Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:848

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
10-04-2018
Zaaknummer
200.168.047/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2018:913
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag en omgang; tussenbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 14 maart 2017

Zaaknummer: 200.168.047/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/563534 / FA RK 14-2859

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. D.M. de Boer te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J. Elte te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 13 april 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 januari 2015 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/563534 / FA RK 14-2859.

1.3.

De man heeft op 27 mei 2015 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zaak is op 27 juli 2015 ter terechtzitting behandeld. Van deze behandeling is een proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Het hof heeft de zaak op genoemde datum pro forma aangehouden tot 29 november 2015 teneinde partijen gelegenheid te geven zich tot het Omgangshuis Noord-Holland te wenden voor begeleiding bij (het heropstarten van) omgang tussen de man en [de minderjarige] .

1.5.

Ter griffie van dit hof is op 11 oktober 2016 een nader stuk van de zijde van de vrouw ingekomen.

1.6.

Ter griffie van dit hof is op 13 oktober 2016 een nader stuk van de zijde van de man ingekomen.

1.7.

Daarna hebben partijen – ieder afzonderlijk – op 18 januari 2017 nog een brief aan het hof gezonden.

1.8.

De behandeling is op 20 januari 2017 ter terechtzitting in hoger beroep voortgezet. Verschenen zijn:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw S.C. Benjamin, vertegenwoordiger van de raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de raad).

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2009 gehuwd. Hun huwelijk is op 20 juli 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 21 maart 2012 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ) [in] 2009. De ouders oefenen van rechtswege gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] , die sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw verblijft.

2.2.

In het door partijen op 17 januari 2012 overeengekomen ouderschapsplan zijn zij – voor zover thans van belang – overeengekomen dat zij het in het kennelijke belang van [de minderjarige] achten dat zij gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uitoefenen en dat vanaf 1 maart 2012 de vader [de minderjarige] bij zich heeft eenmaal per twee weken van vrijdagmiddag na peuterspeelzaal of school tot zondagochtend op een nader te bepalen locatie.

Partijen hebben geen uitvoering gegeven aan voormelde zorgregeling.

2.3.

Bij tussenbeschikking van 27 juni 2014 van de rechtbank Amsterdam is – voor zover thans van belang – als voorlopige zorgregeling bepaald dat de man en [de minderjarige] omgang met elkaar hebben met ingang van 8 augustus 2014 gedurende twee maanden iedere vrijdag van 15:00 uur tot 16:00 uur op de kinderboerderij vlakbij het [ziekenhuis] en voorts de behandeling omtrent het gezag en omgang pro forma aangehouden tot 13 oktober 2014 in afwachting van het verloop van voormelde voorlopige zorgregeling.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vrouw haar met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] te belasten afgewezen. Voorts is de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders bepaald aldus dat met ingang van de datum van de bestreden beschikking de vader [de minderjarige] bij zich heeft in de maanden januari 2015 en februari 2015 op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur, in de maanden maart 2015 en april 2015 op zaterdag van 10:00 uur tot 19:00 uur en vanaf mei 2015 eenmaal per twee weken van zaterdag 10:00 uur tot zondag 19:00 uur.

Deze beschikking is mede gegeven op het verzoek van de man om de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling te wijzigen, aldus dat hij [de minderjarige] bij zich heeft van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur, twee weken aaneengesloten tijdens de zomervakantie en dat de overige schoolvakanties bij helfte worden verdeeld.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, haar inleidend verzoek om haar te belasten met het eenhoofdig gezag toe te wijzen en het inleidend verzoek van de man om uitbreiding van de zorgregeling af te wijzen en te bepalen dat er tussen de man en [de minderjarige] geen zorgregeling geldt.

3.3.

De man verzoekt primair de bestreden beschikking te bekrachtigen en subsidiair een onderzoek door de raad te gelasten.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ter beoordeling aan het hof ligt voor de vraag of de rechtbank het verzoek van de vrouw met betrekking tot het gezag terecht heeft afgewezen, alsmede de vraag welke zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] het meest in het belang is van [de minderjarige] .

4.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter op verzoek van een van de ouders het gezamenlijk gezag over het kind beëindigen, indien de omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechter aan wie van de ouders voortaan het gezag over het kind toekomt. Ingevolge artikel 1:253n, lid 2 in verbinding met artikel 1:251a, lid 1 BW kan worden bepaald dat het gezag over een kind aan één van de ouders toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.3.

