Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:721

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
21-03-2017
Zaaknummer
200.174.357/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:434
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie, onderlinge verhouding van onderhoudsplichtigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/13.7
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 7 maart 2017

Zaaknummer: 200.174.357/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/583255 / FA RK 15.1858

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats a] ,

appellant,

advocaat: aanvankelijk mr. M.N.G.N.H. Brech, thans zonder advocaat.

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats b] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L. Hellinga te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen is opgenomen in zijn tussenbeschikking van 9 februari 2016.

1.3.

Bij tussenbeschikking van 9 februari 2016 heeft het hof overeenkomstig hetgeen partijen ter zitting in hoger beroep ten aanzien van een voorlopige onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] waren overeengekomen bepaald dat:

de man tot de datum waarop de vrouw met haar huidige echtgenoot is gehuwd, zijnde [datum] 2015, een voorlopige onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] betaalt van € 212,- per maand. Ten aanzien van de maanden november 2015 en december 2015 wordt de voorlopige bijdrage bepaald op hetgeen de man in die maanden feitelijk heeft betaald. In januari 2016, februari 2016 en maart 2016 is de man geen voorlopige bijdrage verschuldigd. Met ingang van 1 april 2016 zal hij een voorlopige bijdrage betalen van € 30,- per maand.

Afhankelijk van de vraag of de definitieve onderhoudsbijdrage hoger of lager wordt vastgesteld, zal een terugbetalingsverplichting voor de vrouw dan wel een bijbetalingsverplichting voor de man ontstaan. Deze beschikking is in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De beslissing omtrent de definitieve bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] is pro forma aangehouden tot zondag 1 augustus 2016, met het verzoek aan partijen het hof te berichten over de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling.

1.4.

De vrouw heeft op 5 april 2016 en op 27 juli 2016 nadere stukken ingediend.

1.5.

Bij journaalbericht van 2 juni 2016 heeft mr. M.N.G.N.H. Brech zich onttrokken als advocaat van de man in deze procedure.

1.6.

Op 10 augustus 2016 is de mondelinge behandeling ter terechtzitting voortgezet.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

1.8.

Ter mondelinge behandeling heeft de man een aantal stukken overgelegd, te weten twee jaaropgaven 2015.

1.9.

Zoals afgesproken ter terechtzitting in hoger beroep op 10 augustus 2016 heeft de vrouw nog stukken aan het hof toegezonden, die zijn ingekomen op 17 augustus 2016. De man heeft daarvan afschriften ontvangen.

2 De verdere feiten

2.1.

In de echtscheidingsbeschikking d.d. 26 maart 2008 is de regeling, zoals tussen partijen in een convenant, getekend op 4 december 2007, is overeengekomen op de voet van artikel 819 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) opgenomen.

In het convenant zijn partijen, voor zover thans van belang, overeengekomen dat:

- een zorgregeling zal gelden waarbij, kort gezegd, de zorg over [de minderjarige] tussen partijen gelijkelijk wordt verdeeld;

- zij ter bestrijding van de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , onder aftrek van de kinderbijslag, de variabele kosten zullen verdelen op basis van 50-50% en de vaste kosten naar rato van hun inkomen in onderling overleg.

De vaste en variabele kosten zijn in het convenant nader gedefinieerd.

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2011 is, voor zover thans van belang, het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] afgewezen.

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2016 is het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vrouw bepaald. Ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders is bepaald dat [de minderjarige] met ingang van 28 augustus 2016 één weekend in de veertien dagen bij de man verblijft, van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend tot school, waarbij de vrouw [de minderjarige] op vrijdag uit school haalt en naar de man brengt en de man haar op zondagavond naar de vrouw brengt, en is bepaald dat alle vakanties bij helfte zullen worden gedeeld, waarbij de man in de even jaren een doorslaggevende stem heeft over bij wie het aanvangsmoment van die vakanties zal plaatsvinden en de moeder in oneven jaren die doorslaggevende stem heeft.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1971. Uit een latere relatie van de man is [kind] (hierna: [kind] ) geboren [in] 2008.

