Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:875

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
22-03-2017
Zaaknummer
23-000118-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bedreiging met zware mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000118-16

datum uitspraak: 16 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 januari 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-703535-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 maart 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1] de [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- tegen die [slachtoffer 1] de [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gezegd: "I can pull a knife if I want to and kill", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- ( vervolgens) met een mes (op korte afstand) zwaaiende en/of snijdende bewegingen naar / in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] de [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] gemaakt;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 december 2015 te Amsterdam, [slachtoffer 1] de [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes, op korte afstand, zwaaiende bewegingen in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] de [slachtoffer 2] en Voost gemaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het vonnis vervat.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 31 dagen met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft het hof verzocht ermee rekening te houden dat de verdachte in eerste aanleg zijn aanwezigheidsrecht niet heeft kunnen effectueren. De verdachte werd, hoewel hij door de rechter-commissaris in vrijheid was gesteld, niet vrijgelaten door de officier van justitie (naar het hof begrijpt: wegens vervangende hechtenis in verband met openstaande boetebedragen), aldus de raadsman. Hij wilde wel ter terechtzitting in eerste aanleg verschijnen maar was ziek.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling, door met een groot mes op korte afstand, op agressieve wijze, in de richting van de slachtoffers te zwaaien. Door zo te handelen heeft hij een voor de slachtoffers beangstigende en intimiderende situatie geschapen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 februari 2017 is hij eerder ter zake van misrijven onherroepelijk veroordeeld hetgeen in zijn nadeel weegt.

Hetgeen door de raadsman is aangevoerd vormt geen grond voor het opleggen van een lagere straf dan de hieronder bedoelde. Dat de verdachte om door de raadsman ter terechtzitting bij het hof en in de appelschriftuur aangegeven redenen heeft afgezien van zijn recht ter zitting in eerste aanleg te verschijnen is hiervoor niet redengevend. Ook overigens vindt het hof hiervoor in hetgeen is aangevoerd noch anderszins enig aanknopingspunt. Het hof merkt hierbij nog ten overvloede op dat zijdens de verdachte geen beroep is gedaan op het bepaalde in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. G.M. Boekhoudt, mr. F.M.D. Aardema en mr. M.F.J.M. de Werd, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 maart 2017.