Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:768

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
26-04-2017
Zaaknummer
16/00119
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is als (middelijk) bestuurder terecht aansprakelijk gesteld voor naheffingsaanslagen loonheffingen; de naheffingsaanslagen zijn terecht aan de BV opgelegd en belanghebbende maakt niet aannemelijk dat hij reeds was gedefungeerd ten tijde van het ontstaan van de belastingschulden, in welke periode betalingsonmacht aanwezig was.

Wetsverwijzingen
Invorderingswet 1990 36
Invorderingswet 1990 32
Invorderingswet 1990 49
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/34.26 met annotatie van Redactie
AR 2017/2221
V-N Vandaag 2017/961
FutD 2017-1031
NTFR 2017/1331 met annotatie van mr. M.C.J. Kop
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 16/00119

7 maart 2017

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] , belanghebbende,
gemachtigde: mr. M.H.W.N. Lammers (Jaeger Advocaten Belastingkundigen) te Amsterdam,

tegen de uitspraak van 25 februari 2016 in de zaak met kenmerk HAA 15/130 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst,

de ontvanger.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De ontvanger heeft met dagtekening 18 september 2013 ten aanzien van belanghebbende een beschikking aansprakelijkstelling genomen voor wat betreft de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonbelasting/premies volksverzekeringen (hierna ook: loonheffingen) ten name van [A] B.V. (hierna: de BV), voor de loonheffing over de maandtijdvakken februari 2013 tot en met juni 2013 en voor de omzetbelasting over het eerste en het tweede kwartaal van 2013, ten bedrage van in totaal, inclusief boeten, kosten en invorderingsrente, € 111.722,05 (hierna: de beschikking).

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de ontvanger bij uitspraak, gedagtekend 20 november 2014, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en de beschikking ambtshalve verminderd met € 15.942.

1.3.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 25 februari 2016 als volgt beslist:

“De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verklaart het bezwaar ontvankelijk;

  • -

    vermindert de beschikking aansprakelijkstelling tot een bedrag van € 74.811,05;

  • -

    veroordeelt verweerder [de ontvanger] in de proceskosten van eiser [belanghebbende] tot een bedrag van € 1.240;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 21 maart 2016. De ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 1.1 tot en met 13 van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld; belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de ontvanger als ‘verweerder’:

“1.1. De Stichting [A] (hierna: de Stichting) was vanaf 25 mei 2012 tot 1 september 2014 enig bestuurder en enig aandeelhouder van de BV. Eiser was vanaf 6 januari 2012 enig bestuurder van de Stichting.

1.2.

Een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 4 september 2013 vermeldt dat eiser op die datum bestuurder was van de Stichting.

1.3.

Een uittreksel van 20 november 2014 vermeldt dat eiser met ingang van 1 juli 2013 uit functie is en dat op 29 oktober 2013 in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is geregistreerd dat met ingang van 1 juli 2013 [persoon B] bestuurder van de Stichting was.

2. Bij de stukken bevindt zich een kopie van de notulen van een op 20 juni 2013 gehouden buitengewone vergadering van aandeelhouders van de BV waarbij aanwezig waren de Stichting en eiser en waarin is besproken dat de [persoon B] (de rechtbank begrijpt: [persoon B] ) per 1 juli 2013 bestuurder zal zijn van de Stichting.

3. Eiser stond vanaf 10 december 2010 tot in ieder geval 18 juni 2014 ingeschreven op het adres [adresaanduiding] te [Z] .

4. Vanaf 7 februari 2011 heeft eiser als postadres aan de Belastingdienst opgegeven: [Postbusadres] .

5. De naheffingsaanslagen loonbelasting voor de in de aansprakelijkstelling begrepen tijdvakken februari tot en met juni 2013 zijn conform de oorspronkelijke aangiften opgelegd.

6. In de bijlage bij de beschikking is de aansprakelijkstelling als volgt gespecificeerd:

Tijdvak

Soort

Dagtekening naheffingsaanslag

Belasting in €

Boete in €

Kosten in €

Invorderings-rente in €

Totaal in €

februari 2013

LB

24 april 2013

8.614,05

354

96

9.064,05

maart 2013

LB

27 mei 2013

12.835

256

920

104

14.115

april 2013

LB

24 juni 2013

13.653

273

977

80

14.983

mei 2013

LB

24 juli 2013

16.016

319

15

54

16.404

juni 2013

LB

23 augustus 2013

19.889

325

15

16

20.245

1e kwartaal 2013

OB

27 mei 2013

18.081

524

148

18.753

2e kwartaal 2013

OB

26 augustus 2013

17.778

355

15

10

18.158

7. Op 11 april, 13 mei, 28 juni, 25 juli, 6 augustus en 26 september 2013 zijn namens de BV voor een of meer tijdvakken correctieaangiften loonbelasting ingediend. Op 11 november 2013 zijn voor alle aangiften loonbelasting die in de aansprakelijkstelling zijn begrepen correctieaangiften ingediend voor de volgende bedragen waardoor de aangiften zijn gecorrigeerd tot nihil:

Tijdvak

Correctie in €

februari 2013

-/- 17.730

maart 2013

-/- 12.931

april 2013

-/- 13.692

mei 2013

-/- 21.702

juni 2013

-/- 16.338

8. Op 28 november 2013 heeft [B] B.V. (hierna: [B] ) aangiften loonbelasting ingediend over onder meer de tijdvakken februari tot en met juni 2013. Als inhoudingsplichtige wordt genoemd “ [B] B.V./ [A] ”. De aangiften zijn gelijk aan de hiervoor vermelde correctieaangiften, zij het dat de aangiften positieve bedragen vermelden. De aangiften zien op dezelfde personeelsleden als de (gecorrigeerde) aangiften loonbelasting voor de tijdvakken februari tot en met juni 2013 die eerder door de BV waren ingediend.

