Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:726

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
200.192.663/01; 200.198.599/01; 200.198.599/02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verzoek tot ontslag bewindvoerder/mentor

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.192.663/01, 200.198.599/01, 200.198.599/02

beschikking van de meervoudige kamer van 7 maart 2017 inzake

[X] ,

verblijvende te [verblijfplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: [X] ,

advocaat: mr. W.H. Benard te Rotterdam.

In die zaken is als belanghebbende aangemerkt:

- mevrouw [belanghebbende] , h.o.d.n. Apollo Insolventie te Avenhorn (hierna te noemen: [belanghebbende] ), bijgestaan door mr. E.P. Groot, advocaat te Groningen.

In die zaken zijn als informanten aangemerkt:

- [informant 1] ;

- [informant 2] (hierna: [informant 2] );

- [informant 3] (hierna: [informant 3] );

- [informant 4] (hierna: [informant 4] );

- de advocaat-generaal.

In de zaken met zaaknummers 200.198.599/01 en 200.198.599/02 is voorts [informant 5] , verbonden aan accountantskantoor "De Hooge Waerder", als informant aangemerkt.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 maart 2016, uitgesproken onder zaaknummer 4777816 MB VERZ 16-37 MVH en van 10 juni 2016, uitgesproken onder zaaknummer 5125753 BM VERZ 16-1565 MVH 512781 MB VERZ 16-204.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

In de zaak met zaaknummer 200.192.663/01 is [X] op 8 juni 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 maart 2016.

In de zaak met zaaknummer 200.198.599/01 is hij op 5 september 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 10 juni 2016.

2.2

[belanghebbende] heeft op 15 november 2016 in beide zaken een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof is voorts ingekomen:

- een brief van de zijde van [X] van 1 november 2016 met bijlagen, ingekomen op 3 november 2016;

- een journaalbericht van de zijde van [belanghebbende] van 21 november 2016 met bijlagen, ingekomen op 22 november 2016.

2.4

In voornoemde brief van 1 november 2016 heeft [X] in de zaak met zaaknummer 200.198.599/01 een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.

2.5

De mondelinge behandeling van beide zaken zou aanvankelijk plaatsvinden op 16 november 2016, doch is op verzoek van [belanghebbende] aangehouden. De behandeling van de zaken heeft op 25 januari 2017 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- mr. Benard namens [X] ;

- [belanghebbende] , bijgestaan door haar advocaat;

- [informant 1] ;

- [informant 3] ;

- [informant 4] .

2.6

[X] is met bericht van afmelding niet ter zitting verschenen. [informant 2] en [informant 5] zijn, hoewel opgeroepen, evenmin verschenen.

3 De feiten

3.1

Op 18 december 2015 is ten behoeve van [X] een mentorschap ingesteld en zijn de goederen die aan hem (zullen) toebehoren onder bewind gesteld, met benoeming van [belanghebbende] tot mentor en bewindvoerder.

3.2

[X] verblijft sinds oktober 2016 in woonzorgcentrum [Z] te [verblijfplaats] .

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 10 maart 2016 is het verzoek van [X] tot ontslag van [belanghebbende] als mentor afgewezen.

4.2

In de zaak met zaaknummer 200.192.663/01 verzoekt [X] , met vernietiging van de beschikking van 10 maart 2016, [belanghebbende] als mentor te ontslaan en [informant 1] tot mentor te benoemen.

4.3

Bij de bestreden beschikking van 10 juni 2016 is het verzoek van [X] tot ontslag van [belanghebbende] als mentor en bewindvoerder afgewezen.

4.4

In de zaak met zaaknummer 200.198.599/01 verzoekt [X] , met vernietiging van de beschikking van 10 juni 2016, [belanghebbende] als bewindvoerder en mentor te ontslaan en [informant 1] tot mentor te benoemen en [informant 5] van accountantskantoor "De Hooge Waerder" tot bewindvoerder.

4.5

In de zaak met zaaknummer 200.198.599/02 verzoekt [X] , indien het hof de behandeling van de zaken ter zitting van 16 november 2016 aanhoudt, in het kader van een voorlopige voorziening [belanghebbende] als bewindvoerder en mentor voor de duur van het onderzoek te schorsen en [informant 1] en [informant 5] te benoemen tot respectievelijk tijdelijk mentor en tijdelijk bewindvoerder.

4.6

[belanghebbende] verzoekt het door [X] verzochte af te wijzen.

5. De motivering van de beslissing in de zaken met zaaknummer 200.192.663/01 en 200.198.599/01

5.1

[X] heeft betoogd dat voorafgaand aan de bestreden beschikking van 10 maart 2016 ten onrechte geen zitting heeft plaatsgevonden. Wat daarvan zij, het hoger beroep dient mede om omissies en fouten van de eerste aanleg te herstellen. Nu in hoger beroep een zitting heeft plaatsgevonden, wordt de grief van [X] bij gebrek aan belang verworpen.

5.2

Op grond van art. 1:461 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een mentor ontslag verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om mentor te kunnen worden, zulks op verzoek van een medementor of degene die gerechtigd is mentorschap te verzoeken als bedoeld in art. 1:451, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.

