] opzettelijk in zijn wang heeft gestoken.

Het hof verwerpt het verweer.

De raadsman heeft verder aangevoerd dat de verdachte ook van het onder 2 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat zij dit feit ontkent en niet vast is komen te staan op welk moment deze bedreiging heeft plaatsgevonden.

Ook dit verweer wordt verworpen. Dat de verdachte zich in bedreigende bewoordingen richting [slachtoffer] heeft uitgelaten volgt uit de verklaringen van [slachtoffer] en [naam 2]. Dit past bovendien bij de verklaring van de verdachte dat zij boos was toen zij bij [slachtoffer] voor de deur stond en dat zij daar was om verhaal te halen (p. 40). De omstandigheid dat [naam 2] en [slachtoffer] de dreigende woorden in de tijd respectievelijk vóór en na het gewond raken van [slachtoffer] plaatsen acht het hof niet van dermate groot gewicht dat aan hun beider verklaring dát de verdachte bij het incident dreigende taal heeft gebezigd, moet worden getwijfeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1 meer subsidiair
zij op 3 januari 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer] met kracht met een mes in de wang heeft gestoken.

2
zij op 3 januari 2016 te Amsterdam [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend voornoemde [slachtoffer] een mes voorgehouden en de woorden toegevoegd: "Ik steek je dood als je niet oppast" en/of "Ik steek je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Hetgeen onder 1 meer subsidiair en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De verdachte heeft zich op zitting op het standpunt gesteld dat zij ‘uit zelfverdediging’ heeft gehandeld uit doodsangst.

De raadsman heeft namens de verdachte het verweer gevoerd dat zij een beroep kan doen op noodweer. Hij heeft in dat verband (niet meer) aangevoerd (dan) dat de eerste agressie kwam van de kant van [slachtoffer]; deze had tevoren provocerende WhatsApp-berichten verstuurd en had de verdachte meermalen de tuin uitgezet.

Het hof overweegt dat de raadsman bij dit verweer kennelijk is uitgegaan van de lezing van de verdachte. Nu het hof deze lezing terzijde heeft gesteld, faalt het verweer reeds om die reden. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] waartegen de verdachte zich moest verdedigingen.

Er is (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit psychische overmacht. Zij verkeerde in een ‘extreme toestand van paniek’ en had angst om haar kind te verliezen. Daarbij heeft de raadsman erop gewezen dat van de verdachte bekend is dat zij door emoties kan worden overspoeld.

Het hof overweegt dat de raadsman bij dit verweer kennelijk is uitgegaan van de lezing van de verdachte, waarin [slachtoffer] haar knietjes richting haar buik heeft gegeven. Nu het hof deze lezing terzijde heeft gesteld en er ook voorts geen aanwijzing is dat bij de verdachte sprake was van een van buiten komende drang waaraan zij redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden, verwerpt het hof het beroep op psychische overmacht.

Er is derhalve geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 meer subsidiair en onder 2 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 meer subsidiair en onder 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en dat daaraan als bijzondere voorwaarden worden gekoppeld (a) het naleven van een meldplicht bij de reclassering, (b) het ondergaan van een behandeling bij centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag (hierna: De Waag) en (c) het realiseren van een nuttige dagbesteding, in de vorm van scholing of anderszins. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 dagen hechtenis.

De raadsman heeft gesteld het eens te zijn met de oplegging van een voorwaardelijke straf en aangevoerd dat een taakstraf van 240 uren voor de verdachte, die ook de zorg voor een kind heeft, een forse straf is. Hij heeft voorgesteld ook een gedeelte van de taakstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft tijdens een ruzie voor de woning van een bekende van haar, waarbij een woordenwisseling ontaardde in een confrontatie met duw- en trekwerk, plotseling met een mes uitgehaald naar het gezicht van het slachtoffer. Daardoor is hij in zijn linkerwang gestoken. Zijn wang is aan de binnenzijde gevoelloos (geweest) en daarnaast is de kans aanwezig dat hij altijd een litteken op zijn wang zal blijven houden. Gezien de wijze waarop de verdachte, die het slachtoffer ook nog eens dreigende woorden heeft toegeroepen, het mes heeft gehanteerd mag van geluk gesproken worden dat het letsel dat laatstgenoemde heeft opgelopen niet ernstiger was.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 februari 2017 is zij eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk veroordeeld. Dit wordt in haar nadeel meegewogen, zij het niet in grote mate gelet op de (beperkte) ernst van die eerdere feiten.