9. De beschikking aansprakelijkstelling is op 18 september 2013 per aangetekende post verzonden aan het adres van eiser in [Z] . Op 23 september 2013 is een bericht van aankomst achtergelaten en op 17 oktober 2013 heeft verweerder de aangetekende brief retour ontvangen.
Op 24 oktober 2013 is de beschikking nogmaals per aangetekende post naar het adres in [Z] verzonden. Op 28 oktober 2013 is een bericht van aankomst achtergelaten en op 20 november 2013 heeft verweerder de aangetekende brief retour ontvangen.

10. Bij brief van 25 oktober 2013 aan dhr. Popelier, werkzaam bij de Ontvanger Hoofddorp, schrijft eiser – kort gezegd – dat de BV per 1 juli 2013 van eigenaar is veranderd vanwege de verkoop van bedrijven inclusief alle lusten en lasten uit het verleden en de toekomst met het verzoek zich voortaan te wenden tot de wettelijke vertegenwoordiger.

11. Bij brief van 18 december 2013 stelt verweerder eiser op de hoogte van een aantal openstaande belastingaanslagen, waaronder [aanslagnummer]. Dat is het nummer van de onderhavige beschikking. Naast het aanslagnummer en het openstaande bedrag worden er geen nadere bijzonderheden vermeld.

12. Bij brief van 26 februari 2014 aan verweerder met vermelding van beschikkingsnummer [aanslagnummer] stelt eiser bezwaar in tegen de aansprakelijkstelling. Die brief, die op 27 februari 2014 door verweerder is ontvangen, houdt onder meer in dat eiser al meerdere malen heeft aangegeven dat hij niet meer verantwoordelijk is voor de BV omdat die per 30 juni 2013 is overgedragen aan een nieuwe eigenaar en dat er na 31 januari 2013 geen personeel meer werkzaam was bij de BV en dat de loonbelasting en omzetbelasting tot die datum zijn voldaan.

13. Bij uitspraak op bezwaar van 22 oktober 2014 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aan de BV opgelegde naheffingsaanslag loonbelasting over het tijdvak februari 2013 ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep aangetekend. Bij uitspraak van 22 juli 2015 heeft deze rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser niet gemachtigd was om namens de BV beroep in te stellen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.”


De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet betwist. Ook het Hof zal zijn beslissing op deze feiten baseren. Het Hof voegt hier nog de volgende feiten aan toe.

2.2.

In de ‘Notulen’ van de op 20 juni 2013 gehouden buitengewone vergadering van aandeelhouders van de BV is voorts onder meer het volgende vermeld:


“Aanwezig zijn:
(…)
Stichting [A] , houder van 900 aandelen;
[Belanghebbende], bestuurder en secretaris der Vennootschap;
(…)
Met instemming van de vergadering wordt [belanghebbende] aangewezen om van het verhandelde notulen te houden.
(…)
De voorzitter stelt vast dat van het geplaatste kapitaal van de vennootschap, ad € 90.000 (100 procent) aanwezig of vertegenwoordigd is.
(…)
2. Overname van [de BV] en Stichting [A] door de [persoon B] op 01-07-2013
De [persoon B] zal 01-07-2013 bestuurder zijn van Stichting [A] , met inachtneming van alle lusten en lasten van het verleden, het heden en de toekomst.”

2.3.

Tijdens de zitting in hoger beroep is namens belanghebbende onder meer het volgende verklaard:

“Ik betwist niet dat belanghebbende tot en met 30 juni 2013 bestuurder was van de B.V. Ik stel dat belanghebbende per 1 juli 2013 geen bestuurder van de B.V. meer is en dat hij in de periode daaraan voorafgaand bestuurder was van een lege vennootschap. In de B.V. vonden namelijk geen activiteiten meer plaats. Ten bewijze van die stelling verwijs ik naar de aangiften loonheffingen van [ [B] B.V.]. Wij hebben begrepen dat [B] de op aangifte aangegeven loonheffingen ook daadwerkelijk heeft afgedragen. (… )

U houdt mij de notulen van de op 20 juni 2013 gehouden buitengewone vergadering van aandeelhouders van de B.V. voor. De daarin genoemde heer ‘ [persoon B] ’ is [persoon B] .

Ik weet dat omdat belanghebbende mij dit heeft verteld; desgevraagd heb ik begrepen dat [persoon B] een reputatie heeft als katvanger. U wijst mij erop dat op pagina 2 van de notulen is vermeld dat [persoon B] per 1 juli 2013 bestuurder is van Stichting [A] (de Stichting) met inachtneming van alle lusten en lasten. Waarop baseert belanghebbende zijn stelling dat het personeel per 1 februari 2013 is overgenomen?

De notulen handelen over de Stichting. Daar is [persoon B] ook bestuurder van geworden. Deze stukken behoren niet tot de gedingstukken. Ik weet niet op welke wijze [persoon B] de overdracht heeft geregeld. Ik heb belanghebbende wel twintig keer om relevante stukken gevraagd; ik heb hem bijvoorbeeld ook om de overnamebalans gevraagd. Ik heb evenwel niets mogen ontvangen. Belanghebbende is een man van weinig woorden. Volgens belanghebbende heeft [persoon B] alle stukken. Het klopt dat belanghebbende geen documenten kan reproduceren van de overdracht van het personeel of de onderneming van de B.V. aan [B] . Ik had het zelf anders gedaan; neen is niet het gewenste antwoord.

Hoe is het personeel op de hoogte gesteld van de overdracht van de onderneming? Dat weet ik ook niet. Het komt voor dat een overdracht van een onderneming is geregeld op een bierviltje; ik heb dat wel eens gezien. (…) De stelling van belanghebbende dat het personeel van de B.V. per 1 februari 2013 naar [B] is overgegaan, is gebaseerd op de aangiften loonheffingen van [B] . Deze aangiften hebben betrekking op het personeel.”

