Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:669

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
15/00846 t/m 15/00848
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2427
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De naheffingen parkeerbelasting zijn terecht opgelegd. De regels over de verschuldigdheid van parkeerbelasting zijn voldoende duidelijk in het gebied waar belanghebbende parkeerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0818
Viditax (FutD), 22-09-2017
V-N Vandaag 2017/734
Belastingblad 2017/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 15/00846 t/m 15/00848

28 februari 2017

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: M.J. Fuks),

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerken AMS 15/3891, 15/3892 en 15/3893 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in de gedingen tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Op 11 maart 2015 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting (in de rechtbankuitspraak genoemd: het primaire besluit 3) opgelegd.

1.2.

Na tegen de onder 1.1. genoemde naheffingsaanslag gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 1 juni 2015 het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard. De heffingsambtenaar heeft het bezwaarschrift verder ambtshalve behandeld en geen redenen gevonden om ambtshalve aan het bezwaar van belanghebbende tegemoet te komen (in de rechtbankuitspraak genoemd: het bestreden besluit 3).

1.3.1.

Op 28 maart 2015 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting (in de rechtbankuitspraak genoemd : het primaire besluit 1) opgelegd.

1.3.2.

Op 2 april 2015 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting (in de rechtbankuitspraak genoemd: het primaire besluit 2) opgelegd.

1.4.

Na tegen voornoemde (1.3.1 en 1.3.2) naheffingsaanslagen gemaakte bezwaren heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar van 1 juni 2015 de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard (in de rechtbankuitspraak genoemd: de bestreden besluiten 1 en 2).

1.5.

Belanghebbende heeft tegen de onder 1.2 en 1.4. genoemde uitspraken van de heffingsambtenaar beroep ingesteld. Bij uitspraak van 28 oktober 2015 heeft de rechtbank als volgt beslist (in deze uitspraak is belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):


“Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ten aanzien van de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond;

- verklaart het beroep ten aanzien van het bestreden besluit 3 gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit 3;

- verklaart het bezwaar tegen het primaire besluit 3 ongegrond;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit 3;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiseres te vergoeden.”

1.6.

De tegen deze uitspraak door belanghebbende (in één geschrift) ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 10 december 2015. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 februari 2017. Aldaar zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende voornoemd, en namens de gemeente mr. B. Brekveld. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

Nu de uitspraak van de rechtbank geen afzonderlijke vaststelling van de feiten bevat, stelt het Hof de feiten als volgt vast:

2.1.

Tot de gedingstukken behoort een op 22 februari 2015 gedateerde verhuurovereenkomst tussen Europcar (verhuurder) en belanghebbende (huurder) waarbij wordt overeengekomen dat belanghebbende een auto van Europcar huurt voor de periode 22 februari 2015 tot 12 maart 2015. Het betreft, zoals ter zitting van het Hof is bevestigd, een auto met kenteken [ kenteken 1] (hierna ook de huurauto).

2.2.

De op 11 maart 2015 gedateerde naheffingsaanslag is aan belanghebbende opgelegd nadat een parkeercontroleur constateerde dat de huurauto op 23 februari 2015 op 19:50 uur in de [ straatnaam A] ter hoogte van nummer [nummer 1] te Amsterdam geparkeerd stond. De parkeercontroleur meende dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan.

2.3.

De op 28 maart 2015 gedateerde naheffingsaanslag is aan belanghebbende opgelegd nadat een parkeercontroleur constateerde dat de huurauto op 4 maart 2015 op 20:26 uur in de [straatnaam B] ter hoogte van nummer [nummer 2] te Amsterdam geparkeerd stond. De parkeercontroleur meende dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan.

2.4.

De op 2 april 2015 gedateerde naheffingsaanslag is aan belanghebbende opgelegd nadat een parkeercontroleur constateerde dat de huurauto op 10 maart 2015 om 19:46 uur in de [ straatnaam A] ter hoogte van nummer [nummer 1] te Amsterdam geparkeerd stond. De parkeercontroleur meende dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was voldaan.

2.5.

Ten tijde van voornoemde constateringen beschikte belanghebbende over een parkeervergunning voor de auto met kenteken [kenteken 2] (hierna ook de auto) in het gebied waarin wel de [ straatnaam A] lag, maar niet de [straatnaam B] .