Gelet op de ernst van de thans bewezen gedragingen en de recidive van de verdachte acht het hof in beginsel een gevangenisstraf van verschillende maanden gerechtvaardigd. Daarbij wordt nog wel aangetekend dat de door de rechtbank opgelegde straf, gezien de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, als té fors moet worden bestempeld.

Uit het de verdachte betreffend rapport van 22 maart 2016, opgemaakt door psycholoog [naam 3], komt naar voren dat de verdachte kampt met een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) en dat haar persoonlijkheid antisociale trekken kent. Zij heeft problemen met leggen van het verband tussen oorzaak en gevolg, emotieregulatie en impulsbeheersing. Gelet op de proceshouding van de verdachte heeft de deskundige niet kunnen vaststellen of en zo ja, in welke mate deze kenmerken een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van de ten laste gelegde feiten. In algemene zin verhogen evengenoemde problemen de kans op (nieuw) antisociaal gedrag. De verdachte heeft daarnaast moeite zich staande te houden in de maatschappij. In verband met een en ander is aan te bevelen dat er reclasseringstoezicht wordt ingezet, aldus de psycholoog.

De voorlopige hechtenis van de verdachte is geschorst geweest. Daaraan was onder meer de voorwaarde verbonden dat zij zich aan de aanwijzingen van Reclassering Nederland zou houden. Op de terechtzitting in hoger beroep is haar toezichthouder, [naam 4], als getuige gehoord. Uit diens verklaring, de aldaar door de verdachte afgelegde verklaring en een overgelegde brief van De Waag van 23 februari 2017 is naar voren gekomen dat de verdachte haar leven sinds enige tijd een keer ten goede heeft weten te geven. Zij spant zich in voor haar Mbo-opleiding, is inmiddels moeder geworden en heeft samen met haar partner duurzame huisvesting. Zij heeft zich daarnaast onder behandeling van De Waag gesteld en zet zich daar tijdens de gesprekken goed in. De toezichthouder heeft benadrukt dat de verdachte nog aan het begin van haar behandeling staat en dat het door de verdachte te volgen traject tijd vergt. Hij heeft duidelijk gemaakt dat continuering van reclasseringstoezicht en behandelverplichting in het belang van de verdachte zijn.

Het hof is van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de positieve ontwikkelingen in het leven van de verdachte op onwenselijke wijze zou doorkruisen. Dat is niet in het belang van de verdachte en, vanuit speciaal-preventief oogpunt, ook niet in het belang van de samenleving. Het hof zal de verdachte daarom een goeddeels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Daaraan zullen de na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Daarnaast zal, vanwege de ernst van het onder 1 bewezen geachte feit, aan de verdachte nog een flinke werkstraf worden opgelegd. Het hof zal een werkstraf van beperkter omvang opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd, omdat het hof het van belang acht dat de verdachte ook in staat blijft om zich te richten op haar opleiding en de zorg voor haar zoon en om de afspraken met de reclassering en De Waag na te komen.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met na te melden bijzondere voorwaarden en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45, 57, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 meer subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 123 (honderddrieëntwintig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 120 (honderdtwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren of ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen van centrum voor ambulante forensische psychiatrie De Waag, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling vast te stellen.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij de Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd houdt aan de aanwijzingen te geven door of namens de instelling Reclassering Nederland, ook als deze aanwijzingen zien op het realiseren of het behoud van een zinvolle dagbesteding.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. C.N. Dalebout en mr. J.J.I. de Jong, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 maart 2017.

[..............]

.