3
3. Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals voor de rechtbank is in hoger beroep in geschil of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen (hierna: de naheffingsaanslagen) ten name van de BV (hierna: de naheffingsaanslagen).

3.2.

Voor zover de beschikking aansprakelijkstelling tevens zag op de aansprakelijkstelling voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen omzetbelasting ten name van de BV is deze niet meer in geschil.

3.3.

Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de rechtbank – rekening houdend met de ambtshalve vermindering van € 15.942 (zie 1.2) – de beschikking had behoren te verminderen tot een bedrag van € 58.869,05 en dat het hoger beroep in zoverre in elk geval gegrond is.

3.4.

Tegen het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar door de ontvanger ontvankelijk is en dat derhalve in de uitspraak op bezwaar ten onrechte tot niet-ontvankelijkheid is geconcludeerd is geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld. Tussen partijen is ook deze kwestie niet meer in geschil. Het Hof volgt de rechtbank in haar oordeel over de ontvankelijkheid van het bezwaar, omdat deze beslissing naar ’s Hofs oordeel juist is.

4 Beoordeling van het geschil

De naheffingsaanslagen

4.1.

Ter zake van de juistheid van de naheffingsaanslagen heeft de rechtbank het volgende overwogen:


“Naheffingsaanslagen loonbelasting

27. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat de naheffingsaanslagen loonbelasting over de tijdvakken februari tot en met juni 2013 ten onrechte zijn opgelegd, aangezien de BV geen personeel in dienst had. Ten aanzien van de bij afzonderlijke beschikking opgelegde betaalverzuimboetes is enkel gesteld dat die moeten komen te vervallen als de naheffingsaanslagen vernietigd worden.

28. De rechtbank zal allereest beoordelen of de naheffingsaanslag loonbelasting over het tijdvak februari 2013 in het kader van de onderhavige procedure aan de orde kan worden gesteld. Ingevolge artikel 49, zevende lid, van de IW kan het beroep tegen de beschikking aansprakelijkstelling geen betrekking hebben op feiten en omstandigheden die van belang zijn geweest voor de vaststelling van een belastingaanslag ter zake waarvan een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan. De rechtbank is met partijen van oordeel dat de hiervoor onder 13 genoemde uitspraak geen beletsel vormt om de naheffingsaanslag loonheffing over het tijdvak februari 2013 in het kader van deze procedure aan de orde te stellen, aangezien geen inhoudelijke beoordeling van die naheffingsaanslag door de rechter heeft plaatsgevonden.

29. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 25 heeft overwogen, volgt zij eiser niet in diens stelling dat de naheffingsaanslagen loonbelasting over de tijdvakken februari tot en met juni 2013 ten onrechte zijn opgelegd. Het beroep tegen de naheffingsaanslagen en de betaalverzuimboetes is dus ongegrond.”,


en in rechtsoverweging 25 van de uitspraak van de rechtbank is het volgende vermeld:


“25. Dat het personeel van de BV per 1 februari 2013 door [B] was overgenomen, dat [persoon B] de bestuurder was van [B] en daardoor wist hoe het overgenomen personeelbestand vanaf 1 februari 2013 was samengesteld en dat [persoon B] feitelijk al per 1 februari 2013 de Stichting en de BV had overgenomen en uit dien hoofde de beschikking had over het loonbelastingnummer van de BV, is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt door eiser. (…)”

4.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat op de aangiften waarop de naheffingsaanslagen zijn gebaseerd correctie-aangiften zijn gevolgd en dat de rechtbank derhalve ten onrechte is uitgegaan van de juistheid van de oorspronkelijk gedane aangiften. Tevens heeft belanghebbende in hoger beroep herhaald dat de naheffingsaanslagen ten onrechte aan de BV zijn opgelegd, omdat deze haar personeel per 1 februari 2013 heeft overgedragen aan [B] B.V. Volgens belanghebbende had deze vennootschap voor de loonheffing over de maanden februari – juni 2013 als inhoudingsplichtige moeten worden aangemerkt. Dat de voor die maanden in november 2013 door [B] B.V. ingehouden en aangegeven loonheffingen niet is afgedragen, is volgens belanghebbende niet gebleken.

4.3.

De ontvanger heeft de juistheid van de door de BV gedane correctie-aangiften betwist. Volgens hem is er door de BV in de desbetreffende maanden omzet gerealiseerd. Hij verwijst daarvoor naar uit zijn administratie afkomstige overzichten waarin voor de eerste twee kwartalen van 2013 een omzet is vermeld van € 178.866 respectievelijk € 180.425. Deze omzet moet volgens de ontvanger zijn behaald met het personeel waarop de (oorspronkelijk) gedane aangiften betrekking hebben. Voorts heeft de ontvanger ook in hoger beroep de stelling van belanghebbende dat het personeel van de BV per 1 februari 2013 naar [B] B.V. zou zijn overgegaan betwist. In dat verband heeft de ontvanger erop gewezen dat [B] B.V. zich eerst per 1 november 2013 bij de Belastingdienst als inhoudingsplichtige voor de loonheffing heeft aangemeld.

4.4.1.

