Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:700

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
17-06-2019
Zaaknummer
23-003461-16
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:1827
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging van het vonnis waarvan beroep. Wijziging tenlastelegging in hoger beroep. Bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003461-16

datum uitspraak: 7 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 september 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-068690-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood, althans met zware mishandeling, immers heeft hij opzettelijk een (promotie)filmpje bewerkt en/of het bewerkte (promotie)filmpje op internet geplaatst en/of via Whatsapp althans Telegram verspreid, waaronder aan voornoemde [slachtoffer], waarbij die bewerking bestaat uit het toevoegen van vijf, althans een of meer arm(en) met een wapen gericht op het hoofd van voornoemde [slachtoffer] en/of de arm(en) met het wapen eenmaal of meermalen op het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te laten schieten.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 6 februari 2015 te Amsterdam, een persoon, genaamd [slachtoffer] heeft bedreigd met de dood, immers heeft hij opzettelijk een bewerkt (promotie)filmpje via Telegram verspreid, waaronder aan voornoemde [slachtoffer], waarbij die bewerking bestaat uit het toevoegen van vijf armen met een wapen gericht op het hoofd van voornoemde [slachtoffer] en de armen met het wapen meermalen op het hoofd van voornoemde [slachtoffer] te laten schieten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bespreking van een bewijsverweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd – kort gezegd – dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging op de grond dat bij de verdachte het opzet ontbrak om de aangever vrees aan te jagen. De verdachte heeft, zo betoogt de raadsvrouw, het in de tenlastelegging bedoelde filmpje enkel ter informatie en ter waarschuwing van de aangever via de Telegram-groep Taxi News Only verspreid, terwijl het filmpje voorts niet bij de aangever de redelijke vrees kon doen ontstaan voor de verwezenlijking van het misdrijf waarmee werd gedreigd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde werkzaam als taxichauffeur bij de Taxi Centrale Amsterdam. Ook de aangever was als taxichauffeur werkzaam bij de Taxi Centrale Amsterdam, maar verrichtte tevens chauffeurswerkzaamheden voor Uber. Niet staat ter discussie dat de verdachte een bewerkt (promotie)filmpje van Uber waarin de aangever te zien is en waarin er meerdere malen op diens hoofd wordt geschoten via de Telegram-groep Taxi News Only - waarvan naar de verdachte wist ook de aangever deel uitmaakte - heeft verspreid.

Voor een veroordeling ter zake van bedreiging is voor zover hier van belang vereist dat de bedreiging van dien aard en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan voor het misdrijf waarmee werd gedreigd.

Het hof acht het niet aannemelijk dat de verdachte het betreffende bewerkte filmpje enkel ter informatie en ter waarschuwing van de aangever via de Telegram-groep Taxi News Only heeft verspreid, nu de verklaring van de verdachte dat hij er wel een verklarende tekst bij geschreven moet hebben niet wordt ondersteund door de inhoud van het dossier en ook niet op enige andere wijze concreet en verifieerbaar is gemaakt.

Door aldus, zonder enige nadere tekst of uitleg, het betreffende filmpje via de Telegram-groep Taxi News Only te verspreiden heeft de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat bij de aangever de redelijke vrees kon ontstaan voor het misdrijf waarmee werd gedreigd. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de aard en de inhoud van het filmpje zonder meer bedreigend zijn, zodat daardoor in het algemeen de redelijke vrees voor het misdrijf waarmee werd gedreigd kon ontstaan, waarbij het hof opmerkt dat de aangever zich ook daadwerkelijk bedreigd voelde. Hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd, doet daaraan niet af.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van 400,00 euro, subsidiair 8 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door een (promotie)filmpje via een Telegram-groep waarvan – naar de verdachte wist – ook de aangever deel uitmaakte te verspreiden, op welk filmpje te zien is dat meermalen op het hoofd van de aangever wordt geschoten. Door aldus te handelen heeft de verdachte de aangever vrees aangejaagd, terwijl een dergelijk filmpje voorts gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving veroorzaakt.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 6 februari 2017 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn voordeel weegt.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 51,63 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 251,63, bestaande uit € 51,63 aan materiële schade en € 200,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen op gelijke wijze als deze door de politierechter is toegewezen.

De vordering is door de verdediging betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 251,63, bestaande uit € 51,63 aan materiële schade en € 200,00 aan immateriële schade. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 400,00 (vierhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 251,63 (tweehonderdeenenvijftig euro en drieënzestig cent) bestaande uit € 51,63 (eenenvijftig euro en drieënzestig cent) aan materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 251,63 (tweehonderdeenenvijftig euro en drieënzestig cent) bestaande uit € 51,63 (eenenvijftig euro en drieënzestig cent) aan materiële schade en € 200,00 (tweehonderd euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 7 september 2016ot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 6 februari 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Bek, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. E.H.M. Druijf, in tegenwoordigheid van S.E.F. Rahimbaks, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 maart 2017.

Mr. E.H.M. Druijf is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen

[...]