Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:796

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-03-2017
Datum publicatie
23-03-2017
Zaaknummer
23-001760-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2015:4476
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:2277
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet voldoen aan wettelijke plicht als getuige een verklaring af te leggen (art. 192 Sr). De verdachte, die onherroepelijk is veroordeeld voor het medeplegen van de moord op Thomas van der Bijl, heeft op 14 mei en 2 juni 2014 in het Passage-proces geweigerd om als getuige vragen te beantwoorden en heeft zich zonder nadere toelichting beroepen op een verschoningsrecht. Het hof wijst het verzoek om de zaak o.g.v. art. 62b RO naar een ander gerechtshof te verwijzen af. Het hof legt voor het slagen van het beroep op een verschoningsrecht a.b.i. art. 219 Sv als maatstaf aan dat aannemelijk is geworden dat de getuige zichzelf, een familielid, een echtgenoot of een geregistreerd partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling blootstelt. In het geval dat een getuige – zoals hier – wordt gehoord over een feit waarvoor hij zelf al is afgestraft, komt hem in beginsel geen algemeen beroep op een verschoningsrecht toe. Het hof ziet de weigering te verklaren op de beide zittingsdata als een voortgezette handeling. Volgt oplegging van een gevangenisstraf van 5 weken. De zaak hangt samen met het arrest dat is gepubliceerd als ECLI:NL:GHAMS:2017:797.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-001760-15

datum uitspraak: 20 maart 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 april 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15/191898-14 tegen:

[verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

7 september 2016, 6 februari 2017, 6 maart 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 14 mei 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, terwijl hij wettelijk als getuige was opgeroepen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan enige wettelijke verplichting die hij alszodanig had te vervullen, immers heeft hij, verdachte, op die terechtzitting geweigerd antwoord te geven op (aan) hem gestelde vragen en/of zich (daarbij) ten onrechte beroepen op een /zijn verschoningsrecht;

2.
hij op of omstreeks 2 juni 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, terwijl hij wettelijk als getuige was opgeroepen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan enige wettelijke verplichting die hij alszodanig had te vervullen, immers heeft hij, verdachte, op die terechtzitting geweigerd antwoord te geven op (aan) hem gestelde vragen en/of zich (daarbij) ten onrechte beroepen op een /zijn verschoningsrecht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 16 november 2009 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK3445) veroordeeld voor het medeplegen van moord op de Amsterdamse caféhouder Thomas van der Bijl (hierna: Van der Bijl), gepleegd op 20 april 2006. Deze veroordeling is met het arrest van de Hoge Raad van 20 september 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ3137) onherroepelijk geworden.

Zoals van algemene bekendheid is, dienen bij het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep sedert enige tijd de strafzaken die gezamenlijk plegen te worden aangeduid als het ‘Passage-proces’. Daarbij worden zes personen – net als eerder de verdachte – beschuldigd van betrokkenheid bij de moord op Van der Bijl. Deze personen betreffen [verdachte 2] , Fred Ros (hierna: Ros), [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] en [verdachte 6] . De verdachte is in het Passage-proces op 14 mei 2014 voor de zitting van het gerechtshof Amsterdam in het Justitieel Complex Schiphol (JCS) als getuige verschenen. Daar heeft hij op de door de wet voorgeschreven wijze de belofte afgelegd dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zou verklaren. Vervolgens heeft hij, anders dan op vragen naar zijn personalia en een enkele vraag omtrent zijn persoonlijke situatie, op geen enkele vraag antwoord willen geven, omdat hij, zo deelde hij mede, van mening was dat hem een beroep op een verschoningsrecht toekwam. Op vordering van de advocaat-generaal heeft het hof hierop bevolen dat de verdachte voor ten hoogste dertig dagen in gijzeling werd genomen en dat hij op 2 juni 2014 wederom aan het hof diende te worden voorgeleid. Op laatstgenoemde datum is de verdachte in het JCS opnieuw als getuige voor het hof verschenen. Daar heeft hij op de door de wet voorgeschreven wijze opnieuw de belofte afgelegd dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zou verklaren. Wederom heeft hij te kennen gegeven zich ten aanzien van alle vragen te beroepen op zijn verschoningsrecht. Vervolgens is hij door het hof uit de gijzeling ontslagen, omdat er geen enkele aanwijzing was dat door de toepassing van die gijzeling de medewerking van de verdachte als getuige aan het verhoor kon worden afgedwongen. Op geen van beide data heeft de verdachte willen toelichten waarom hij van mening was dat hem een beroep een verschoningsrecht toekwam.

Van algemene bekendheid is voorts dat Willem Holleeder (hierna: Holleeder) op 13 december 2014 in het onderzoek ‘ [naam 1] ’ is aangehouden als verdachte van betrokkenheid bij (onder andere) de moord op Van der Bijl en dat bij de rechtbank Amsterdam tegen hem nu een strafzaak aanhangig is.

Bij dagvaarding van 2 maart 2015 heeft de officier van justitie in het arrondissement Noord-Holland tegen de verdachte strafvervolging ingesteld en hem, kort gezegd, verweten dat hij op 14 mei en 2 juni 2014 niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting die de verdachte als getuige had te vervullen als bedoeld in artikel 192 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Verzoek tot verwijzing naar ander gerechtshof

Op de terechtzitting in hoger beroep van 7 september 2016 heeft de raadsman van de verdachte het hof verzocht de zaken van de verdachte naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden of het gerechtshof Den Bosch te verwijzen. Daartoe is toen aangevoerd dat:

- het in het belang van het gerechtshof Amsterdam is dat de verdachte als getuige een verklaring aflegt in het Passage-proces,

- nu de voorzitter van de meervoudige strafkamer [naar het hof begrijpt: van het gerechtshof] in het onderzoek Passage al heeft medegedeeld dat de verdachte geen verschoningsrecht toekomt, het niet gepast is dat de onderhavige zaak door het gerechtshof Amsterdam wordt behandeld,

- het voor de verdachte niet afdoende is dat de raadsheren die over de voorliggende zaak hebben te oordelen geen deel uit maken van de zittingscombinatie van het Passage-proces en

- verwijzing daarom is geboden teneinde elke schijn van partijdigheid te vermijden.