Het Hof verenigt zich met hetgeen de rechtbank ter zake van de toepassing van artikel 49, zevende lid, Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) heeft overwogen. Vaststaat dat de BV vóór 1 februari 2013 personeel in dienst had waarvoor zij als inhoudingsplichtige aangifte loonheffingen diende te doen. Vaststaat voorts dat de BV over de op 1 februari 2013 volgende vijf maandtijdvakken aangifte loonheffingen heeft gedaan. Onder deze omstandigheden heeft het op de weg van belanghebbende gelegen om aannemelijk te maken dat er per 1 februari 2013 of per enig moment na deze datum ter zake van de tijdvakken februari tot en met juni 2013 voor de BV geen inhoudingsplicht meer bestond en dat de aanvankelijk gedane loonaangiften onjuist waren, omdat – naar belanghebbende heeft gesteld – de onderneming en/of het personeel van de BV per genoemde datum of op enig moment daarna aan [B] B.V. is overgedragen. Evenals de rechtbank acht het Hof belanghebbende niet in dit bewijs geslaagd.
Het Hof zal derhalve hierna ervan uitgaan dat de BV voor de loontijdvakken februari tot en met juni 2013 inhoudingsplichtig was ter zake van het in die periode door werknemers van haar genoten loon, dat de BV ter zake van dat loon aanvankelijk, als vermeld in onderdeel 5 van de uitspraak van de rechtbank, terecht aangifte heeft gedaan en dat de daarop gebaseerde naheffingsaanslagen juist zijn.

4.4.2.

Voor zover ter zake van dezelfde feiten als waarop de naheffingsaanslagen betrekking hebben tevens, zoals belanghebbende heeft gesteld, door [B] B.V. loonheffing is afgedragen, ziet het Hof daarin op zichzelf geen reden om niet uit te gaan van de juistheid van de naheffingsaanslagen, nog daargelaten dat de ontvanger de door belanghebbende gestelde afdracht door [B] B.V. heeft betwist en dat ook daarvan verder geen bewijs is geleverd.

Bestuurder
4.5. Ter zake van de kwalificatie van belanghebbende als bestuurder van de BV heeft de rechtbank het volgende overwogen:


“19. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser tot 1 juli 2013 bestuurder van de Stichting en middellijk bestuurder van de BV was. Verweerder stelt dat nu eiser zich op 29 oktober 2013 als bestuurder heeft laten uitschrijven hij ten tijde van de beschikking aansprakelijkstelling nog bestuurder was en dus verantwoordelijk voor de (financiële) gang van zaken binnen de BV. Eiser stelt dat zijn bestuurderschap per 1 juli 2013 was geëindigd.

20. De rechtbank stelt voorop dat, bij de beantwoording van de vraag of iemand bestuurder is, verweerder in beginsel mag uitgaan van de registratie bij de Kamer van Koophandel. Vast staat dat uit de stukken niet blijkt op welke datum bij de Kamer van Koophandel is geregistreerd dat eiser geen bestuurder meer was van de Stichting. Blijkens het uittrekstel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 4 september 2013 stond eiser echter in ieder geval op die datum nog ingeschreven als bestuurder van de Stichting. Aangenomen kan daarom worden dat eiser in ieder geval tot die datum middellijk bestuurder van de BV was. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op eiser de last rust om aannemelijk te maken dat hij – anders dan blijkt uit de gegevens van het handelsregister – vanaf 1 juli 2013 geen bestuurder meer was van de Stichting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarvoor geen bewijs aangeleverd. De enkele opmerking van eiser dat hij niet meer weet waarom hij niet op 30 juni of 1 juli 2013 in het handelsregister heeft laten registeren dat hij geen bestuurder meer is, is daartoe onvoldoende.”

4.6.

In hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat hij ten tijde van het ontstaan van de belastingschulden waarop de naheffingsaanslagen betrekking hebben (hierna: de belastingschulden) geen bestuurder van de BV meer was. Volgens belanghebbende heeft de ontvanger moeten bewijzen dat hij ten tijde van het ontstaan van de belastingschulden bestuurder van de BV was. Door zich uitsluitend te baseren op de vermeldingen in het handelsregister is de ontvanger daarin volgens belanghebbende niet geslaagd.

4.7.

De ontvanger acht het oordeel van de rechtbank juist. De ontvanger mocht uitgaan van de gegevens die in het handelsregister zijn vermeld en het ligt dan op de weg van belanghebbende om bewijs te leveren van zijn stelling dat die gegevens niet juist zijn.
Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende in ieder geval op 4 september 2013 nog bestuurder was van de Stichting [A] (hierna: de stichting) en dat de stichting op dat moment – naast enig aandeelhouder van de BV – tevens de enig bestuurder was van de BV. In dit verband wijst de ontvanger voorts erop dat belanghebbende, anders dan hij heeft gesteld, in de notulen van de op 20 juni 2013 gehouden buitengewone vergadering van aandeelhouders van de BV nog als bestuurder van de BV is aangeduid en dat die notulen door belanghebbende als bestuurder en als notulist zijn ondertekend. Volgens de ontvanger heeft belanghebbende ook geen verklaring ervoor gegeven dat de bestuurderswisseling – zo deze al op 1 juli 2013 zou hebben plaatsgevonden, hetgeen de ontvanger heeft betwist – eerst op 29 oktober 2013 in het handelsregister zou zijn opgenomen.

4.8.1.

Naar het oordeel van het Hof ligt het bij de toepassing van artikel 36 IW 1990 primair op de weg van de ontvanger om te stellen en – indien betwist – aannemelijk te maken wie van het lichaam dat de in die bepaling bedoelde belasting verschuldigd is de bestuurder is, aan wie het niet betalen van die belasting te wijten is. Naar het oordeel van het Hof mag de ontvanger voor dit bewijs in beginsel uitgaan van de gegevens die ter zake van het bestuur van het lichaam in het handelsregister zijn opgenomen, met dien verstande dat het enkele feit dat een persoon in het handelsregister staat ingeschreven als bestuurder van de desbetreffende vennootschap niet beslissend is dat bewijs (vgl. HR 17 februari 2017, nr. 16/03178, ECLI:NL:HR:2017:248).

4.8.2.

Volgens de, door de ontvanger geraadpleegde, gegevens van het handelsregister was de stichting op 4 september 2013 bestuurder van de BV en was belanghebbende op dat tijdstip bestuurder van de stichting. Deze registratie is op 29 oktober 2013 gewijzigd, in die zin dat vanaf die dag in het handelsregister is vermeld dat [persoon B] met ingang van 1 juli 2013 bestuurder was van de stichting en dat belanghebbende vanaf die datum als bestuurder van de stichting is uitgetreden.

