Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:69

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
17-01-2017
Zaaknummer
200.171.090/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onvoldoende onderbouwd dat aanleg laminaatvloer bovenwoning onrechtmatige geluidsoverlast oplevert jegens bewoner benedenwoning. Zie ECLI:NL:GHAMS:2015:2334.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2017/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.171.090/01

zaak- en rolnummer rechtbank Noord-Holland : 3120565/CV EXPL 14-6005

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 januari 2017

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. V.J.M. Janszen te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 27 maart 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, afdeling kanton, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter), van 31 december 2014 onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde. De appeldagvaarding bevat een grief.

Bij tussenarrest van 16 juni 2015 is een comparitie na aanbrengen gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2015. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- akte uitlating voortgang procedure zijdens [appellante] van 15 december 2015;

- akte zijdens [geïntimeerde] van 15 december 2015;

- akte overlegging producties zijdens [appellante] van 12 januari 2016, met producties;

- antwoord-akte zijdens [geïntimeerde] van 9 februari 2016, met een productie;

- akte uitlating producties zijdens [appellante] van 23 februari 2016;

- memorie van grieven (met eiswijziging);

- memorie van antwoord.

[appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en - uitvoerbaar bij voorraad - toewijzing van haar (gewijzigde) vorderingen, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellante] en – naar het hof begrijpt – bekrachtiging van het bestreden vonnis, onder veroordeling van [appellante] in zijn werkelijke proceskosten ten bedrage van € 7.450,00.

Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis van 31 december 2014 onder de kop ‘De feiten’ de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt. De feiten komen - waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan - neer op het volgende.

2.1.

[appellante] woont sinds 1984 in de benedenwoning van de [adres 1] (hierna: de benedenwoning).
2.2. [geïntimeerde] woont sinds 2002 in de bovenwoning van de [adres 2] (hierna: de bovenwoning).

2.3.

De benedenwoning en de bovenwoning zijn omstreeks 1910 gebouwd als één zelfstandige woonruimte en later gesplitst in twee zelfstandige appartementsrechten. In artikel 9 lid 1 van het toepasselijke reglement van splitsing wordt bepaald:

“Iedere eigenaar of gebruiker heeft het recht op uitsluitend gebruik van zijn privé gedeelte, mits hij bij de uitoefening van dat recht het reglement en huishoudelijk reglement in acht neemt, en vermits hij aan de andere eigenaars en gebruikers geen onredelijke hinder toebrengt.”

2.4.

[geïntimeerde] heeft in 2006 dan wel 2007 de aanwezige vloerbedekking in de bovenwoning vervangen door laminaat. Op de laminaatvloer ligt deels een vloerkleed.

2.5.

Op 19 december 2012 heeft een kort geding zitting plaatsgevonden, waarna partijen - gezamenlijk - opdracht hebben gegeven aan het Bouwcentrum Advies te Rotterdam (hierna: het Bouwcentrum) tot het verrichten van geluidmetingen in de beneden- en bovenwoning. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 23 mei 2013. Vervolgens heeft het Bouwcentrum een rapport (hierna: het rapport) opgemaakt.

2.6.

In het rapport wordt ingegaan op de eisen voor contactgeluidisolatie voor bestaande bouw, een referentiekader vanuit de gebouweigenschappen en de gebruikte meetmethode en apparatuur. In het rapport wordt onder meer als volgt vermeld:
3.10 Effect van de vloerafwerking

Het gebruik van de zachte vloerbedekking is altijd een prima middel om het ontstaan van contactgeluid te verminderen. Weliswaar worden vooral de hoge tonen gedempt, maar het heeft wel effect. Omgekeerd zal bij vervanging van tapijt door laminaat een verslechtering optreden, ook als het laminaat op een min of meer zachte onderlaag is gelegd.