Het hof heeft naar aanleiding daarvan het volgende overwogen en beslist:

Voorop wordt gesteld dat de regels omtrent de relatieve competentie van gerechten geacht worden van openbare orde te zijn.

In dit geval is hoger beroep ingesteld tegen (…) [het vonnis] van de rechtbank Noord-Holland van 21 april 2015 (…).

Gelet op het bepaalde in artikel 60 van de Wet RO jo. artikel 14 van de Wet op de Rechterlijke Indeling heeft het gerechtshof Amsterdam in hoger beroep over (…) [dit vonnis] te oordelen.

Op grond van artikel 62b Wet RO kan een zaak evenwel ter verdere behandeling worden verwezen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is.

Voor een toelichting op het huidige artikel 62b van de Wet RO heeft de wetgever verwezen naar die op artikel 46b van die wet.

In de parlementaire stukken is de volgende toelichting op artikel 46b van de Wet RO gegeven:

“[Het voorgestelde artikel 46b] maakt verwijzing naar een andere rechtbank (lees: hof) mogelijk indien naar het oordeel van de verwijzende rechtbank door «betrokkenheid van de rechtbank» behandeling van de zaak door een andere rechtbank gewenst is. Deze formulering omvat niet alleen gevallen waarin een rechtbankmedewerker partij of betrokkene is bij de zaak, maar maakt verwijzing ook mogelijk als bijvoorbeeld de rechtbank zelf partij is (bijvoorbeeld bij een geschil over het al dan niet verlenen van een bouwvergunning) of als sprake is van een geschil van een advocaat die regelmatig bij de bevoegde rechtbank pleit voor zijn cliënten en nu een privégeschil heeft (…). Artikel 46b zal vanzelfsprekend ook toegepast kunnen worden, indien sprake is van een geschil waarbij niet een rechtbankmedewerker, maar een medewerker van het arrondissementsparket betrokken of partij is.” (Kamerstukken II, 2010-2011, 32 891, nr. 3, p. 52-53).

Gelet daarop en ook overigens is het hof van oordeel dat de mededelingen van de voorzitter van de meervoudige strafkamer in het onderzoek ‘Passage’, inhoudende dat die kamer bij de gegeven stand van zaken van oordeel was dat de verdachte geen beroep op enig verschoningsrecht toekomt (proces-verbaal zitting van 2 juni 2014) (…), niet tot de conclusie dwingen dat sprake is van betrokkenheid van het hof bij de behandeling van de zaken tegen de verdachte in de zin van artikel 62b van de Wet RO. Evenmin wordt aanleiding gezien op andere gronden tot die conclusie te komen. De omstandigheid dat de raadsheren die dienen te oordelen over de voorliggende strafzaken van de verdachte verbonden zijn aan het Amsterdamse hof en daarmee in de beleving van de verdachte deel uitmaken van één geheel, maakt dat niet anders.

De heden ter terechtzitting door de raadsman ingenomen stelling dat het hof – het hof begrijpt: de meervoudige strafkamer die te oordelen heeft over de strafzaken in het onderzoek Passage – een eigen belang heeft bij een inhoudelijke verklaring van de verdachte treft geen doel. Te gelden heeft dat de thans zitting houdende combinatie geen deel uitmaakt van de zittingscombinatie van het ‘Passage-proces’ en niet op enige wijze betrokken is geweest bij de zaak tegen de verdachte die heeft geleid tot de arrest van 16 november 2009, noch bij enige zaak die de verdachte W.F. Holleeder betreft. Voor zover de geponeerde stelling al opgeld zou doen, zou die dus louter de ‘Passage-kamer’ kunnen regaderen.

Dit alles betekent dat het verzoek tot verwijzing naar een ander gerechtshof zoals bedoeld in artikel 62b van de Wet RO (…) wordt afgewezen.

De raadsman heeft op de terechtzitting van 6 februari 2017 bij pleidooi opnieuw het verzoek gedaan om de zaak naar een ander gerechtshof te verwijzen. Voor de motivering van dat verzoek heeft hij verwezen naar hetgeen hij op de terechtzitting van 7 september 2016 te berde heeft gebracht.

Nu de raadsman aldus geen nieuwe of andere motivering aan diens verzoek ten grondslag heeft gelegd, ziet het hof geen reden om terug te komen op zijn eerdere beslissing of op hetgeen daaraan ten grondslag is gelegd en blijft daar dus bij. Het verzoek wordt daarom opnieuw afgewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de eerste rechter.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft aangevoerd dat van het openbaar ministerie mocht worden verwacht dat het in deze zaak een vervolging van de verdachte voor artikel 192 Sr achterwege zou laten, omdat:

( a) het bepaalde in artikel 192 Sr niet van toepassing is op een getuige die wel is verschenen, maar niet antwoordt,

( b) de verdachte zich terecht op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, omdat hij gemakkelijk tot meineed kan worden gebracht, bijvoorbeeld als hij afwijkend zou verklaren ten opzichte van één van de eerder door hem afgelegde verklaringen;

( c) Ros een relatie heeft gehad met een zuster van de verdachte, die zus als verdachte in het onderzoek is aangemerkt en de verdachte onmogelijk per vraag kan beoordelen of hij daarmee zijn zuster belast en

( d) aan de verdachte reeds de vrijheid is ontnomen doordat hij is gegijzeld, zodat een vervolging en bestraffing voor het in artikel 192 Sr strafbaar gestelde misdrijf in strijd komt met artikel 68 Sr.