4.8.3.

Nu vaststaat dat belanghebbende in ieder geval tot 1 juli 2013 (middellijk) bestuurder was van de stichting, dat hij volgens gegevens van het handelsregister op 4 september 2013 (middellijk) bestuurder was van de BV en dat die registratie op 29 oktober 2013 is gewijzigd, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende nader bewijs levert van de stelling dat [persoon B] hem per 1 juli 2013, dan wel nog eerder, als bestuurder van de stichting – en daarmee (middellijk) als bestuurder van de BV – is opgevolgd.
De door belanghebbende overgelegde notulen van de buitengewone vergadering van aandeelhouders van de BV van 20 juni 2013 en het uittreksel van het handelsregister van 20 november 2014 acht het Hof daartoe onder de gegeven omstandigheden onvoldoende. Deze stukken verklaren niet waarom belanghebbende op 4 september 2013 nog als bestuurder van de stichting stond ingeschreven. Aan de bewijskracht van die notulen draagt overigens niet bij dat [persoon B] daarin consequent is aangeduid met ‘de [persoon B] ’, alsof de toenmalige bestuurder van de stichting/tevens notulist (belanghebbende) toen niet of onvoldoende bekend was met de identiteit van degene die bestuurder van de stichting zou gaan worden. In dit verband acht het Hof het voorts van belang dat de gestelde uittreding van belanghebbende als bestuurder van de stichting kennelijk verband hield met de overdracht van de onderneming of het personeel van de BV naar [B] B.V., terwijl belanghebbende daarvan – afgezien van zijn eigen verklaring – geen enkel bewijs heeft geleverd.

4.8.4.

Nu het Hof niet aannemelijk acht dat belanghebbende ten tijde van het ontstaan van de onderwerpelijke belastingschulden, althans per 1 juli 2013, reeds was gedefungeerd als (middellijk) bestuurder van de BV, zal het Hof uitgaan van de juistheid van de gegevens die op 4 september 2013 in het handelsregister waren opgenomen. Dit betekent dat belanghebbende nog (middellijk) bestuurder was van de BV toen zij de over de maanden februari tot en met juni 2013 verschuldigde loonheffingen diende te betalen dan wel melding had moeten doen van een ter zake van een niet-betalen van die belasting bestaande betalingsonmacht.

Betalingsonmacht

4.9.

Ter zake van (de melding van) de voor de toepassing van artikel 36 IW 1990 vereiste aanwezigheid van betalingsonmacht heeft de rechtbank het volgende overwogen:


“21. Eiser stelt dat er geen betalingsonmacht gemeld hoefde te worden, aangezien er geen sprake was van betalingsonmacht. Uit de stukken blijkt niet dat de BV in financiële moeilijkheden verkeerde. Bovendien was er geen loonbelasting verschuldigd over de tijdvakken februari tot en met juni 2013, nu [B] het personeel van de BV met ingang van 1 februari 2013 had overgenomen maar abusievelijk aangiften loonbelasting zijn ingediend op het loonbelastingnummer van de BV. [persoon B] heeft de Stichting en de BV per 1 februari 2013 effectief overgenomen en was ook de bestuurder van [B] en heeft kennelijk het verkeerde loonbelastingnummer gebruikt bij het doen van de aangiften, aldus eiser. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat het niet melden van betalingsonmacht niet aan hem te wijten is, omdat er geen loonbelasting betaald hoefde te worden. Verder kan het hem niet worden verweten dat de opvolgend bestuurder kwesties met de Belastingdienst niet tijdig heeft afgewikkeld. Tenslotte betoogt eiser dat hij voor de tijdvakken april, mei en juni 2013 geen betalingsonmacht meer kon melden, aangezien de betalingstermijn van de naheffingsaanslagen voor die tijdvakken afliep na 1 juli 2013.

22. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 (hierna: Uitvoeringsbesluit) dient de mededeling betalingsonmacht uiterlijk te worden gedaan twee weken na de dag waarop ingevolge artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de verschuldigde belasting behoorde te zijn afgedragen of voldaan. Ingevolge het tweede lid van die bepaling kan, in afwijking van het eerste lid, de mededeling worden gedaan uiterlijk twee weken na de vervaldag van de naheffingsaanslag als die naheffingsaanslag is opgelegd vanwege de omstandigheid dat de verschuldigde belasting meer beloopt dan die welke overeenkomstig de aangifte is dan wel had moeten worden afgedragen of voldaan, voor zover die omstandigheid niet te wijten is aan opzet of grove schuld van het lichaam.

23. Nu de naheffingsaanslagen loonbelasting over de tijdvakken februari tot en met juni 2013 zijn opgelegd conform de oorspronkelijke aangiften, is het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit niet van toepassing. Op grond van artikel 7, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit kon de betalingsonmacht voor de in de beschikking aansprakelijkstelling begrepen naheffingsaanslagen loonbelasting uiterlijk worden gemeld op maandag 15 april 2013 (tijdvak februari 2013), 14 mei 2013 (tijdvak maart 2013), 14 juni 2013 (tijdvak april 2013), maandag 15 juli 2013 (tijdvak mei 2013) en 14 augustus 2013 (tijdvak juni 2013).
De uiterste data waarop de betalingsonmacht had kunnen worden gemeld vallen derhalve binnen de periode waarin eiser middellijk bestuurder van de BV was.

24. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2998, geoordeeld dat van betalingsonmacht in de zin van artikel 36, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) niet alleen sprake is bij een blijvende toestand van niet tot betaling van belasting in staat zijn, maar ook bij tijdelijke betalingsmoeilijkheden of als het lichaam, niettegenstaande dat het over liquide middelen beschikt tot (ten minste) het bedrag van de belastingschulden, in verband met zijn overige verplichtingen feitelijk die liquide middelen niet aanwendt voor de voldoening van zijn belastingschulden. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat, ook als de BV niet in financiële moeilijkheden verkeerde, betalingsonmacht had moeten worden gemeld, aangezien de loonbelasting over de tijdvakken februari tot en met juni 2013 niet binnen de in artikel 19 van de AWR genoemde termijn van een maand na het einde van dat tijdvak was voldaan of afgedragen.

25. (… [ Hof: zie hiervoor r.o. 4.1]) Nu de BV aangiften loonbelasting over de tijdvakken februari tot en met juni 2013 naar een te betalen bedrag heeft gedaan is een belastingschuld ontstaan en had eiser, die in ieder geval tot 4 september 2013 middellijk bestuurder van de BV was, betalingsonmacht moeten melden omdat de verschuldigde loonbelasting niet tijdig was voldaan of afgedragen.

26. Dat het niet melden niet aan eiser te wijten zou zijn, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Zijn stelling dienaangaande berust op de naar het oordeel van de rechtbank onjuist bevonden standpunten inzake de einddatum van zijn bestuurderschap en de verschuldigdheid van loonbelasting door de BV over de tijdvakken februari tot en met juni 2013.”

4.10.1.

Volgens belanghebbende heeft de rechtbank een onjuiste uitleg gegeven aan het arrest HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2998, BNB 2011/112, nu in dit arrest is beslist dat een meldingsplicht niet aan de orde is als bij het lichaam geen onmacht aanwezig is. Er was volgens belanghebbende geen betalingsonmacht, omdat de BV de nageheven loonheffingen niet verschuldigd was, maar [B] B.V.; en indien er wel betalingsonmacht zou zijn geweest, dan zou belanghebbende deze niet hebben behoeven te melden, omdat hij geen bestuurder meer was, maar [persoon B] .

4.10.2.

Voorts heeft belanghebbende gesteld dat er geen betalingsonmacht was, omdat de BV over voldoende financiële middelen beschikte. Belanghebbende geeft aan dat hij zich hier noodgedwongen op zijn herinnering baseert, omdat hij niet meer kan beschikken over de administratie van de BV. Belanghebbende acht het redelijk als op dit punt van de ontvanger nader bewijs wordt verlangd, aangezien hij (onder meer) kan beschikken over gegevens uit de aangifte vennootschapsbelasting 2012 van de BV.
Tevens stelt belanghebbende dat uit door de ontvanger overgelegde gegevens blijkt dat de BV in de eerste twee kwartalen van 2013 (ruim) voldoende resultaat heeft behaald om daarmee de naheffingsaanslagen te betalen, zodat er ook op deze grond geen betalingsonmacht was.

4.10.3.

Ervan uitgaande dat geen sprake is van betalingsonmacht en belanghebbende deze dan dus ook niet heeft behoeven te melden, stelt belanghebbende dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. In het bijzonder heeft de ontvanger niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende wist of redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat zijn handelwijze tot gevolg zou hebben dat belasting- en/of premieschulden van de BV onbetaald zouden blijven. Deze constatering vindt volgens belanghebbende bevestiging in de omstandigheid dat het faillissement waarin de BV in 2014 is komen te verkeren, is opgeheven zonder dat dit tot een aansprakelijkstelling van belanghebbende voor boedeltekorten heeft geleid.

4.11.1.

De stelling van belanghebbende dat er geen betalingsonmacht aanwezig was, omdat de BV de naheffingsaanslagen niet verschuldigd was faalt volgens de ontvanger, omdat de gestelde onverschuldigdheid is betwist en niet aannemelijk is gemaakt.
4.11.2. Voorts volgt volgens de ontvanger uit het arrest BNB 2011/112 dat de enkele omstandigheid dat een lichaam in de periode waarin het de verschuldigde belasting diende te betalen, over liquide middelen beschikte tot het bedrag van de betalingsverplichtingen, onvoldoende is om aan te nemen dat er geen sprake is van betalingsonmacht.
Tevens betwist de ontvanger dat de BV over voldoende financiële middelen beschikte om aan haar betalingsverplichtingen te voldoen.

4.11.2.

Indien ervan wordt uitgegaan dat de BV ten tijde van het verstrijken van de betalingstermijnen van de naheffingsaanslagen over voldoende financiële middelen beschikte en er geen situatie zou zijn van betalingsonmacht als bedoeld in artikel 36, tweede lid, IW 1990, is volgens de ontvanger – subsidiair – sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur, omdat de BV de middelen die daarvoor (kennelijk) beschikbaar waren niet voor de betaling van de naheffingsaanslagen heeft aangewend. De afwezigheid van onbehoorlijk bestuur volgt volgens de ontvanger in ieder geval niet uit de omstandigheid dat de BV de vóór 1 februari 2013 verschuldigde loonheffingen heeft afgedragen.

4.12.1.

Het Hof verwerpt de stelling dat er geen betalingsonmacht zou zijn omdat de BV de naheffingsaanslagen niet verschuldigd zou zijn. Het Hof verwijst daartoe naar hetgeen onder 4.4 is overwogen. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat hij niet heeft behoeven te melden, omdat hij – zo er al betalingsonmacht te melden zou zijn – geen bestuurder was, verwerpt het Hof die stelling eveneens. Het Hof verwijst daartoe naar hetgeen onder 4.8 is overwogen.

4.12.2.