De vrouw betoogt ten aanzien van het gezag dat beëindiging van het gezamenlijk gezag in het belang is van [de minderjarige] . Partijen zijn sinds de echtscheiding niet of nauwelijks in staat geweest om met elkaar te communiceren. Ook het mediationtraject dat zij in januari 2016 bij het Omgangshuis hebben doorlopen, heeft daarin geen verbetering gebracht. Tussen partijen is sprake van wederzijds wantrouwen. Daarbij komt dat de man in het verleden zijn toestemming heeft geweigerd voor onder meer een vakantie van de vrouw met [de minderjarige] . Ook heeft de man zijn toestemming voor de afgifte van een ID kaart voor [de minderjarige] pas willen geven na tussenkomst van de advocaten van partijen. De man maakt op deze manier oneigenlijk gebruik van zijn ouderlijk gezag, zodat sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [de minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders.

Ten aanzien van zorgregeling stelt de vrouw dat zij zich altijd heeft ingezet voor contactherstel tussen de man en [de minderjarige] . Ook bij het Omgangshuis heeft de vrouw zich aan de gemaakte afspraken gehouden. Zij heeft in de zomer van 2016 zelfs haar vakantie afgeblazen, zodat het contact tussen de man en [de minderjarige] niet opnieuw onderbroken zou worden. De man is daarop zelf voor twee maanden naar Turkije vertrokken, zodat het contact tussen hem en [de minderjarige] opnieuw stil is komen te liggen. [de minderjarige] wordt hierdoor teleurgesteld en de vrouw heeft er geen vertrouwen in dat de man zich in de toekomst wel aan de afspraken over de omgang zal houden. Dit is niet in het belang van [de minderjarige] , zodat de man de omgang tussen hem en [de minderjarige] ontzegd dient te worden. Indien het hof dit nodig acht, staat de vrouw achter een onderzoek door de raad.

4.4.

De man stelt dat het gezamenlijk gezag van partijen over [de minderjarige] in stand dient te blijven en voert ter onderbouwing van dit standpunt het volgende aan. De communicatie tussen partijen is voor verbetering vatbaar. Echter, van een situatie waarin [de minderjarige] klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders is geen sprake. De vrouw heeft na de echtscheiding ieder contact tussen de man en [de minderjarige] tegengehouden door haar adres geheim te houden en de sms-berichten van de man niet te beantwoorden. Voorts stelt de man ten aanzien van de zorgregeling dat de vrouw hieraan haar medewerking niet heeft willen verlenen. Zo heeft zij in januari 2016 aan het Omgangshuis laten weten te willen stoppen met het traject aldaar. Daarna is de omgang tussen de man en [de minderjarige] toch weer op gang gekomen en is deze vervolgens in de zomer van 2016 weer gestagneerd. Indien het partijen ondanks alle pogingen hiertoe niet lukt om tot een zorgregeling te komen zou een ondertoezichtstelling dan wel een onderzoek door de raad nog een mogelijkheid kunnen zijn om tot een oplossing te komen, aldus de man.

4.5.

De raad heeft ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard. De onderhavige zaak loopt al lang en tot op heden is nog geen sprake van een oplossing. [de minderjarige] is thans zeven jaar oud en maakt de strijd tussen de ouders bewust mee. Het gebrek aan continuïteit in het contact tussen hem en de man is niet in het belang van [de minderjarige] . Hij heeft recht op helderheid. De communicatie tussen ouders is niet goed. Anderzijds zou het [de minderjarige] gegund zijn als hij contact heeft met zijn vader. Wel dient het contact aan te sluiten bij hetgeen [de minderjarige] nodig heeft. Om te weten wat hij nodig heeft, is het van belang dat bij de raad meer zicht komt op [de minderjarige] . De raad biedt aan hiernaar een onderzoek te verrichten. Bij dit onderzoek kan als uitgangspunt genomen worden de vraag wat [de minderjarige] nodig heeft ten aanzien van het contact tussen hem en de man. Daarnaast kan onderzocht worden of de man in staat is om [de minderjarige] dit te bieden en wat de ouders kunnen dragen, zodat voorkomen wordt dat [de minderjarige] opnieuw teleurgesteld zal raken, aldus de raad.