De geëntameerde vervolging kan daarom niet als redelijk en billijk worden gezien, aldus de verdediging.

Hoewel hetgeen de verdediging hier naar voren heeft gebracht een ondubbelzinnige conclusie ontbeert, begrijpt het hof dat de verdediging heeft willen betogen dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte.

Het hof stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo’n uitzonderlijk geval doet zich onder andere voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).

Geen van de onder (a) tot en met (c) genoemde gronden leidt tot de conclusie dat de vervolging van de verdachte ter zake van het opzettelijk niet voldoen aan een wettelijke verplichting als apert onevenredig moet worden bestempeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat het – zoals hierna ook zal blijken – ten tijde van de vervolgingsbeslissing geen uitgemaakte zaak was dat het bepaalde in artikel 192 Sr niet ziet op getuigen die wel zijn verschenen, maar geen verklaring afleggen en evenmin dat de verdachte zich op 14 mei en 2 juni 2014 op goede gronden zou kunnen beroepen op een verschoningsrecht. De onder (d) genoemde reden leidt evenmin tot evenbedoelde conclusie. De ratio van de bevoegdheid de gijzeling van een getuige te bevelen is gelegen is in diens belemmering van de waarheidsvinding in een strafproces. Door middel van gijzeling wordt getracht de getuige alsnog tot medewerking te bewegen. Hoewel gijzeling vrijheidsbeneming met zich brengt, heeft de toepassing daarvan, anders dan de verdediging kennelijk veronderstelt, veeleer een instrumenteel dan een punitief karakter. Van een eerdere vervolging en berechting ter zake van feiten waarover het hof thans heeft te oordelen is geen sprake.

Het verweer wordt daarom in al zijn onderdelen verworpen. Ook voorts worden geen omstandigheden gezien die aan het vervolgingsrecht van de officier van justitie in de weg staan. Deze is daarin dan ook ontvankelijk.

Bewijsoverwegingen

Juridisch kader

Voor de beantwoording van de vragen waarvoor het hof zich vervolgens gesteld ziet zijn de volgende bepalingen van belang:

Artikel 192, eerste lid, Sr luidt, voor zover van belang:

Hij die, wettelijk als getuige (…) opgeroepen, opzettelijk niet voldoet aan enige wettelijke verplichting die hij als zodanig te vervullen heeft, wordt gestraft:
1°. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

Artikel 294 Sv, dat ingevolge artikel 415, eerste lid, Sv ook op de procedure in hoger beroep van toepassing is, luidt, voor zover van belang:

1. Indien de getuige bij zijn verhoor zonder wettige grond weigert de gestelde vragen te beantwoorden (…), beveelt de rechtbank, indien dit voor het onderzoek dringend noodzakelijk is, dat hij in gijzeling zal worden gesteld.

(…)

3. Het bevel tot gijzeling is niet langer dan dertig dagen geldig; de rechtbank beveelt tevens op welk tijdstip de getuige opnieuw aan haar wordt voorgeleid. Tegen het bevel is geen rechtsmiddel toegelaten.

Artikel 217 Sv luidt:

Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich verschoonen:
1°. des verdachten of mede-verdachten bloed- of aanverwanten in de rechte lijn;
2°. des verdachten of mede-verdachten bloed- of aanverwanten in de zijlijn tot den derden graad ingesloten;
3°. des verdachten of mede-verdachten echtgenoot of eerdere echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner.

Artikel 218 Sv luidt:

Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.

Artikel 219 Sv luidt:

De getuige kan zich verschoonen van het beantwoorden eener hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf of een zijner bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in den tweeden of derden graad of zijn echtgenoot of eerdere echtgenoot dan wel geregistreerde partner of eerdere geregistreerde partner aan het gevaar eener strafrechtelijke veroordeeling zou blootstellen.

Als getuige opgeroepen

De verdediging heeft betwist dat uit enig wettig bewijsmiddel kan blijken dat de verdachte wettelijk als getuige is opgeroepen.

Het hof verwerpt dit verweer. Weliswaar bevindt zich met betrekking tot de zitting van 14 mei 2014 geen oproeping in het dossier, maar in de brief van advocaat-generaal [Advocaat Generaal] van 15 juli 2014 is opgenomen dat de verdachte voor die zitting ‘rechtsgeldig als getuige [is] opgeroepen’. Het hof ziet geen reden om aan de juistheid van deze mededeling te twijfelen, temeer nu in de verklaringen van de verdachte geen aanwijzing voor het tegendeel kan worden gevonden én de verdachte, wiens vrijheid door het moeten dragen van een enkelband was beperkt, doch hem feitelijk niet was ontnomen, op 14 mei 2014 daadwerkelijk als getuige op de terechtzitting is verschenen. Op 2 juni 2014 is de verdachte evenzeer als getuige ter terechtzitting verschenen, meer specifiek aan het hof voorgeleid. Buiten redelijke twijfel staat vast dat de verdachte voor die zitting is gedagvaard om als getuige een verklaring af te leggen. Immers, de verdachte heeft op 6 februari 2017 verklaard: “Ik heb een dagvaarding om te getuigen gekregen, terwijl ik voor die zaak vast zat in het Paleis van Justitie in Den Haag.”. Tegen de achtergrond van het gegeven dat de verdachte naar aanleiding van het verhandelde op de terechtzitting van 14 mei 2014 op bevel van het hof in gijzeling was genomen kan niet anders worden aangenomen dan dat de verdachte in zojuist geciteerde verklaring heeft gesproken over een dagvaarding om als getuige op de terechtzitting van 2 juni 2014 een verklaring af te leggen.