Vaststaat dat de BV ter zake van vijf achtereenvolgende tijdvakken de door haar verschuldigde en aangegeven loonheffingen niet heeft betaald. Tevens staat vast dat de BV in 2014 in staat van faillissement is komen te verkeren. Onder deze omstandigheden kan in beginsel ervan worden uitgegaan dat het gedurende circa vijf maanden niet-betalen van de verschuldigde loonheffingen te wijten was aan betalingsonmacht van de BV. Naar het oordeel van het Hof heeft het op de weg van belanghebbende gelegen om zijn stelling dat er – op de in onderdeel 23 van de uitspraak rechtbank vermelde tijdstippen – geen betalingsonmacht aanwezig was, nader te onderbouwen. Dit betekent dat het Hof belanghebbende niet volgt in zijn stelling dat eerst de ontvanger nader bewijs zou hebben moeten leveren van de aanwezigheid van betalingsonmacht (op de hiervoor bedoelde tijdstippen).

4.12.3.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende aangevoerd dat de BV over voldoende financiële middelen beschikte. De BV zou over voldoende liquide middelen hebben beschikt om de naheffingsaanslagen te betalen. Het niet aanwenden van die middelen voor de betaling van de openstaande belastingschulden vond volgens belanghebbende geen oorzaak in het bestaan van overige financiële verplichtingen van de BV (verg. het arrest BNB 2011/112, r.o. 3.4.4).

4.12.4.

De beoordeling van deze stelling vergt een nader inzicht in de feitelijke gang van zaken van de BV in 2013. Enig ander zicht op de feitelijke gang van zaken van de BV dan de – hiervoor onaannemelijk geoordeelde – stelling dat het personeel casu quo de onderneming van de BV per 1 februari 2013 naar [B] B.V. is overgegaan heeft belanghebbende echter niet verstrekt. Uit de gedingstukken blijkt ook niet dat belanghebbende pogingen heeft ondernomen om ter onderbouwing van zijn stelling informatie te achterhalen, bijvoorbeeld bij het bestuur van de stichting. De omstandigheid dat [persoon B] , belanghebbendes opvolger als bestuurder van de stichting, zoals ter zitting is verklaard, bekend stond als een katvanger, dient in dit kader voor rekening van belanghebbende te komen.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende slechts verwezen naar – overigens betrekkelijk summiere – gegevens over de omzet van de BV die de ontvanger bij zijn verweerschrift in hoger beroep heeft verstrekt. Nog afgezien ervan dat deze gegevens niet ter onderbouwing van een ontbreken van betalingsonmacht zijn verstrekt, volgt een dergelijk ontbreken ook niet, althans niet zonder meer, uit die gegevens. In het bijzonder zeggen die gegevens weinig tot niets over de liquiditeiten waarover de BV beschikte toen de onderhavige loonheffingen moest worden betaald en ook niet over het destijds ontbreken van verplichtingen die aan de betaling in de weg kunnen hebben gestaan. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de BV ter zake van het niet betalen van de naheffingsaanslagen loonheffingen niet in een situatie van betalingsonmacht verkeerde.

4.12.5.

Nu vaststaat dat er op de door de rechtbank in onderdeel 23 van haar uitspraak vermelde tijdstippen sprake was van betalingsonmacht en dat daarvan geen mededeling is gedaan, is belanghebbende aansprakelijk voor de niet-betaalde belastingschulden, met dien verstande dat wordt vermoed dat die niet-betaling aan hem is te wijten, tenzij hij wordt toegelaten tot het weerleggen van dat vermoeden. Dat laatste is slechts het geval indien belanghebbende niet is te verwijten dat geen mededeling is gedaan van de betalingsonmacht (artikel 36, vierde lid, IW 1990).

4.12.6.

Het Hof begrijpt het standpunt van belanghebbende mede aldus, dat hij heeft gesteld dat hem niet is te verwijten dat geen melding van betalingsonmacht is gedaan, omdat hij geen bestuurder was toen die melding had moeten worden gedaan en omdat de BV geen loonheffingen verschuldigd was. Dit verweer faalt evenwel op grond van hetgeen hiervoor onder 4.4 en 4.8 is overwogen. Dat het niet-melden om andere dan de hiervoor genoemde redenen niet aan belanghebbende is te wijten is door hem niet gesteld en is ook overigens niet aannemelijk geworden. Dit laatste betekent dat belanghebbende niet wordt toegelaten tot weerlegging van het wettelijk vermoeden dat de niet-betaling niet aan hem is te wijten. Hieruit volgt dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor het niet betalen door de BV van de over de maanden februari tot en met juni 2013 verschuldigde en nageheven loonheffingen.
Aan de vraag of het niet betalen van de belasting het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur, als bedoeld in artikel 36, derde lid, IW 1990 komt het Hof dan verder niet toe.

Boeten, invorderingsrente en kosten

4.13.

Ter zake van de in de aansprakelijkstelling begrepen boeten, rente en kosten is op grond van artikel 32, tweede lid, IW 1990 vereist dat belanghebbende daarvan een zelfstandig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank heeft op dit punt het volgende overwogen:


“30. Op grond van artikel 32, tweede lid, van de IW geldt de aansprakelijkstelling ook ten aanzien van de boetes, kosten en invorderingsrente. Op verweerder rust de last om aannemelijk te maken dat het belopen daarvan aan de door hem aansprakelijk gestelde bestuurder is te wijten. Verweerder voert aan dat eiser in zijn hoedanigheid van bestuurder kan worden verweten dat de BV de verschuldigde belasting niet heeft betaald en dat hij daarom ook aansprakelijk is voor het belopen van de boetes, kosten en invorderingsrente.

31. Eiser is als enig bestuurder van de BV in de gelegenheid geweest invloed uit te oefenen op het betalingsgedrag van de BV en was verantwoordelijk voor het nakomen van de fiscale verplichtingen van de BV. Hij heeft echter verzuimd zorg te dragen dat de op aangifte verschuldigde loonbelasting werd betaald. Aldus is het naar het oordeel van de rechtbank aan eiser te wijten dat de betaalverzuimboetes, invorderingsrente en kosten zijn belopen, zodat hij daarvoor terecht aansprakelijk is gesteld.”