De voorliggende metingen zijn in de aangetroffen situatie uitgevoerd; waarbij op de eerder besproken vloeropbouw een afwerking is aangebracht. In woning [adres 2] rood ligt laminaat op een zachtboardlaag. Het meetresultaat geeft de eerder genoemde Ico = -1 dB te zien. Als alternatief is ook gemeten op een dik vloerkleed. Getalsmatig is het effect aanzienlijk. Het meetresultaat geeft de eerder genoemde Ico = +14 dB te zien. Dat is een verbetering van 15 dB op de index. Toch zal dit niet zo positief worden gewaardeerd. Wat er in feite gebeurt is een verschuiving van ongeveer een octaaf naar links (zie grafiek) De hoge tonen worden nog beter gedempt en wat overblijft zijn de lagere tonen. Die lagere tonen worden bij het bepalen van de index niet meegewogen, maar zijn er wel). De index gaat alleen uit van het toongebied van 125 Hz t/m 2000 Hz (zoals de rode pijl aangeeft) Wanneer de grafiek naar links wordt uitgebreid zal de groene curve in de lager toonhoogtes verder stijgen naar bijna hetzelfde niveau als de rode curve. Met andere woorden; de lage tonen zijn er nog steeds.

(…)

4. Conclusies

4.1

Contactgeluidisolatie

De gemeten indices voor contactgeluid geven een volgend beeld:

1e De basis situatie met laminaat op een houten vloer, inclusief de eerdere verbetermaatregel door vorige bewoners, levert in het kader van de bestaande bouw geluidtechnisch geen slechte prestatie. Er wordt een index voor de contactgeluidisolatie gevonden Ico = -1 dB. Tot het jaar 2003 was de eis voor nieuwbouw Ico = 0 dB. Daar zit de aangetroffen situatie “tegenaan”. In dat licht bezien is het geen slechte prestatie.

2e De aard van vloerafwerking (tapijt of laminaat) heeft wel effect op het ontstaan van contactgeluid, maar het effect moet niet worden overschat. De typische lage tonen hinder (dreunen van de vloer) kan in toonhoogte verschuiven door andere vloerafwerkingen, maar laat zich niet goed wegdempen. Dit verschijnsel wordt zichtbaar bij het vergelijken van de metingen op het laminaat met die op het dikke vloerkleed. Zouden we alleen maar kijken naar de indices voor de contactgeluidisolatie geeft dat een te beperkt beeld van de situatie.

3e Om de breedte van het spectrum (lage en hoge tonen) te dempen is een combinatie van maatregelen nodig. Wat hier ontbreekt is een effectieve lage-tonen isolatie.

Daarvoor leent zich een verlaagd plafond in de ontvangruimte erg goed. Het is een ingrijpende maatregel, die het best tot zijn recht komt wanneer het plafond geheel vrijdragend wordt gemaakt. (Dus zonder koppeling aan de vloer). Deze maatregel moet worden uitgevoerd in de beneden woning. Geluidtechnisch is dit de best denkbare maatregel. Met dit type constructies kunnen verbeteringen tot 10 dB op de index worden bereikt.

Er is een alternatief, met minder effect: Er is nu een zachtboardlaag onder het laminaat gelegd. Beter is het die te vervangen door 2 lagen gipsvezelplaat op de al eerder aangebrachte estrich plaat. In feite is dat niet anders dan het verzwaren van de dekvloer. (die platen lijmen op de aanwezige vloerplaten en los houden van al het opgaand werk). Die maatregel moet worden uitgevoerd in de bovenwoning. De verbetering zal ongeveer 5 dB op de index bedragen.”

3 Beoordeling

3.1.

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen primair tot het vervangen van het laminaat door vaste vloerbedekking, subsidiair tot het verlenen van medewerking aan het uitvoeren van een onderzoek door de parketmeesters van B.R.N. Parket om te beoordelen of de laminaatvloer goed is gelegd, beide vorderingen op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat [geïntimeerde] in gebreke blijft hieraan te voldoen. [appellante] heeft meer subsidiair gevorderd dat de kantonrechter een plaatsopneming doet in de beneden- en bovenwoning.

De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

3.2.1.