Volgens de jaaropgaaf bedroeg zijn fiscaal loon over de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 € 24.088,-.

Volgens de jaaropgave bedroeg zijn fiscaal loon in 2013 € 64.054,-

Volgens de jaaropgave bedroeg zijn fiscaal loon in 2014 € 101.839,-

Volgens de jaaropgaven bedroeg zijn fiscaal loon in 2015 € 84.075,- (€ 34.107,- +

€ 49.968,-).

Bij beschikking van de rechtbank Den Haag van 11 december 2014 is bepaald dat de man ingaande die datum een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] dient te voldoen van € 277,50 per maand. Na indexatie bedroeg de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] per 1 januari 2015 totaal € 280,- per maand en per 1 januari 2016 € 283,- per maand.

2.5.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1969. Zij is op [datum] 2015 gehuwd met [X] (hierna: [X] ). [X] heeft uit een eerder huwelijk twee dochters: [dochter a] en [dochter b] .

Zij is sinds 1 oktober 2010 werkzaam in loondienst bij [bedrijf] . Haar fiscaal loon bedroeg in 2007 volgens twee jaaropgaven in totaal € 43.248,- (€ 27.609,- + € 15.639,-). Haar inkomen bedroeg in 2015 blijkens de salarisspecificatie van januari 2015 € 3.011,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

[X] is werkzaam in loondienst. Zijn loon voor inkomstenbelasting bedroeg in 2015 volgens zijn salarisspecificatie van december 2015 € 198.989,-.

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 9 oktober 2013 is bepaald dat [X] een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter a] en [dochter b] dient te voldoen van € 400,- per kind per maand. Na indexatie bedroeg de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter a] en [dochter b] per 1 januari 2015 totaal € 814,- per maand en per 1 januari 2016 € 824,- per maand.

3 De verdere beoordeling van het hoger beroep

3.1.

De vrouw heeft in eerste aanleg wijziging van de regeling uit het echtscheidingsconvenant ter bestrijding van de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] verzocht. Primair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de regeling zoals neergelegd in het echtscheidingsconvenant nimmer heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven omdat de regeling is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, aangezien de man aanzienlijk meer verdiende dan de vrouw maar nimmer inzage heeft willen gegeven in zijn financiële stukken. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de regeling zoals neergelegd in het echtscheidingsconvenant door een wijziging van omstandigheden, namelijk de inkomensvermeerdering van de man, en vanwege de door haar gewenste wijzigingen in de verdeling van de zorg- en opvoedtaken, niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

De man stelt in hoger beroep dat partijen al een regeling hebben getroffen over de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] in het echtscheidingsconvenant en dat niet is aangetoond dat deze regeling niet in stand kan blijven. Indien er toch een bijdrage moet worden opgelegd stelt de man dat de door de rechtbank opgelegde bijdrage van € 650,- niet in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De vrouw heeft haar stellingen in hoger beroep gehandhaafd.

3.2.

Ingevolge artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Daarvan kan sprake zijn als er een duidelijke wanverhouding bestaat tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het gaat dan om gevallen waarin partijen zich op de wettelijke maatstaven hebben willen richten, maar als gevolg van een onjuist inzicht in de betekenis van de maatstaven of omdat partijen uitgingen van onjuiste en onvolledige gegevens tot een resultaat zijn gekomen dat evident in strijd is met de uitkomst waartoe toepassing van die maatstaven zou hebben geleid. Grove miskenning van de wettelijke maatstaven kan zich bovendien voordoen, wanneer de toekomstverwachting van partijen te optimistisch of te weinig realistisch is geweest. Indien partijen echter bewust hebben willen afwijken van de wettelijke maatstaven geldt het vijfde lid van artikel 1:401 BW niet maar zal de rechter pas tot wijziging van de overeenkomst mogen overgaan indien sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan de overeenkomst mag worden gehouden (vergelijk artikel 1:159, derde lid BW). Dat is volgens vaste jurisprudentie het geval wanneer zich een volkomen wanverhouding voordoet tussen hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen hadden en hetgeen zich daadwerkelijk heeft voorgedaan, zodanig dat het in hoge mate onbillijk is dat de verzoeker nog aan de overeenkomst wordt gehouden. De stelplicht daarvan rust op degene die op deze grondslag wijziging of intrekking van de overeenkomst verzoekt.