4.14.

Volgens belanghebbende kan hem voor wat betreft de boeten, rente en kosten niet zelfstandig een verwijt worden gemaakt, omdat hij vanaf 1 februari 2013 niet meer bij de BV betrokken is geweest, in het bijzonder niet bij het abusievelijk doen van aangiften loonheffingen.

4.15.

De ontvanger heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet betalen van de namens de BV aangegeven loonheffingen de oorzaak is van het verschuldigd worden van zowel de boete, de kosten als de invorderingsrente en dat het ontstaan daarvan aan belanghebbende is te wijten. Belanghebbende is daarvoor dan ook terecht aansprakelijk gesteld, aldus de ontvanger.

4.16.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de bewijslast ter zake van de aansprakelijkstelling van belanghebbende voor de boeten, kosten en invorderingsrente op de ontvanger rust. Het Hof sluit zich, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4 en 4.8 is overwogen, aan bij hetgeen de rechtbank onder 31 van haar uitspraak heeft overwogen en concludeert evenals de rechtbank dat belanghebbende terecht ook voor de met de verschuldigde belasting verband houdende boeten, invorderingsrente en kosten aansprakelijk is gesteld.

Gelijkheidsbeginsel
4.17. Met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank het volgende overwogen:


“34. Eiser betoogt daarnaast dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door [persoon B] niet aansprakelijk te stellen voor de naheffingsaanslagen loonheffing waarvoor hij vanaf 1 juli 2013 betalingsonmacht had kunnen melden.

35. Verweerder heeft ter zitting van 4 februari 2016 verklaard dat [persoon B] niet aansprakelijk is gesteld voor het onbetaald blijven van de aan de BV opgelegde naheffingsaanslagen die in de onderhavige aansprakelijkstelling zijn begrepen, aangezien [persoon B] vanaf 29 oktober 2013 middellijk bestuurder van de BV was.

36. De rechtbank overweegt als volgt. [persoon B] was vanaf 29 oktober 2013 als middellijk bestuurder van de BV bevoegd om betalingsonmacht te melden. Dat hij zich met terugwerkende kracht tot 1 juli 2013 als bestuurder heeft laten registeren in het handelsregister van de Kamer van Koophandel doet daar niet aan af, aangezien niet rechtsgeldig met terugwerkende kracht betalingsonmacht kan worden gemeld. Nu blijkens hetgeen hiervoor onder 23 is overwogen op of na 29 oktober 2013 geen rechtsgeldige melding betalingsonmacht meer kon plaatsvinden voor de naheffingsaanslagen loonbelasting over de tijdvakken februari tot en met juni 2013 heeft verweerder het gelijkheidsbeginsel niet geschonden door [persoon B] daarvoor niet aansprakelijk te stellen.”

4.18.

In hoger beroep heeft belanghebbende aangevoerd dat belanghebbende ten onrechte aansprakelijk is gesteld, omdat [persoon B] op het moment van het ontstaan van de onderhavige belastingschulden de bestuurder van de BV was en dat het niet aansprakelijk stellen van deze [persoon B] een schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel.
De inspecteur heeft deze stelling betwist.

4.19.

Het Hof verwerpt het beroep van belanghebbende op de gronden die in onderdeel 36 van de uitspraak van de rechtbank zijn vermeld en op grond van hetgeen onder 4.8 omtrent het bestuurderschap van belanghebbende is overwogen. Daaruit volgt dat de stelling dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden is gebaseerd op de onjuiste premisse dat aannemelijk zou zijn geworden dat niet belanghebbende, maar [persoon B] (middellijk) bestuurder was van de BV toen de naheffingsaanslagen behoorden te worden betaald dan wel toen betalingsonmacht had moeten worden gemeld.

Terugwijzing

4.20.

Belanghebbende heeft subsidiair verzocht om terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank voor een nieuw onderzoek. Het Hof wijst dit verzoek af, omdat de behandeling van de zaak in eerste en in tweede aanleg daar geen enkele aanleiding toe geeft.

Vergoeding van immateriële schade

4.21.

Over de vergoeding van immateriële schade heeft de rechtbank het volgende overwogen:


“37. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten zoals neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. In casu is het bezwaarschrift op 27 februari 2014 door verweerder ontvangen. Nu de rechtbank op 25 februari 2016 uitspraak doet, heeft eiser geen recht op vergoeding van immateriële schade.”

4.22.

In hoger beroep heeft belanghebbende zijn verzoek om toekenning van een vergoeding voor immateriële schade herhaald.

4.23.

Voor wat betreft bezwaarfase en de procedure in eerste aanleg sluit het Hof zich ter zake van de vergoeding van immateriële schade aan bij hetgeen de rechtbank in onderdeel 37 van haar uitspraak heeft overwogen. Het tijdsverloop van de behandeling van de zaak in hoger beroep leidt evenmin tot vergoeding van immateriële schade, aangezien van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep geen sprake is.

Slotsom
4.24. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld, zij het dat het bedrag van de aansprakelijkstelling, zoals is vermeld onder 3.3, nog met € 15.942 moet worden verminderd tot € 58.869,05. Nu niet gebleken is

dat de aansprakelijkstelling reeds nader tot dit bedrag is verminderd, zal het Hof daarin door

middel van zijn uitspraak voorzien. Dit betekent dat het hoger beroep in zoverre gegrond is.

5 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit)

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op in totaal € 1.485 (2 punten (indienen van het hoger beroepschrift en verschijnen ter zitting) x € 495 x 1,5 (wegingsfactor)).

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing over de proceskosten en
    het griffierecht;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aansprakelijkstelling tot een naar een bedrag van € 58.869,05;

  • -

    veroordeelt de ontvanger in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 1.485, en

  • -

    gelast de ontvanger aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 124 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en

B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van

mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 7 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.