[appellante] heeft haar eis in haar memorie van grieven gewijzigd en vordert thans - samengevat - [geïntimeerde] te veroordelen:

- tot het treffen van maatregelen teneinde de geluidsoverlast in de benedenwoning (ontstaan door de laminaatvloer in de bovenwoning) te verminderen; en daartoe;

- primair de benedenwoning op kosten van [geïntimeerde] te laten voorzien van een geluidsisolerend verlaagd plafond conform de door [appellante] in het geding gebrachte begroting (zie de offerte van ProBass van 5 januari 2016, productie I bij akte zijdens [appellante] van 12 januari 2016); dan wel

- subsidiair de laminaatvloer in de bovenwoning op kosten van [geïntimeerde] te laten voorzien van een geluidsisolerende extra ondervloer, bestaande uit tenminste twee lagen gipsvezelplaat conform de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte begroting (zie de opgave kosten/offertes voor verbouwing bovenwoning, productie HB1 met 7 bijlagen bij antwoord-akte zijdens [geïntimeerde] van 9 februari 2016);

beide veroordelingen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat [geïntimeerde] vanaf 30 dagen na de datum van het te wijzen arrest in gebreke mocht blijven het ertoe te leiden dat een aannemer van goede naam en faam met de werkzaamheden begint en vervolgens binnen 25 werkdagen na het begin heeft voltooid;

- tot betaling van de proceskosten.

3.2.2.

Hoewel [appellante] in haar appeldagvaarding toewijzing alsnog vordert van haar vorderingen in eerste aanleg, concludeert zij in haar memorie van grieven tot toewijzing van de in de rechtsoverweging hierboven weergegeven (gewijzigde) vorderingen. Gelet hierop en omdat (gedeeltelijke) toewijzing van deze laatste vorderingen zich niet goed zou verdragen met (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen in eerste aanleg, begrijpt het hof dat [appellante] haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen intrekt en vervangt door hetgeen zij in hoger beroep vordert (terwijl de grondslag voor de vorderingen hetzelfde blijft). Voor zover [geïntimeerde] bedoelt bezwaar te maken tegen deze eiswijziging, wordt dit bezwaar verworpen nu de eiswijziging direct bij de memorie van grieven is ingesteld en ook verder niet is gebleken van strijdigheid met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

3.3.1.

De bij appeldagvaarding ingestelde grief en de bij memorie van grieven ingestelde grieven II-IV zijn gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van de vorderingen van [appellante] en de motivering die hieraan ten grondslag ligt. De grieven zullen hierna gezamenlijk worden behandeld.

3.3.2.

Partijen hebben naar aanleiding van de comparitie na aanbrengen vóór het nemen van de memories van grieven en antwoord ieder meerdere aktes genomen en producties overgelegd. Het hof zal, zoals partijen kennelijk voor ogen staat, de inhoud van deze aktes en de overgelegde producties betrekken bij het beoordelen van de stellingen van partijen in hun memories.

3.4.

[appellante] voert als grondslag voor haar vorderingen aan dat het vervangen door [geïntimeerde] in 2007 van de vloerbedekking in zijn bovenwoning door (klik)laminaat een aanzienlijke geluidsoverlast in haar benedenwoning tot gevolg heeft gehad. Uit het rapport volgt dat het aanleggen van het laminaat tot een vermeerdering van de geluidsoverlast in het lage tonen gebied heeft geleid van 15 dB, en dat hierdoor de wettelijk toegestane geluidsnorm wordt overschreden, zo stelt [appellante] . Dat het aanleggen van het laminaat tot dit gevolg zou leiden was voor [geïntimeerde] voorzienbaar, nu de boven- en de benedenwoning zijn gescheiden door een houten vloer op draagbalken en algemeen bekend is dat een houten vloer geluid slecht isoleert. Ondanks de door hem veroorzaakte geluidsoverlast weigert [geïntimeerde] (één van) de in het rapport aangedragen maatregelen te treffen, die leiden tot een vermindering van de geluidsoverlast met respectievelijk 10 dB (de benedenwoning laten voorzien van een afdoende geluidsisolerend verlaagd plafond) dan wel 5 dB (de laminaatvloer in de bovenwoning laten voorzien van een geluidsisolerende extra ondervloer bestaande uit tenminste twee lagen gipsvezelplaat). Het vervangen door [geïntimeerde] van de vloerbedekking door het laminaat in 2007 en het vervolgens weigeren deze situatie terug te draaien dan wel één van voormelde maatregelen te treffen, heeft - mede gelet op artikel 9 lid 1 van het splitsingreglement en artikel 5:37 BW - onder de gegeven omstandigheden tot gevolg dat [geïntimeerde] jegens [appellante] onrechtmatig inbreuk heeft gemaakt (maakt) op haar woongenot en eigendomsrecht. Dit geldt temeer daar [appellante] sinds zo’n vijf jaar geleden zodanig fysiek is beperkt dat zij niet meer werkt en noodgedwongen vaak thuis verblijft, en dus extra last heeft van de geluidsoverlast. Gezien het voorgaande moet [geïntimeerde] worden veroordeeld alsnog één van de voormelde maatregelen te treffen, aldus nog steeds [appellante] .