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

De ontvankelijkheid van het bezwaar inzake de op 11 maart 2015 opgelegde naheffingsaanslag is in hoger beroep geen onderwerp van geschil.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting van het Hof hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

4.1.

De rechtbank heeft het volgende overwogen:

“5. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto van eiseres op 23 februari, 4 en 10 maart 2015 geparkeerd stond op een plaats en tijdstip waarvoor parkeerbelasting verschuldigd was. Ook is niet in geschil dat eiseres de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan door middel van het in werking stellen van de parkeerapparatuur.

6. Eiseres heeft aangevoerd dat zij over een – voor de [ straatnaam A] geldige - parkeervergunning beschikt. Omdat haar auto – naar later is gebleken – ten onrechte in beslag was genomen heeft zij een auto moeten huren. Eiseres heeft op 23 februari 2015 geprobeerd haar parkeervergunning tijdelijk om te zetten maar Cition heeft ten onrechte geweigerd om de auto via een kentekenwijziging aan de vergunning te koppelen.

7. Nu eiseres heeft geparkeerd met een auto met een ander kenteken dan waarvoor de vergunning was afgegeven, en evenmin beschikte over een ander parkeerrecht, staat vast dat eiseres niet heeft voldaan aan de verplichting tot het voldoen van de verschuldigde parkeerbelasting. De omstandigheid dat eiseres de parkeervergunning niet heeft kunnen omzetten naar het kenteken van de gehuurde auto staat – ongeacht de reden daarvan – niet aan naheffing in de weg. De vraag of de omzetting van het kenteken nu wel of niet terecht is geweigerd is dus niet relevant. Eiseres had, om naheffing te voorkomen, ervoor moeten zorgdragen dat de voor de huur auto verschuldigde parkeerbelasting op andere wijze werd voldaan.

8. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij voor de desbetreffende parkeerplekken een dagkaart bij de parkeermeter heeft aangeschaft. Gelet op de taalkundige betekenis van het woord “dag” mocht zij ervan uitgaan dat deze dagkaart de gehele dag geldig was. Eiseres heeft er op gewezen dat de geldingsduur van een dagkaart per parkeergebied verschillend is en dat dit verwarring kan scheppen.

9. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een dagkaart slechts tot 19.00 uur geldig is, dat dit voor eiser duidelijk had kunnen zijn en dat het dan ook voor risico van eiseres komt dat zij niet het juiste parkeerrecht heeft aangeschaft.

10.1.

Op de beheerder van een parkeerautomaat rust de plicht om parkeerders voorafgaande aan het tijdstip van betalen deugdelijk te informeren over de belastingplicht ter plaatse en op welke wijze zij daaraan kunnen voldoen. Op de parkeerder rust de onderzoeksplicht zich voorafgaande aan het parkeren te vergewissen van de ter plaatse geldende belastingplicht en de wijze van voldoening daarvan.

10.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het voor eiseres duidelijk had kunnen zijn dat de aangeschafte dagkaart slechts tot 19:00 uur geldig was. In dit verband heeft verweerder erop gewezen dat de geldigheidsduur van een dagkaart wordt weergegeven in het keuzemenu op de display van de automaat waar het parkeerkaartje wordt aangeschaft, alsmede op het parkeerkaartje zelf. Eiseres heeft dit niet bestreden. Eiseres kon daarom zowel vóór als na aanschaf van de dagkaart op de hoogte zijn van de geldigheidsduur ervan. Het woord “dag” in “dagkaart” is niet uitsluitend synoniem met de door eiseres daaraan gegeven betekenis, maar kan – zoals in dit geval – ook een andere of beperktere betekenis hebben, waarover verweerder voldoende duidelijk informatie heeft verstrekt. Verweerder heeft dan ook voldaan aan zijn informatieplicht. Het is aan eiseres zelf te wijten dat zij ondanks deze informatie er niet van op de hoogte was dat een dagkaart na 19:00 uur niet meer geldig was. Dit dient dan ook voor haar risico te komen.

11. De door eiseres aangevoerde gronden slagen niet. Verweerder heeft de naheffingsaanslagen dan ook terecht opgelegd. Het voorgaande betekent dat de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond zijn. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het bezwaar tegen het primaire besluit 3 ongegrond verklaren.

12. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank bij die uitkomst geen aanleiding.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Ook in hoger beroep voert belanghebbende aan dat zij over een – voor de [ straatnaam A] geldige - parkeervergunning beschikte voor een auto met kenteken [kenteken 2] , welke auto -naar later is gebleken- ten onrechte door Justitie in beslag was genomen, zij dientengevolge de huurauto moest huren en dat Cition ten onrechte heeft geweigerd om de huurauto via een kentekenwijziging aan de vergunning te koppelen. Onder die omstandigheden zijn de naheffingsaanslagen volgens belanghebbende ten onrechte opgelegd, althans in ieder geval de naheffingsaanslagen welke zijn opgelegd terzake van het parkeren aan de [ straatnaam A] (voor dit gebied beschikte belanghebbende over voormelde parkeervergunning.

5.2.

In de Verordening Parkeerbelastingen 2015 van de Gemeente Amsterdam (hierna: Verordening Parkeerbelastingen) staat onder meer:

“Artikel 1 Parkeerbelastingen

Onder de naam van parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze [Hof: verder de A-belasting];

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze [Hof: verder de B-belasting]

Artikel 2 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

[…]

f. vergunning: een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren (parkeervergunning) zoals geregeld en beschreven in de Parkeerverordening 2013;

Artikel 3 Belastingplicht

1. De [A-belasting] wordt geheven van degene die het voertuig heeft geparkeerd.

2. Als degene die het voertuig heeft geparkeerd, wordt mede aangemerkt:

[…]

b.zolang geen voldoening van de [A-belasting] heeft plaatsgevonden: de houder van het voertuig,

[…]

4. De [B-belasting] wordt geheven van degene aan wie de vergunning is verleend. De belastingplicht van de [B-belasting], sluit de belastingplicht van de [A-belasting], uit voor de in de vergunning aangegeven wijze en plaats met uitzondering van gebieden waar en voor zover een parkeerduurbeperking geldt. Deze uitsluiting geldt uitsluitend ter zake van het kenteken waarvoor de vergunning is verleend.

Artikel 4 Tijdstip van het ontstaan van de belastingschuld

1. De [A-belasting] is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren.

2. De [B-belasting] is verschuldigd bij het verlenen van de vergunning.”

5.3.

De ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen geldende Parkeerverordening 2013 hield onder meer in:

“Artikel 1 Begripsomschrijvingen

[…]

ee. parkeervergunning: vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, waarvoor parkeerbelasting wordt geheven, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op een parkeerapparatuurplaats; […]

jj. vergunning: een parkeervergunning of een bijzondere vergunning als bedoeld in artikel 7;

mm. vergunninghouder: natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend; […]

Artikel 7 Soorten vergunningen

1. De op basis van deze verordening te verlenen parkeervergunningen betreffen uitsluitend:

a. de bewonersvergunning als bedoeld in artikel 9;

[…]

Paragraaf 2. Parkeervergunningen

Artikel 9 De bewonersvergunning

1. Het college kan een bewonersvergunning verlenen aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunninggebied, en een bewoner van die zelfstandige woning niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.

[…]

Artikel 36 Gegevens en voorschriften

1. Een vergunning bevat - voorzover van toepassing - in ieder geval de volgende gegevens:

a. de periode waarvoor de vergunning geldt;

b. het gebied waarvoor de vergunning geldt;

c. de tijden waarvoor de vergunning geldt;

d. het kenteken of de kentekens van het motorvoertuig of van de motorvoertuigen waarvoor de vergunning is verleend.

2. Aan een vergunning worden - voor zover van toepassing - in ieder geval de volgende voorschriften verbonden:

a. de vergunning is uitsluitend geldig voor het parkeren van het motorvoertuig waarvan het kenteken is vermeld op de vergunning of in het digitale parkeerbelastingbestand.

b. een parkeervergunning geldt voor het parkeren van één motorvoertuig op één parkeerapparatuurplaats.”

5.4.