Niet voldoen aan enige wettelijke verplichting

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte, door na te laten hem gestelde vragen te beantwoorden, niet heeft gehandeld in strijd met “enige wettelijke verplichting” in de zin van artikel 192 Sr, omdat de verplichting tot het beantwoorden van vragen – in strijd met het lex certa-beginsel – niet in voldoende mate in enige formele wet of wettelijke regeling is omschreven. In de optiek van de verdediging dient de verdachte ook op deze grond te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Naar het oordeel van het hof brengt het wettelijk stelsel mee dat degene die ter terechtzitting als getuige wordt gehoord gehouden is op alle hem gestelde vragen te antwoorden, behoudens voor zover hem het recht toekomt zich te verschonen en hij op dat recht een beroep doet (vgl. Hoge Raad 8 september 1998, NJ 1998/879, rov. 4.5). Zeker gelet op de bewoordingen van artikel 294, eerste lid, Sv kan daarover geen misverstand bestaan. Daarbij zij nog opgemerkt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 192 Sr volgt dat deze bepaling beoogt de “in strafzaken (…) sterkere neiging om zich aan de wettelijke verplichtingen te onttrekken en hetgeen men weet te verzwijgen” het hoofd te bieden en dat “het weigeren van getuigenis der waarheid af te leggen” als een “zwaar misdrijf” moet worden gezien (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, Tweede Deel, Haarlem: 1881, p. 194-196). Het lex certa-beginsel komt dan ook niet in het gedrang. Het verweer mist daarom doel.

Opzet

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte niet opzettelijk niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting die de verdachte als getuige had te vervullen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat alleen het welbewust claimen van een verschoningsrecht, dat men klaarblijkelijk niet toekomt, misschien tot strafwaardigheid kan leiden. De rechtsfiguur van het voorwaardelijk opzet past in de optiek van de raadsman niet bij de delictsomschrijving van artikel 192 Sr.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 mei 2014 blijkt dat de verdachte – nadat hij had verklaard geen bloed- of aanverwant van de verdachten in het Passage-proces te zijn – er door het hof op is gewezen dat zijn strafzaak inmiddels onherroepelijk was en is hem tegen die achtergrond gevraagd uit te leggen waarom hij van mening was dat hem een beroep op een verschoningsrecht toekwam, welke uitleg de verdachte niet heeft gegeven. De advocaat-generaal heeft vervolgens medegedeeld dat de verdachte in zijn visie geen verschoningsrecht toekwam en heeft gewezen op de verschillende negatieve gevolgen die de opstelling van de verdachte zou kunnen hebben. Het onderzoek ter terechtzitting is hierna onderbroken teneinde de verdachte de gelegenheid te bieden overleg met zijn advocaat te voeren. De verdachte heeft na hervatting van dat onderzoek medegedeeld dat hij overleg heeft gehad met zijn advocaat, maar dat hij zich ten aanzien van alle vragen die hem zouden worden gesteld zou beroepen op een verschoningsrecht. De voorzitter heeft hierop als beslissing van het hof medegedeeld dat de verdachte (toen) als getuige zonder wettige grond weigerde de gestelde vragen te beantwoorden, waarna de verdachte in gijzeling is genomen en op 2 juni 2014 opnieuw is gehoord. Uit het proces-verbaal van die laatste terechtzitting blijkt dat de verdachte heeft medegedeeld dat hij zich ten aanzien van alle vragen die hem zouden worden gesteld zou beroepen op een verschoningsrecht en dat hij hierop geen enkele toelichting wenste te geven, ook niet nadat (kennelijk door het hof) daar nader op is aangedrongen en de rechten en plichten van de verdachte als getuige uiteen waren gezet.

Op grond hiervan komt het hof tot het oordeel dat de verdachte op de terechtzitting van 14 mei 2014 welbewust en met zogenoemd ‘vol opzet’ heeft gehandeld, door, na er op te zijn gewezen dat zijn strafzaak inmiddels onherroepelijk was en in weerwil van de mededelingen van de advocaat-generaal, niet te voldoen aan zijn wettelijke plicht de hem gestelde vragen te beantwoorden. Een en ander geldt a fortiori voor de handelwijze van de verdachte op de terechtzitting van 2 juni 2014. Het verweer faalt reeds om die redenen.