3.5.1.

Het hof oordeelt als volgt. [appellante] stelt dat uit het rapport (paragraaf 3.7, grafiek 1 op pagina 5) volgt dat het aanleggen van het laminaat tot een vermeerdering van de geluidsoverlast van 15 dB heeft geleid, en dat dit jegens haar onbetamelijk is. [appellante] wordt niet gevolgd in dit betoog. Het rapport bevat een vergelijking tussen een geluidsmeting uitgevoerd terwijl met een hamermachine wordt getikt op de laminaatvloer in de woonkamer van de bovenwoning en een geluidsmeting uitgevoerd terwijl met een hamermachine wordt getikt op een (dik) vloerkleed in de voorkamer van de woonkamer van de bovenwoning. De metingen worden in grafiek 1 getoond en in de paragrafen 3.7 en 3.8 beschreven. Tijdens het tikken op het laminaat is een waarde gemeten van Ico = -1 dB en op het vloerkleed een waarde van Ico = +14 dB). Het verschil bedraagt inderdaad 15 dB. In paragraaf 3.10 (“Effect van de vloerafwerking”) wordt echter uitgelegd dat dit verschil van 15 dB op de index een vertekend beeld geeft; de hoge tonen worden wel beter gedempt maar de lagere tonen blijven over en worden bij het bepalen van de index niet meegewogen, “maar (…)ze zijn er wel”. Vervolgens worden in paragraaf 4 conclusies getrokken naar aanleiding van de metingen. Deze wijzen in een geheel andere richting dan de conclusies die [appellante] aan de metingen wil verbinden. Zo wordt onder 1 vermeld dat de laminaatvloer geluidtechnisch, in het kader van de bestaande bouw, geen slechte prestatie levert met een index voor de contactgeluidsisolatie van Ico = -1 dB, in het licht van de norm tot het jaar 2003 voor nieuwbouw van Ico = 0 dB. Onder 2 wordt vermeld dat het effect van vloerbedekking of laminaat op contactgeluid er is maar niet moet worden overschat, nu de typische lage tonen hinder zich niet goed laat wegdempen. Dit wordt zichtbaar bij het vergelijken van de geluidsmetingen tijdens het tikken op het laminaat met die op het vloerkleed; het verschil van 15 dB op de index geeft derhalve een te beperkt beeld van de situatie, aldus onder 2 in de conclusie. Dat vervolgens in de conclusie onder 3 (de gevorderde) maatregelen worden beschreven die zouden kunnen worden getroffen om het geluid (met name de lage tonen) beter te dempen, laat de conclusies onder 1 en 2 onverlet. Onder 3 wordt ook niet vermeld dat deze maatregelen noodzakelijk zijn om tot een acceptabel niveau van geluidsoverlast voor [appellante] te komen.