3.3.

Het hof begrijpt het betoog van de vrouw aldus, dat zij stelt dat partijen bij het vaststellen van hun netto besteedbaar inkomen ten tijde van het opmaken van het convenant zijn uitgegaan van onjuiste en/of onvolledige gegevens. Daartoe voert zij aan dat de man toentertijd aanzienlijk meer verdiende en dat de verhouding van de in het echtscheidingsconvenant afgesproken verdeling van de variabele kosten (50/50 onder aftrek van de kinderbijslag) om die reden onjuist is. Voorts is de verdeling van de vaste kosten (naar rato van het inkomen van partijen in onderling overleg) niet te verifiëren nu de man nimmer inzage heeft willen geven in zijn financiële stukken, aldus de vrouw. De man heeft niet weersproken dat hij bij het opmaken van het convenant geen inzicht in zijn financiële situatie heeft gegeven. Ook in de huidige procedure, zoals hierna nog verder besproken onder r.o. 4.6., heeft de man geen inzage gegeven in zijn inkomsten in 2007. Ter terechtzitting in hoger beroep op 14 december 2015 heeft de man verklaard dat hij als bijdrage in de vaste lasten vóór de bestreden beschikking een bijdrage van € 50,- per maand voldeed, en dat ieder van partijen 50 % van de variabele kosten voor hun rekening nam. De co-ouderschapsregeling gold nog immer, aldus de man. De vrouw heeft vorenstaande niet weersproken. Na de bestreden beschikking heeft de man tot en met december 2015 een bijdrage van € 212,- per maand voldaan op basis van een berekening van de (toenmalige) advocaten van partijen. De vrouw heeft verklaard dat zij op dat moment alle vaste lasten voldeed en dat de man de kosten betaalde die hij tijdens het verblijf van [de minderjarige] bij hem maakte.

Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de eerste grief van de man slaagt. De vrouw heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de regeling uit het echtscheidingsconvenant ter bestrijding van de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] is bepaald met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Geoordeeld moet juist worden dat partijen destijds de wettelijke maatstaven niet voor ogen hebben gehad, maar welbewust een eigen regeling hebben willen treffen ter bestrijding van de kosten van [de minderjarige] , zonder dat daarbij een vast termijnbedrag werd afgesproken. Anders dan het geval is bij de wettelijke maatstaven, houdt de afspraak immers in dat partijen een deel van de kosten van [de minderjarige] ieder voor de helft, dus zonder rekening te houden met hun wederzijdse draagkracht, zullen voldoen. Dat de vrouw het deel van de afspraak dat wel inkomensafhankelijk is niet kan verifiëren, kan haar in dit verband niet baten. Zij had immers tegen de man een verzoek tot nakoming van de overeenkomst kunnen indienen, al dan niet gepaard met een op artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gebaseerd verzoek de man te bevelen zijn inkomensgegevens over te leggen.

In het licht van het voorgaande heeft de vrouw onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat er een duidelijke, laat staan een volkomen wanverhouding is tussen deze door partijen overeengekomen onderhoudsbijdrage en die waartoe de rechter uiteindelijk zou hebben beslist. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de in het convenant vastgelegde regeling over de verdeling van de kosten op deze gestelde grond te wijzigen.

3.4.

Tussen partijen is evenwel niet (meer) in geschil dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW). Deze wijzigingen zijn er achtereenvolgens in gelegen dat de man sedert 11 december 2014 verplicht is een bijdrage voor [kind] te voldoen, dat de vrouw op [datum] 2015 is gehuwd met [X] , dat de inkomensafhankelijk combinatiekorting ingaande 1 januari 2016 is vervallen, en dat met ingang van 28 augustus 2016 het co-ouderschap is geëindigd zoals bepaald bij de beschikking van 30 maart 2016.