Verschoningsrecht

Verweer verdachte en diens raadsman

Anders dan op de terechtzittingen in het Passage-proces van 14 mei en 2 juni 2014 heeft de verdachte op de terechtzitting in de onderhavige zaak van 6 februari 2017 toegelicht waarom hij vond dat hem op de twee eerstgenoemde data een beroep op een verschoningsrecht toekwam. Met zijn raadsman heeft hij, samengevat, het volgende naar voren gebracht:

(a) Holleeder wordt (naar het hof begrijpt: in de zaak naar aanleiding van het onderzoek ‘ [naam 1] ’) het verwijt gemaakt dat hij zich met “één of meer anderen” schuldig heeft gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie. De verdachte sluit niet uit dat hij ook nog als verdachte van dat feit kan worden aangemerkt. In ieder geval is waarschijnlijk dat hij in die zaak wordt opgeroepen als getuige;

(b) de zuster van de verdachte, [naam 2] , had een relatie met Ros en is gedurende het onderzoek naar de moord op Thomas van de Bijl ook als verdachte aangehouden geweest. Het is de verdachte niet bekend hoe de strafzaak tegen zijn zus, met wie hij goed contact heeft, is afgelopen;

(c) ten tijde van de terechtzittingen in het Passage-proces van 14 mei en 2 juni 2014 had de verdachte al een aanzienlijk aantal verklaringen afgelegd, waaronder (onder ede) als getuige. Wat de verdachte bij die verschillende gelegenheden heeft verklaard en hoe dat is geverbaliseerd weet hij niet meer. Er bestond een kans dat hij bij het afleggen van een nieuwe verklaring andere antwoorden zou geven dan voorheen. De verdachte zou zich door het afleggen van een verklaring dus kunnen blootstellen aan het gevaar voor een vervolging wegens meineed. Dat risico wilde hij met een beroep het verschoningsrecht uitsluiten;

(d) meer in het algemeen kan worden gezegd dat de situatie waarin de verdachte zich bevond complex was. Zelfs hij kon de gevolgen niet overzien die het afleggen van een verklaring voor zichzelf of een ander konden hebben. Onder de gegeven omstandigheden mocht niet van hem worden gevergd dat hij zijn verschoningsrecht per gestelde vraag zou toelichten.

De verdachte heeft benadrukt niet vanwege angst voor zijn eigen veiligheid tot zijn weigeringen te verklaren te zijn gekomen.

De raadsman heeft in het verlengde van een en ander het bewijsverweer gevoerd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Oordeel van het hof

Het hof stelt allereerst vast dat zich ten tijde van het ten laste gelegde geen situatie voordeed als bedoeld in artikel 217 Sv. De verdachte werd immers niet gehoord in de zaak tegen een familielid, echtgenoot of geregistreerd partner. De situatie als bedoeld in artikel 218 Sv was evenmin aan de orde.

Aangaande het verschoningsrecht dat is opgenomen in artikel 219 Sv wordt het volgende overwogen.

Anders dan de advocaat-generaal heeft geïmpliceerd is het hof van oordeel dat het te ver voert om van de getuige die zich op een op artikel 219 Sv gestoeld verschoningsrecht wil beroepen in alle gevallen te verlangen dat hij inzicht in de achtergrond en motieven daarvan geeft. Voldoende is dat aannemelijk is geworden dat de getuige zichzelf, een familielid, een echtgenoot of een geregistreerd partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling blootstelt. In voorkomend geval kan ook zonder een toelichting van de getuige zo’n gevaar aannemelijk zijn. In andere gevallen is dat gevaar minder evident en is een dergelijke toelichting wel benodigd om het beroep op het verschoningsrecht te kunnen toetsen. Wanneer, zoals in deze zaak, deze toets door de rechter wordt verricht in het kader van de beoordeling van een op artikel 192 Sr toegesneden tenlastelegging, zal hij op basis van de informatie die ten tijde van die beoordeling beschikbaar is moeten nagaan of aannemelijk is dat genoemd gevaar op het moment dat de verdachte geroepen was als getuige een verklaring af te leggen aanwezig was. Die informatie kan mede bestaan uit de toelichting die een verdachte in een later stadium alsnog op een in de hoedanigheid van getuige gedaan beroep op een verschoningsrecht heeft gegeven.

Verder is het hof van oordeel dat redelijke uitleg van het bepaalde in artikel 219 Sv in een situatie als de onderhavige, waarin – anders dan het geval was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van Hoge Raad 15 juni 1993 (NJ 1994/37) – een gewezen verdachte als getuige wordt gehoord over een strafbaar feit ter zake waarvan hij reeds onherroepelijk is veroordeeld, meebrengt dat het in dat artikel neergelegde verschoningsrecht in beginsel slechts dan kan worden ingeroepen als aannemelijk is dat de beantwoording van één of meer bepaalde vragen het gevaar op een strafrechtelijke veroordeling van de getuige voor een ander feit in het leven roept. Daarnaast kan met vrucht een beroep op dat artikel worden gedaan als aannemelijk is dat een getuige door het beantwoorden van één of meer bepaalde vragen personen met wie hij in nauwe relatie staat aan het gevaar op een strafrechtelijke veroordeling blootstelt. Een algemeen beroep op een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 Sv behoort dus in beide gevallen in beginsel niet tot de mogelijkheden.

In dit geval heeft de verdachte op de terechtzittingen van 14 mei en 2 juni 2014 een algemeen beroep op een verschoningsrecht gedaan en te kennen gegeven geen enkele gestelde of te stellen vraag te willen beantwoorden. Gelet op hetgeen zojuist is overwogen kwam de verdachte – die diende te worden gehoord over hetgeen hij wist over de moord op Van der Bijl, een feit ter zake waarvan hij al onherroepelijk was afgestraft – een dergelijk algemeen verschoningsrecht niet op de voet van artikel 219 Sv toe. Het hof ziet geen bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel moeten leiden. Dat het, zoals de verdachte en de raadsman bij herhaling hebben aangevoerd, hier gaat om complexe strafzaken (zie ook onder (d) hiervoor), noopt ook niet tot een andere conclusie en in elk geval niet op basis van hetgeen in dat verband naar voren is gebracht. Daarbij is betrokken dat de verdachte tijdens zijn verhoren als getuige op 14 mei en 2 juni 2014 is bijgestaan door zijn raadsvrouw.