Overigens gaat [appellante] met haar beroep op het rapport ervan uit dat met de geluidsmetingen in het rapport wordt aangetoond dat het vervangen van vloerbedekking door laminaat tot een vermeerdering van de geluidsoverlast met 15 dB heeft geleid. Voor zover dit al een maatstaf zou kunnen zijn bij de beoordeling van de vraag of het aanbrengen van laminaat door [geïntimeerde] onrechtmatige hinder oplevert is echter naar het oordeel van het hof niet zonneklaar dat deze conclusie uit het rapport kan worden getrokken. Weliswaar is de meting van Ico = +14 dB gemeten op een (dik) vloerkleed, maar dat deze situatie (precies) gelijk was aan de situatie in de bovenwoning vóór het aanbrengen van het laminaat, blijkt onvoldoende duidelijk uit het rapport (was de vloerbedekking van destijds even geluidwerend als het door het Bouwcentrum geteste dikke vloerkleed?).

3.5.2.

Uit de rechtsoverweging hierboven blijkt dat uit het (mede in opdracht van [appellante] tot stand gekomen en onderschreven) rapport niet volgt dat het aanleggen door [geïntimeerde] van het laminaat tot een zodanig toegenomen geluidsoverlast in de benedenwoning heeft geleid, dat deze toename jegens [appellante] onrechtmatige hinder oplevert. [appellante] heeft geen ander rapport overgelegd waaruit dit wél volgt. Zij heeft derhalve onvoldoende aangevoerd om haar stelling te kunnen dragen dat het door [geïntimeerde] vervangen van de vloerbedekking door laminaat in 2007 en het vervolgens weigeren deze situatie terug te draaien dan wel één van voormelde maatregelen te treffen, - mede gelet op artikel 9 lid 1 van het splitsingreglement en artikel 5:37 BW - onder de gegeven omstandigheden tot gevolg heeft dat [geïntimeerde] jegens [appellante] onrechtmatig inbreuk heeft gemaakt (maakt) op haar woongenot en eigendomsrecht. Dit geldt temeer daar de kantonrechter in het bestreden vonnis heeft overwogen dat in het huishoudelijk reglement van de tussen partijen bestaande vereniging van eigenaren niets staat over het type (onder)vloer dat moet worden gebruikt noch over de omvang van contactgeluiden, zodat [geïntimeerde] niet in strijd handelt met het huishoudelijk reglement. Nu [appellante] niet tegen deze overweging heeft gegriefd, staat dit gegeven vast (zoals hiervoor is overwogen, kan het in hoger beroep aangehaalde artikel 9 lid 1 van het Splitsingsreglement [appellante] niet baten). Evenmin heeft [appellante] (voldoende kenbaar en duidelijk) gegriefd tegen de overweging van de kantonrechter dat partijen wonen in een oud pand uit 1910, zodat zij een zekere mate van geluidsoverlast van elkaar hebben te dulden. Ook wanneer zou kloppen dat [appellante] sinds zo’n vijf jaar geleden door fysieke beperkingen vaak thuis verblijft en de gestelde geluidsoverlast niet kan ontvluchten, staat dit (veronderstelde) gegeven niet aan voormeld oordeel in de weg.

3.5.3.

Het bovenstaande brengt met zich dat de vorderingen zullen worden afgewezen.

Overigens worden de bewijsaanbiedingen van [appellante] verworpen, reeds omdat zij is tekortgeschoten in haar stelplichten.

3.6.

Uit het bovenstaande volgt dat de grieven niet slagen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Nu [appellante] ook in hoger beroep in het ongelijk wordt gesteld, dient zij de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep te dragen. De vordering van [geïntimeerde] tot veroordeling van [appellante] tot betaling van zijn werkelijke proceskosten is onvoldoende onderbouwd en wordt derhalve afgewezen.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

wijst af de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [appellante] ;

wijst af de vordering van [geïntimeerde] tot veroordeling van [appellante] in de werkelijke proceskosten ten bedrage van € 7.450,00;

veroordeelt [appellante] in de (forfaitaire) kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 311,00 aan verschotten en € 1.788,00 voor salaris.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Polak, C. Uriot en L.R. van Harinxma thoe Slooten, en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2017.