3.5.

Nu er sprake is van een relevante wijzing van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW zal het hof overgaan tot berekening van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Aangezien geen van partijen heeft gegriefd tegen de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage voor [de minderjarige] , zal het hof, mede gelet op het voorgaande bij de berekening van deze bijdrage uitgaan van vier verschillende periodes: (i) de periode vanaf 10 juni 2015 (de bestreden beschikking) tot [datum] 2015 (zijnde de datum van het huwelijk van de vrouw en [X] ), (ii) de periode van [datum] 2015 tot 1 januari 2016, zijnde de datum tot wanneer de vrouw aanspraak kon maken op inkomensafhankelijke combinatiekorting, (iii) de periode vanaf 1 januari 2016 tot 28 augustus 2016, zijnde de periode dat de vrouw geen aanspraak meer kon maken op inkomensafhankelijke combinatiekorting en (iv) de periode vanaf 28 augustus 2016, zijnde de datum waarop het co-ouderschap is gewijzigd in een weekendregeling met de man en er derhalve een andere zorgkorting geldt.

Behoefte [de minderjarige]

3.6.

De man stelt zich op het standpunt dat de behoefte van [de minderjarige] € 893,- per maand bedraagt. Het kindgebonden budget van € 250,- per maand dat de vrouw zal ontvangen dient hierop in mindering te worden gebracht, zodat aan behoefte resteert een bedrag van € 643,- per maand, aldus de man De vrouw stelt primair dat dient te worden aangesloten bij de behoefte die in 2011 door haar is gesteld en niet is betwist door de man. Deze behoefte, die volgens de vrouw € 1.016,- per maand bedraagt, dient te worden geïndexeerd en bedraagt daardoor € 1.065,- per maand. Subsidiair stelt de vrouw dat de behoefte van [de minderjarige] € 1.043,- bedraagt op grond van de inkomens van partijen in 2007, waarbij het gezinsinkomen, in lijn met de huidige normen, niet dient te worden gemaximeerd op een bedrag van € 5.000,-.

Nu de door de vrouw gestelde behoefte van [de minderjarige] door de man (thans) wordt betwist zal het hof allereerst de behoefte van [de minderjarige] bepalen. Het hof gaat daartoe uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving en stelt op basis daarvan de behoefte ingevolge de tabel ‘eigen aandeel kosten van kinderen’ (hierna: de tabel) vast. Zoals is vastgesteld onder r.o. 2.4. bedroeg het fiscaal loon van de vrouw in 2007 € 43.248,- bruto en blijkt uit de jaaropgaaf 2007 van de man dat zijn fiscaal loon in de periode van 1 juli 2007 tot en met 31 december 2007 € 24.088,- bedroeg. Volgens de man bedroeg zijn inkomen in 2007 totaal € 60.000,- bruto. De man heeft, hoewel daartoe na de mondelinge behandeling in hoger beroep op 10 augustus 2016 in de gelegenheid te zijn gesteld, nagelaten zijn nadere financiële gegevens over 2007 in het geding te brengen. Gelet op de hoogte van het inkomen van de man over het tweede half jaar en in aanmerking genomen dat de vrouw niet heeft gesteld van welk inkomen van de man in 2007 dient te worden uitgegaan, zal het hof bij de vaststelling van de behoefte van [de minderjarige] uitgaan van een jaarinkomen van € 60.000,- bruto van de man. Het voorgaande leidt tot een netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2007, van € 5.760,- (€ 2.504,- + € 3.256,-) per maand. Aan de hand van de toenmalige tabel bedraagt de behoefte van [de minderjarige] € 795,- per maand. In geschil is of, nu het netto besteedbaar gezinsinkomen boven het maximale gezinsinkomen van de tabel ligt, de kosten van [de minderjarige] lineair dienen te worden doorgetrokken. Het hof ziet daartoe onvoldoende aanleiding. Hoewel het gezamenlijk inkomen van partijen toentertijd boven de grens van € 5.000,- lag, was dit niet zo uitzonderlijk hoog dat dat op zichzelf aanleiding moet zijn van de tabel af te wijken. Het had op de weg van de vrouw gelegen om te onderbouwen dat de behoefte van [de minderjarige] ten tijde van het huwelijk van partijen hoger was dan het maximale maandbedrag uit de toenmalige tabel. Daarbij betrekt het hof tevens de omstandigheid dat het hoogste netto gezinsinkomen waarmee in de tabel wordt gerekend in 2007 nog recent (per 1 januari 2006) was verhoogd van € 3.500,- naar € 5.000,-. Ook om die reden ziet het hof geen aanleiding om hiervan af te wijken.