Reeds om deze redenen faalt het verweer in al zijn onderdelen. In het verlengde van het voorgaande hecht het hof er echter nog aan het volgende op te merken.

Ad (a)

Hetgeen door en namens de verdachte met betrekking tot de tegen Holleeder geëntameerde strafzaak naar voren is gebracht mist doel, reeds omdat laatstgenoemde eerst op 13 december 2014 is aangehouden. Ten tijde van de terechtzittingen van 14 mei en 2 juni 2014 kon aan het brede publiek, waaronder ook de verdachte moet worden geschaard, nog niet bekend zijn dát en waarvoor Holleeder zou worden vervolgd.

Ad (b)

Op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2017 is komen vast te staan dat de zuster van de verdachte aangemerkt is geweest als verdachte van medeplichtigheid aan de moord op Van der Bijl. Hoewel de strafzaak tegen haar op 29 november 2007 onvoorwaardelijk blijkt te zijn geseponeerd, zou nieuwe, haar belastende informatie alsnog tot het instellen van strafvervolging kunnen leiden. Echter, de verdachte kon – gelet op het vooroverwogene – het verschoningsrecht alleen inroepen met betrekking tot vragen die in directe of indirecte zin betrekking hadden op zijn zuster.

Ad (c)

De stelling van de verdachte dat hij zich op 14 mei en 2 juni 2014 met vrucht op een verschoningsrecht kon beroepen, omdat hij zich, door het afleggen van een verklaring die mogelijk in meerdere of mindere mate zou afwijken van eerder door hem afgelegde verklaringen, blootstelde aan het risico op een vervolging voor meineed kan niet als juist worden aanvaard. Immers, bij elk verhoor van een beëdigde getuige die op een eerder moment is verhoord bestaat de kans dat die getuige een verklaring aflegt die in meerdere of mindere mate afwijkt van een eerdere verklaring. Het menselijk geheugen is immers niet onfeilbaar. Zo lang er echter geen aanleiding is om te veronderstellen dat een getuige nu of indertijd opzettelijk onwaarheid heeft gesproken, is de kans op strafvervolging voor meineed onvoldoende reëel. Daarbij komt dat een getuige die iets niet meer (scherp) voor de geest kan halen, hiervan tijdens het verhoor melding kan maken.

Conclusie

Het bewijsverweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Ambtshalve bewijsoverweging

Anders dan de rechtbank zal het hof niet bewezen verklaren dat de verdachte de hem verweten feiten te Schiphol heeft gepleegd, maar in de gemeente Haarlemmermeer, omdat het JCS is gevestigd te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 14 mei 2014 in de gemeente Haarlemmermeer, terwijl hij wettelijk als getuige was opgeroepen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan enige wettelijke verplichting die hij als zodanig had te vervullen, immers heeft hij, verdachte, op die terechtzitting geweigerd antwoord te geven op aan hem gestelde vragen en zich daarbij ten onrechte beroepen op een verschoningsrecht;

2.
hij op 2 juni 2014 in de gemeente Haarlemmermeer, terwijl hij wettelijk als getuige was opgeroepen ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan enige wettelijke verplichting die hij als zodanig had te vervullen, immers heeft hij, verdachte, op die terechtzitting geweigerd antwoord te geven op aan hem gestelde vragen en zich daarbij ten onrechte beroepen op een verschoningsrecht.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bijlage bij dit arrest zijn vervat. Deze bijlage maakt deelt uit van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het hof overweegt ambtshalve als volgt.

Van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56, eerste lid, Sr is sprake wanneer de bewezen verklaarde feiten soortgelijk zijn en deze feiten de uiting zijn van één en hetzelfde ongeoorloofde wilsbesluit (vgl. Hoge Raad 25 maart 1929, NJ 1929/1156 en Hoge Raad 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1165).

In dit geval heeft de verdachte, zoals uit het bovenstaande naar voren komt, naar aanleiding van de oproep om op de terechtzitting van 14 mei 2014 te verschijnen teneinde in het Passage-proces als getuige een verklaring af te leggen, beslist de hem aldaar gestelde vragen niet te beantwoorden en zich in dat verband in algemene termen te beroepen op een verschoningsrecht. Op de terechtzitting van 2 juni 2014 heeft de verdachte tot uitdrukking gebracht dat hij bij dat besluit bleef. Aldus bezien zijn de onder 1 en 2 bewezen geachte feiten de uiting van één en hetzelfde ongeoorloofde wilsbesluit. De enkele omstandigheid dat tussen deze feiten enkele weken is verstreken noopt in dit geval niet tot een ander oordeel (vlg. Hoge Raad 29 juni 1925, NJ 1925/811). Daarnaast is de aard van de bewezen geachte feiten identiek. De feiten staan daarom in zodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling.

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van (telkens) wettelijk als getuige opgeroepen, opzettelijk in een strafzaak niet voldoen aan enige wettelijke verplichting die hij als zodanig te vervullen heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte ‘geacht mag worden te hebben gedwaald ten aanzien van het recht en de feiten’; hij vond dat hem een verschoningsrecht toekwam en meende dat niet nader te kunnen en behoeven onderbouwen, zonder daarmee het gevaar op strafvervolging te vergroten. Daarom is verzocht de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging wegens ‘AVAS’ [het hof begrijpt: afwezigheid van alle schuld].