4.6.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Sinds de echtscheiding hebben partijen grote moeite gehad om met elkaar te communiceren en om zich blijvend te houden aan de gemaakte afspraken over het contact tussen de man en [de minderjarige] . Zo is het partijen na de echtscheiding niet gelukt om de zorgregeling zoals door hen overeengekomen in het ouderschapsplan na te komen, met als gevolg dat in de periode van omstreeks 2012 tot 2014 nauwelijks contact tussen de man en [de minderjarige] is geweest. Nadien hebben partijen verschillende pogingen ondernomen om het contact tussen de man en [de minderjarige] te herstellen. Zo heeft vanaf augustus 2014 tot en met oktober 2014, conform de (tussen)beschikking van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2014, bij wijze van voorlopige zorgregeling omgang tussen de man en [de minderjarige] plaatsgevonden op de kinderboerderij. Deze voorlopige zorgregeling is vanaf november 2014 weer geëindigd. Nadat partijen door dit hof zijn verwezen naar het Omgangshuis voor begeleiding bij het (her)opstarten van het contact tussen de man en [de minderjarige] heeft vanaf november 2015 tussen de man en [de minderjarige] begeleid contact plaatsgevonden. In januari 2016 zijn partijen daarnaast gestart met een mediationtraject bij het Omgangshuis. Begin augustus 2016 is het contact tussen de man en [de minderjarige] wederom gestopt, nadat tussen partijen onder meer onenigheid was ontstaan over de periode van de zomervakantie. Sindsdien heeft tussen de man en [de minderjarige] geen omgang meer plaatsgevonden. Op 20 oktober 2016 heeft bij het Omgangshuis een laatste gesprek plaatsgevonden, waarbij de mediation is beëindigd zonder dat partijen overeenstemming hebben bereikt.

Het hof is met de raad van oordeel dat het in het belang is van [de minderjarige] dat thans duidelijkheid ontstaat over de zorgregeling. [de minderjarige] is op dit moment zeven jaar oud en dient mede gelet op zijn leeftijd te weten waar hij ten aanzien van de omgang tussen hem en de man aan toe is. Naar het oordeel van het hof is uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep echter nog onvoldoende naar voren gekomen hoe het op dit moment met [de minderjarige] gaat, wat hij ten aanzien van het contact tussen hem en de man nodig heeft en wat zijn draagkracht is met betrekking tot contact(herstel) met de man. Tevens is onvoldoende duidelijk geworden of de ouders in staat zijn om bestendige afspraken met elkaar te maken met betrekking tot [de minderjarige] .

Niet alleen met betrekking tot de zorgregeling, maar ook met betrekking tot het gezag acht het hof zich op dit moment nog onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen. Het hof zal de raad daarom verzoeken een onderzoek in te stellen en advies uit te brengen omtrent de volgende vragen:

Ten aanzien van het gezag:

- Is wijziging van het gezag, aldus dat de vrouw zal worden belast met het éénhoofdig gezag, conform het verzoek van de vrouw, in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk ?

Ten aanzien van de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] :

  • -

    Welke mogelijkheden zijn er voor een zorgregeling tussen [de minderjarige] en de man?

  • -

    Zijn er factoren die het contact belemmeren?
    Zo ja, welke?
    Hoe en op welke termijn zijn deze factoren op te heffen?

  • -

    Hoe dient het contact in het belang van [de minderjarige] vorm gegeven te worden?

Het hof geeft de raad in overweging om voor de beantwoording van deze vragen zo nodig externe deskundigen, waaronder het Omgangshuis, als informant te raadplegen. Ten slotte wordt de raad verzocht het hof omtrent de resultaten van het onderzoek schriftelijk te rapporteren en te adviseren. In afwachting van het raadsonderzoek zal de behandeling van de zaak pro forma worden aangehouden tot zondag 1 oktober 2017.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

verzoekt de raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam, onderzoek te verrichten aan de hand van de onder 4.6. geformuleerde vragen;

bepaalt dat de behandeling van de zaak pro forma zal worden aangehouden tot
zondag 1 oktober 2017, met het verzoek aan de raad uiterlijk vier weken vóór die datum schriftelijk rapport en advies uit te brengen aan het hof over de resultaten van het onderzoek;

beveelt de oproeping van partijen, hun advocaten en de raad tegen een nader te bepalen zitting;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, mr. A.N. van de Beek en mr. J. Kok in tegenwoordigheid van mr. H. Sapir als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2017.