Anders dan de man stelt wordt het kindgebonden budget, gelet op de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011), niet (meer) in mindering op de (tabel)behoefte gebracht. Na indexatie bedroeg de behoefte van [de minderjarige] per 1 januari 2015 € 913,- per maand en per 1 januari 2016 € 925,- per maand.

Draagkracht van de man

3.7.

De man heeft aangevoerd dat zijn inkomen variabel is nu dit deels afhankelijk is van vraag of bepaalde targets worden behaald. Ter zitting in hoger beroep op 10 augustus 2016 heeft de man aangegeven dat het redelijk is om uit te gaan van een jaarinkomen van € 83.000,- á € 84.000,-, zijnde het gemiddelde van zijn inkomen van de laatste drie jaar. De vrouw stelt primair dat dient uit te worden gegaan van het inkomen van het jaar voorafgaande aan het jaar van indiening van het verzoek, zijnde het jaarinkomen van 2014. Subsidiair stelt de vrouw dat uit dient te worden gegaan van het jaarinkomen over 2015, dan wel (meer subsidiair) van het gemiddelde inkomen over de afgelopen drie jaren (2013, 2014 en 2015).

Het hof neemt bij de bepaling van de beschikbare draagkracht van de man zijn netto besteedbaar inkomen (NBI) tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen en de werkelijke inkomsten uit vermogen, te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. Gelet op het variabele inkomen van de man ziet het hof aanleiding voor wat betreft het inkomen van de man uit te gaan van zijn gemiddelde jaarinkomen over de afgelopen drie jaren, te weten 2013, 2014 en 2015. Uit de overgelegde jaaropgaven van de man van de afgelopen drie jaren blijkt dat zijn fiscaal loon gemiddeld € 83.323,- bedroeg.

De beschikbare draagkracht in 2015 wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 875,-)] en in 2016 aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.525,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man het draagkrachtloos inkomen wordt vastgesteld op 30% van het netto besteedbaar inkomen ter zake van forfaitaire woonlasten vermeerderd met een bedrag van € 875,- (2015) respectievelijk € 890,- (2016) aan overige lasten en dat van het bedrag, dat van het netto besteedbaar inkomen resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen, 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie. Daaruit volgt dat de beschikbare draagkracht van de man in 2015 € 1.391,- netto per maand bedroeg. Op dit bedrag dient de in r.o. 2.4. genoemde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] ad € 280,- in mindering te worden gebracht, zodat de voor [de minderjarige] beschikbare draagkracht van de man € 1.111,- in 2015 bedroeg. In 2016 bedroeg de beschikbare draagkracht van de man € 1.402,-. Verminderd met een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind] van € 283,-, bedroeg de voor [de minderjarige] beschikbare draagkracht van de man € 1.119,-.

Draagkracht van de vrouw

3.8.

Ook aan de zijde van de vrouw neemt het hof bij de bepaling van de beschikbare draagkracht het netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Blijkens de salarisspecificatie van januari 2015 bedroeg het salaris van de vrouw in 2015 € 3.011,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. In de periode van 10 juni 2015 tot en met [datum] 2015 kon de vrouw aanspraak maken op kindgebonden budget. Vanaf de periode dat de vrouw getrouwd is met [X] kon de vrouw geen aanspraak meer maken op kindgebonden budget. In de periode van [datum] 2015 tot 1 januari 2016 had de vrouw recht op inkomensafhankelijk combinatiekorting, na 1 januari 2016 niet meer. Evenals bij de man, wordt de beschikbare draagkracht in 2015 vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 875,-)] en in 2016 aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)].