Op de keper beschouwd komt de stelling van de verdediging erop neer dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in de overtuiging verkeerde dat zijn gedragingen in de gegeven omstandigheden niet ongeoorloofd waren. Het hof vat het verweer daarom op als een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens verontschuldigbare dwaling omtrent de wederrechtelijkheid van zijn handelen. Vooropgesteld moet worden dat voor het slagen van een beroep op een dergelijke exceptie is vereist dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging (vgl. Hoge Raad 23 mei 1995, NJ 1995, 631). Uit de bewijsoverwegingen onder het kopje ‘opzet’ volgt dat de verdachte niet handelde in onbewustheid van de ongeoorloofdheid van zijn weigering te verklaren, laat staan dat deze onbewustheid, mede gelet op hetgeen is aangevoerd, vervolgens ook verontschuldigbaar kan worden geacht.

Er is (ook overigens) geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 101 dagen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte is in het ‘Passage-proces’ als getuige verschenen, maar heeft vervolgens geweigerd vragen te beantwoorden. Hij heeft daarmee niet voldaan aan de op hem rustende verplichtingen die hij als getuige te vervullen had. Indien een getuige aan wie geen (algemeen) verschoningsrecht toekomt weigert een verklaring af te leggen, worden de ongestoorde gang van de rechtspleging en de waarheidsvinding gefrustreerd, hetgeen direct en in ernstige mate het algemeen belang raakt en in een rechtstaat niet kan worden getolereerd.

Het hof is van oordeel dat voor een overtreding van artikel 192 Sr in beginsel oplegging een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en geboden is. Het hof heeft bij de vaststelling van dit uitgangspunt mede in aanmerking genomen dat voor het misdrijf van meineed, dat een vergelijkbaar rechtsgoed beschermt, maar blijkens het daarop gestelde strafmaximum door de wetgever als aanmerkelijk zwaarder misdrijf is aangemerkt, in de regel een gevangenisstraf van 3 maanden pleegt te worden opgelegd (vgl. de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht).

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft het hof in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 januari 2017, waaruit blijkt dat hij eerder voor verscheidene strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld. Daaruit volgt bovendien dat de verdachte ten tijde van de thans bewezen feiten nog in een proeftijd van een voorwaardelijke invrijheidsstelling liep; dit heeft hem er niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan.

Hetgeen door de verdediging is aangevoerd omtrent het werk van de verdachte, namelijk dat de verdachte als ZZP’er werkzaam is en dat detentie nadelige gevolgen voor zijn werkopdrachten zou hebben, geeft geen aanleiding tot strafmatiging, reeds omdat de juistheid van deze stelling niet is onderbouwd en evenmin anderszins aannemelijk geworden. Ook in hetgeen voor het overige met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte naar voren is gebracht ziet het hof geen aanleiding clementie te betrachten.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 56 en 192 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst af het verzoek van de verdachte om de zaak op de voet van artikel 62b van de Wet RO te verwijzen naar een ander gerechtshof.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) weken.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. G.M. Boekhoudt en mr. S. Bek, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Schoutsen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 maart 2017.

BIJLAGE

bij het onder parketnummer 23-001760-15 gewezen arrest

van 20 maart 2017 in de strafzaak tegen:

[verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980.

Bewijsmiddelen

1. Een gewaarmerkte kopie van het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 mei 2014 van het gerechtshof Amsterdam, Afdeling strafrecht, zittingslocatie Justitieel Complex Schiphol, in de strafzaken tegen [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 2] , [verdachte 6] , [verdachte 3] en F.W. Chr. Ros ( [..] ), vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffiers.

Dit proces-verbaal houdt – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – in:

De voorzitter deelt mede dat vandaag het verhoor van [verdachte 1] zal plaatsvinden. De voorzitter stelt vast dat deze getuige is verschenen.

De voorzitter doet de getuige [verdachte 1] voor zich verschijnen. De getuige wordt bijgestaan door [raadsman 1] advocate te Den Haag, die achterin de zittingszaal heeft plaatsgenomen.

De getuige doet op vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en beroep voor zover hieronder is vermeld, verklaart geen bloed- of aanverwant van de verdachten te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

De getuige [verdachte 1], geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] , zonder beroep, verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op vragen van het hof:

Het klopt dat mijn strafzaak inmiddels onherroepelijk is. Ik heb uiteindelijk 12 jaar en zes maanden gevangenisstraf opgelegd gekregen.

Ik wil graag direct tot de kern komen. U vraagt mij of ik mij heb voorbereid op dit verhoor, bijvoorbeeld door nog stukken uit mijn dossier te lezen of met andere mensen te spreken. Dat is vertrouwelijk, ik geef daar geen antwoord op. Ik zal mij vandaag ten aanzien van alle vragen die worden gesteld op mijn verschoningsrecht beroepen. Ik ben van mening dat dit recht mij toekomt.

U vraagt mij wat op dit moment mijn stemming en gevoel is. Ik voel niks op dit moment. Het is wel ongemakkelijk om hier te zijn, maar ik kan daar niet meer over zeggen.

Ten aanzien van vragen over de verklaringen van [naam 3] beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.

U vraagt mij uit te leggen waarom ik van mening ben dat mij een beroep op het verschoningsrecht toekomt, aangezien mijn strafzaak inmiddels onherroepelijk is. Ook ten aanzien van die vraag beroep ik mij op mijn verschoningsrecht. Ik kan ook niet aangeven of er andere drempels zijn die maken dat ik vandaag niet wens te verklaren. Het is niet nodig de zitting te onderbreken voor overleg met mijn advocaat, omdat nader overleg met mijn advocaat mijn standpunt niet zal doen wijzigen.