Ingevolge het bepaalde in art. 1:448 lid 2 BW wordt een bewindvoerder ontslag verleend hetzij op eigen verzoek, hetzij wegens gewichtige redenen of omdat hij niet meer voldoet aan de eisen om bewindvoerder te kunnen worden, zulks op verzoek van een medebewindvoerder, of degene die gerechtigd is onderbewindstelling te verzoeken als bedoeld in art. 1:432, eerste en tweede lid BW, dan wel ambtshalve.

5.3

Ter zitting in hoger beroep hebben de onder 2.5 genoemde aanwezigen desgevraagd verklaard dat [X] - samengevat - niet meer in staat is zijn wil te uiten en dat hij naar verwachting niet in staat zal zijn duidelijke antwoorden te geven op vragen van dit hof. Onder die omstandigheden, en gelet op het feit dat [X] advocaat hem ter mondelinge behandeling heeft vertegenwoordigd, ziet het hof aanleiding af te zien van het horen van [X] in de instelling waar hij thans verblijft.

5.4

De (overige) grieven van [X] lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

[X] heeft -kort gezegd- betoogd dat [belanghebbende] als mentor en bewindvoerder niet in zijn belang handelt. [belanghebbende] kan zich niet inleven in de leefwereld van [X] , [X] heeft geen vertrouwen in haar en hij voelt zich onveilig. [belanghebbende] is niet bereid geweest de zorg van [de organisatie] te behouden en is daarbij voorbij gegaan aan de wens van [X] , waardoor een impasse is ontstaan. Verder is [belanghebbende] niet in staat gebleken zijn belangen van vermogensrechtelijke aard te behartigen, aldus [X] .

[belanghebbende] heeft het betoog van [X] gemotiveerd betwist.

5.5

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken is gebleken dat [X] aan een vergaande vorm van dementie lijdt. Hij is in dat kader enige tijd begeleid door het DOC team van GGZ Dijk en Duin. Verder heeft [hulpverlener] van [de organisatie] , ouderenzorg te [plaats] , [X] enige tijd dagopvang geboden. [informant 3] en [informant 4] (de dochters van [X] ) traden voorts op als mantelzorgers. De relatie tussen het DOC team, [hulpverlener] en de dochters van [X] was aanvankelijk constructief. Naderhand is een conflictsituatie ontstaan tussen de directe familie van [X] en [belanghebbende] enerzijds en [hulpverlener] en enkele vrijwilligers rond [X] anderzijds. Daarbij is gebleken dat [hulpverlener] het DOC team enige tijd de toegang tot [X] heeft geweigerd, naar haar zeggen op verzoek van [X] .

Gezien de hiervoor genoemde conflictsituatie is het belang van [X] bij een onafhankelijke professionele bewindvoerder en mentor genoegzaam komen vast te staan.

[belanghebbende] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij de zorg bij [de organisatie] met name heeft beëindigd vanwege de hiervoor genoemde conflictsituatie tussen [hulpverlener] en de directe familie van [X] . Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat [belanghebbende] de beslissing om [X] in woonzorgcentrum [Z] te doen opnemen in overleg met het DOC team heeft genomen. Verder is gebleken dat [belanghebbende] [hulpverlener] en enkele vrijwilligers uit haar netwerk heeft verboden [X] in die instelling te bezoeken om te voorkomen dat de bestaande spanningen tussen hen en de directe familie van [X] een negatieve weerslag zouden hebben op [X] . Het hof komt die beslissingen begrijpelijk voor. Ook overigens is niet gebleken dat [belanghebbende] de belangen van [X] van vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke aard niet op juiste wijze heeft behartigd. Dat de beslissingen van [belanghebbende] door [X] niet -volledig- worden onderschreven, maakt het voorgaande niet anders.

Uit de stukken is gebleken dat [X] veel sympathie heeft voor [hulpverlener] . Tegen die achtergrond is aannemelijk dat de moeizame relatie tussen [belanghebbende] en [hulpverlener] de werkrelatie tussen [belanghebbende] en [X] op negatieve wijze heeft beïnvloed. Aannemelijk is evenwel dat de werkrelatie tussen [X] en een andere professionele bewindvoerder en mentor evenzeer zal worden beïnvloed door het hiervoor genoemde spanningsveld tussen [hulpverlener] en de directe familie van [X] .

Uit ambtshalve onderzoek door de griffier is het hof gebleken dat [belanghebbende] voldoet aan de eisen die krachtens het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren (Stb 2014, 46) aan haar als mentor en bewindvoerder worden gesteld, zodat ook in zoverre voorbij wordt gegaan aan het betoog van [X] .

Al het voorgaande brengt mee dat er geen gronden zijn voor ontslag van [belanghebbende] als bewindvoerder en mentor, zodat de bestreden beschikkingen zullen worden bekrachtigd.

6 De motivering van de beslissing in de zaak met zaaknummer 200.198.599/02

6.1

Nu bij deze beschikking een einduitspraak in de hoofdzaken wordt gegeven, heeft [X] geen belang meer bij een afzonderlijke beslissing op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dat verzoek zal derhalve worden afgewezen.

6.2

Dit leidt tot de volgende beslissing.

7.Beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.192.663/01:

bekrachtigt de bestreden beschikking van 10 maart 2016;

in de zaak met zaaknummer 200.198.599/01:

bekrachtigt de bestreden beschikking van 10 juni 2016;

in de zaak met zaaknummer 200.198.599/02:

wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, R.G. Kemmers en A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier en is op 7 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.