Op basis hiervan bedraagt de beschikbare draagkracht van de vrouw in de periode van 10 juni 2015 tot [datum] 2015 € 729,- per maand en vanaf laatstgenoemde datum tot 1 januari 2016 € 607,- per maand en vanaf 1 januari 2016 € 530,- per maand.

Draagkracht [X]

3.9.

Door zijn huwelijk en samenleving met de vrouw is ook [X] onderhoudsplichtig voor [de minderjarige] geworden. Ook aan de zijde van [X] neemt het hof bij de bepaling van de beschikbare draagkracht het netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Blijkens de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2015 van [X] bedroeg zijn fiscaal loon in 2015 € 198.989,- bruto per jaar. Blijkens de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie van juni 2016 van [X] is er loonbeslag gelegd op het loon van [X] . Volgens de toelichting van de vrouw is het beslag gelegd door de voormalige echtgenote van [X] in verband met partneralimentatie. Wat daarvan zij, het hof zal met dit loonbeslag geen rekening houden nu Van Noorts onderhoudsplicht jegens [de minderjarige] op grond van artikel 1:400 lid 1 BW voorrang heeft ten opzichte van die jegens zijn ex-echtgenote. De beschikbare draagkracht wordt in 2015 en 2016 eveneens vastgesteld aan de hand van voormelde formules.

Daaruit volgt dat de beschikbare draagkracht van [X] in 2015 € 3.629,- netto per maand bedroeg. Op dit bedrag dient een bedrag van € 814,- aan bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter b] en [dochter a] in mindering te worden gebracht, zodat de voor [de minderjarige] beschikbare draagkracht van [X] € 2.815,- bedroeg. In 2016 bedroeg de draagkracht van [X] € 3.623,-. Verminderd met een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter b] en [dochter a] van € 824,-, bedroeg de voor [de minderjarige] beschikbare draagkracht € 2.799,-.

De onderhoudsplichtigen en onderlinge verhoudingen

3.10.

Blijkens de Parlementaire Geschiedenis met betrekking tot artikel 1:395 Burgerlijk Wetboek (Parl. Gesch. BW Inv. Boek 1, p. 1442-1443) zijn, in het geval de onderhoudsverplichting van de stiefouder samenvalt met die van de ouder van de kinderen, de verplichtingen ter zake van onderhoud in beginsel van gelijke rang. De omvang van ieders onderhoudsverplichting hangt dan af van de omstandigheden van het geval waarbij als belangrijke factoren in het bijzonder gelden het gegeven dat tussen de ouder en het kind een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het stiefkind, de draagkracht van de ouder en de stiefouder en de feitelijke verhouding tot ieder van de onderhoudsplichtigen.

Het hof neemt als omstandigheden in aanmerking dat er sprake is (geweest) van een zeer regelmatig (goed) contact tussen de man en [de minderjarige] , en [X] pas sinds [datum] 2015 stiefouder van [de minderjarige] is. Zowel de draagkracht van de man als die van [X] zijn toereikend om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. Zouden onderhoudsbijdragen van de drie onderhoudsplichtigen naar rato van hun draagkracht worden vastgesteld, dan zou dat betekenen dat het overgrote deel van de behoefte van [de minderjarige] voor rekening van [X] zou komen. Dat acht het hof geen redelijke verdeling in het licht van bovenvermelde omstandigheden. Gelet op deze omstandigheden, ziet het hof aanleiding om de onderhoudsverplichting van [X] vast te stellen op 1/3 van de behoefte van [de minderjarige] en de overige 2/3 van de behoefte naar draagkracht te verdelen tussen de man en de vrouw.

3.11.