De advocaat-generaal deelt mede – zakelijk weergegeven – dat de getuige geen verschoningsrecht toekomt en dat hij in beginsel verplicht is vragen die hem worden gesteld naar waarheid te beantwoorden. Indien de getuige goede redenen heeft om vandaag niet te willen verklaren, dan dient hij deze kenbaar te maken. De advocaat-generaal wijst de getuige er op dat hij thans voorwaardelijk in vrijheid is gesteld en dat het goed mogelijk is dat zijn opstelling voor de getuige negatieve gevolgen heeft. Hij suggereert dat het wellicht een goed idee is dat de getuige gelegenheid krijgt om hierover nader met zijn advocaat te overleggen.

Indien de getuige vervolgens nog steeds weigert antwoord te geven op vragen die hem worden gesteld, kan hij in gijzeling worden genomen.

De voorzitter deelt mede dat het onderzoek wordt onderbroken, ten einde de getuige de gelegenheid te bieden overleg te voeren met zijn advocaat.

Na hervatting van het onderbroken onderzoek verklaart de getuige [verdachte 1] – zakelijk weergegeven – het volgende.

Op een vraag van het hof:

Ik heb overleg gehad met mijn advocaat, maar dat heeft nergens toe geleid. Ik zal mij ten aanzien van alle vragen die worden gesteld beroepen op mijn verschoningsrecht en ben niet bereid nader toe te lichten op grond waarvan ik meen dat dat verschoningsrecht mij toekomt.

Op een vraag van de advocaat-generaal:

Op de vraag of de afgelopen tijd iets is voorgevallen ten aanzien van mij of bijvoorbeeld een van mijn familieleden, beroep ik mij op mijn verschoningsrecht.

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het van oordeel is dat de getuige zonder wettige grond weigert de gestelde vragen te beantwoorden en dat, nu dit voor het onderzoek dringend noodzakelijk is, wordt bevolen dat de getuige [verdachte 1] voor ten hoogste dertig dagen in gijzeling wordt genomen en dat de getuige op de terechtzitting van 2 juni 2014, te 9.30 uur, wederom zal dienen te verschijnen teneinde nader te worden gehoord omtrent zijn bereidheid om antwoord te geven op vragen en een datum voor een nader verhoor te bepalen.

De getuige [verdachte 1] wordt uit de zittingszaal weggeleid.

2. Een gewaarmerkte kopie van het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 juni 2014 van het gerechtshof Amsterdam, Afdeling strafrecht, zittingslocatie Justitieel Complex Schiphol, in de strafzaken tegen o.a. [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 2] , F.W. Chr. Ros ( [..] ), [verdachte 6] en [verdachte 3] , vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffiers.

Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven en voor zover van belang – in:

De voorzitter merkt op dat ter terechtzitting van heden het verhoor van de getuige [verdachte 1] aan de orde zal zijn. De voorzitter stelt vast dat de getuige ter terechtzitting is verschenen.

De voorzitter doet de getuige [verdachte 1] voor zich verschijnen. De getuige wordt bijgestaan door

[raadsman 1] , advocate te Den Haag.

De getuige doet op vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboorteplaats, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en beroep voor zover hieronder is vermeld, verklaart geen bloed- of aanverwant van de verdachten te zijn en legt vervolgens op de bij de wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen.

De getuige [verdachte 1], geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in Krimpen aan den IJssel, zonder beroep, verklaart – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik zal mij, net als ter terechtzitting van 14 mei 2014, ten aanzien van alle vragen beroepen op mijn verschoningsrecht. Ik wens hierop geen enkele nadere toelichting te geven, ook niet na achtereenvolgens uw uiteenzetting van mijn rechten en plichten als getuige en uw aandringen.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de getuige geen verschoningsrecht toekomt en de getuige nog steeds niet aan zijn verplichtingen voldoet. Voorts merkt de advocaat-generaal op dat de officier van justitie zal worden gevraagd een strafrechtelijke vervolging in te stellen wegens het als getuige opzettelijk niet voldoen aan een wettelijke verplichting die hij als zodanig te vervullen heeft. Ten slotte deelt de advocaat-generaal mede dat indien de getuige blijft weigeren de gestelde vragen te beantwoorden, dit gevolgen kan hebben voor zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling.

[raadsman 2] vraagt de getuige of hij zich beroept op zijn verschoningsrecht, op de grond dat hij zich anders mogelijk schuldig maakt aan meineed. De getuige beroept zich op zijn verschoningsrecht.

3. Een geschrift, te weten een kopie van een brief van [Advocaat Generaal] , advocaat-generaal, van 15 juli 2014, gericht aan het Arrondissementsparket Noord-Holland.

Dit geschrift houdt – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – in:

Wij hebben eerder contact gehad over de mogelijke vervolging van [verdachte 1] , geboren te Leidschendam op 29 juli 1980. Binnen de megazaak Passage is de moord op Thomas van der Bijl en de aanloop naar de moord, een van de zaken. In Passage staan daarvoor terecht Fred Ros, [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 6] en [verdachte 6] . [verdachte 1] is rechtsgeldig als getuige opgeroepen in het hoger beroep in Passage. Hij is opgeroepen voor de zitting van 14 mei 2014.

4. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2017.

Deze verklaring houdt – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – in:

Ik heb een dagvaarding om te getuigen gekregen, terwijl ik voor die zaak vast zat in het Paleis van Justitie in Den Haag. Daar heb ik een keer een dagvaarding in mijn handen gedrukt gekregen.

Nadere bewijsoverweging

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

[…]