Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:701

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
24-05-2017
Zaaknummer
23-002587-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevoegde zaken. Verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep in zaak B. Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, Wetboek van Strafvordering in zaak B. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in zaak A.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002587-16

datum uitspraak: 7 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 29 december 2015 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-156876-15 (zaak A) en 15-215131-15 (zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

adres: [adres] .

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep in zaak B

De dagvaarding van de verdachte om in zaak B op 29 december 2015 ter terechtzitting te verschijnen is, blijkens de daarvan opgemaakte akte, op 20 oktober 2015 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De dagvaarding van de verdachte om in zaak A op 29 december 2015 ter terechtzitting te verschijnen is op 26 november 2015, blijkens de daarvan opgemaakte akte, uitgereikt aan een huisgenoot. Op de terechtzitting van 29 december 2015 zijn de zaken A en B gevoegd en is de verdachte bij verstek veroordeeld. Tegen dit vonnis is namens de verdachte op 6 juli 2016 onbeperkt hoger beroep ingesteld. Nu de dagvaarding in zaak B aan de verdachte in persoon is betekend had hij binnen veertien dagen na het wijzen van het vonnis hoger beroep in dienen te stellen. Nu dat namens hem eerst op 6 juli 2016, en derhalve niet binnen de wettelijke termijn, is gedaan, zal het hof de verdachte niet ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen zaak B.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2017.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep aan de orde, ten laste gelegd dat:

Zaak A:
hij op of omstreeks 3 augustus 2015 te Hoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, twee bakjes salade, althans etenswaren, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Vomar [vestiging], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, worden vernietigd omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 3 augustus 2015 te Hoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee bakjes salade, toebehorende aan Vomar [vestiging].

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in zaak A bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf in zaak A

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in de gevoegde zaken A en B bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400,00, subsidiair 8 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte in zaak A zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 350,00, subsidiair 7 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman van de verdachte heeft verzocht aan de verdachte in plaats van een geldboete een werkstraf op te leggen, rekening houdend met de financiële situatie van de verdachte.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf in zaak A bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal en heeft daarmee inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van het betreffende winkelbedrijf. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke feiten, die de bedrijfsvoering verstoren en vaak schade teweegbrengen.

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte is gebleken en acht alles afwegende een voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Strafbepaling conform artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering voor zaak B

Nu de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde en het vonnis in eerste aanleg zal worden vernietigd, zal het hof overeenkomstig het gestelde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering de straf bepalen ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde misdrijf, te weten een geldboete van € 50,00, subsidiair 1 dag hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-215131-15 (zaak B) ten laste gelegde.

Bepaalt de door de politierechter opgelegde straf voor het in de zaak met parketnummer 15-215131-15 (zaak B) bewezen verklaarde op een geldboete van € 50,00 (vijftig euro), subsidiair 1 (één) dag hechtenis.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 15-156876-15 (zaak A) ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 15-156876-15 (zaak A) bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte in de zaak met parketnummer 15-156876-15 (zaak A) tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. S. Bek en mr. E.H.M. Druijf, in tegenwoordigheid van S.E.F. Rahimbaks, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 maart 2017.

Mr. E.H.M. Druijf is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.