Gelet op het hiervoor overwogene bedraagt de nog tussen de man en de vrouw te verdelen behoefte van [de minderjarige] in 2015 € 608,- (2/3 van € 913,-) en in 2016 € 617,- (2/3 van € 925,-). De totale draagkracht van partijen bedroeg in de periode van 10 juni 2015 tot [datum] 2015 € 1.840,- per maand, in de periode van [datum] 2015 tot 1 januari 2016 € 1.718,- per maand en met ingang van 1 januari 2016 € 1.649,- per maand. Uit de draagkrachtvergelijking van partijen volgt een aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] in de periode van 10 juni 2015 tot [datum] 2015 van € 367,- per maand, in de [datum] 2015 tot 1 januari 2016 van € 393,- per maand en vanaf 1 januari 2016 van € 419,- per maand.

3.12.

Vervolgens dient te worden bepaald in hoeverre de zorgkorting moet worden toegepast. Het betreft hier een percentage van de behoefte van [de minderjarige] , dat afhankelijk is van de omvang van de zorg door de man. Nu er tot 28 augustus 2016 sprake was van een co-ouderschap, zal het hof voor de periode van 10 juni tot 28 augustus 2016 een percentage van 35 in aanmerking nemen. Nu er vanaf 28 augustus 2016 sprake is van een weekendregeling, zal het hof, zoals door de vrouw gesteld en door de man niet is betwist en zoals gebruikelijk in geval van een weekendregeling, een percentage van 15 in aanmerking nemen. Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding, omdat de onderhoudsplichtigen [de ouders en de echtgenoot van de verzorgende ouder] samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De zorgkorting betreft tot 28 augustus 2016 dus een bedrag van afgerond € 320,- per maand (35% x € 913,-) in 2015 en € 324,- per maand (35% x € 925,-) in 2016 en vanaf 28 augustus 2016 € 139,- per maand (15% x € 925,-).

3.13.

Hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld leidt tot de conclusie dat de man, gelet op zijn draagkracht, de wijze waarop zijn draagkracht moet worden verdeeld, de zorgkorting en de behoefte van [de minderjarige] , de volgende bijdragen dient te leveren:

  • -

    met ingang van 10 juni 2015 tot [datum] 2015 een bedrag van € 47,- per maand;

  • -

    met ingang van [datum] 2015 tot 1 januari 2016 een bedrag van € 73,- per maand;

  • -

    met ingang van 1 januari 2016 tot 28 augustus 2016 een bedrag van € 95,- per maand;

  • -

    met ingang van 28 augustus 2016 een bedrag van € 280,- per maand.

3.14.

Ter terechtzitting op 14 december 2015 zijn partijen overeengekomen dat, afhankelijk van de vraag of de definitieve onderhoudsbijdrage hoger of lager wordt vastgesteld, een terugbetalingsverplichting voor de vrouw dan wel een bijbetalingsverplichting voor de man zal ontstaan. Nu de definitieve bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding is vastgesteld dienen partijen conform zij zijn overeengekomen hetgeen zij te veel hebben voldaan, dan wel ontvangen, met elkaar te verrekenen.

3.15.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, bepaalt:

met wijziging van de regeling met betrekking tot de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , zoals tussen partijen in een convenant, getekend op 4 december 2007, is overeengekomen, dat de man:

  • -

    met ingang van 10 juni 2015 tot [datum] 2015 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] van € 47,- (zegge: ZEVENENVEERTIG EURO) per maand dient te voldoen;

  • -

    met ingang van [datum] 2015 tot 1 januari 2016 een bedrag van € 73,- (zegge: DRIEENZEVENTIG EURO) per maand dient te voldoen;

  • -

    met ingang van 1 januari 2016 tot 28 augustus 2016 een bedrag van € 95,- (zegge: VIJFENNEGENTIG EURO) per maand dient te voldoen;;

  • -

    met ingang van 28 augustus 2016 een bedrag van € 280,- (zegge: TWEEHONDERDTACHTIG EURO) per maand dient te voldoen;.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, mr. A.V.T. de Bie, mr. M. Perfors, bijgestaan door mr. C.L. de Lussanet de la Sablonière-Buikema als griffier, en is op 7 maart 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.