Gelet op artikel 3 van de Verordening Parkeerbelastingen, de hiervoor genoemde artikelen in de Parkeerverordening 2013 en in aanmerking genomen het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997, nr. 32.834, ECLI:NL:HR:1997:AA3336 (gepubliceerd in BNB 1998/46), is het stelsel van de Verordening Parkeerbelastingen dat de A-belasting niet is verschuldigd indien wordt geparkeerd met een parkeervergunning. Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden is er geen sprake van parkeren met die vergunning. Uit het stelsel van de wet volgt dat in dat geval de belastingplichtige de A-belasting verschuldigd is.

5.5.

Eén van de voorschriften - zie hiervoor artikel 36, tweede lid, van de Parkeerverordening 2013 - is dat de parkeervergunning uitsluitend geldig is voor het parkeren van het motorvoertuig waarvan het kenteken is vermeld op de vergunning of in het digitale parkeerbelastingbestand. In het onderhavige geval betrof dit de auto met kenteken [kenteken 2] .

5.6.

Uit de feiten volgt dat belanghebbende (noch een ander) voor het op 23 februari, 4 en 10 maart 2015 aldaar parkeren van de huurauto (met kenteken [ kenteken 1] ) niet over een parkeervergunning beschikte. Gelet op rechtsoverweging 5.4 betekent dit dat belanghebbende voor het op genoemde data parkeren in de [straatnaam B] of de [ straatnaam A] van de huurauto de A-belasting verschuldigd was.

Vaststaat dat belanghebbende de voor het parkeren verschuldigde A-belasting niet op aangifte heeft voldaan.

5.7.

Belanghebbende verbindt aan hetgeen onder 5.1,– samengevat – is weergegeven de conclusie dat de naheffingsaanslagen, in ieder geval de naheffingsaanslagen welke zijn opgelegd terzake van het parkeren aan de [ straatnaam A] dienen te worden vernietigd.

Het Hof verwerpt belanghebbendes opvatting dat de naheffingsaanslagen vanwege de onder 5.1 vernoemde feiten en omstandigheden dienen te worden vernietigd. Door de heffingsambtenaar is in dit verband terecht opgemerkt dat, zoals op de (overgelegde kopie van de) site van Cition is vermeld, belanghebbende niet aan de voorwaarden voor (tijdelijke) omzetting van een parkeervergunning voldeed en dat deze voorwaarden voor belanghebbende kenbaar waren.

Naar het oordeel van het Hof komt de omstandigheid dat belanghebbende niet voldeed aan de voorwaarden voor het kunnen omzetten van de parkeervergunning naar het kenteken van de huurauto, voor haar rekening en risico en staat die omstandigheid niet aan naheffing in de weg.

5.8.

Voorts brengt belanghebbende, ook in hoger beroep, samengevat naar voren dat de geldende regels met betrekking tot verschuldigdheid van parkeerbelasting in het gebied waar zij wenste te parkeren onduidelijk zijn en voor meerdere interpretaties vatbaar. Zij wijst erop dat het begrip “dag” niet voor meerdere uitleg vatbaar is. Zij betoogt onder meer “ Een dag wordt volgens het SI-stelsel in het algemeen gelijkgesteld aan 86 400 seconden.(…) Een dag ligt vast, daaruit volgt dat een zonnejaar vastligt en daarmee de omwenteling van de aarde om de zon, dit is niet bij rechterlijke uitspraak te veranderen. (…) Hieruit volgt dat indien er op een parkeermeter gesteld wordt dat men een ‘dagkaart’ koopt men dus betaald voor 86.400 seconden”. Zij heeft, gelet op deze vaststaande betekenis van het begrip “dag” voor de desbetreffende parkeerplekken een zogenaamde dagkaart bij de parkeermeter aangeschaft. Zij ging er (gelet op de vaststaande betekenis van het begrip “dag’) dan ook vanuit dat deze dagkaart de gehele dag (in de visie van belanghebbende 86.400 seconden/24 uren) geldig was. Voorts heeft belanghebbende er nog op gewezen dat de kennelijk door de Gemeente voorgestane geldigheidsduur van een dagkaart per parkeergebied verschillend is en dat dit ook verwarring schept.

5.9.

De verplichting om parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaalde plaats en een bepaalde tijd en gedurende een maximale tijdsduur parkeren van een voertuig dient kenbaar te zijn gemaakt op zo een wijze, dat omtrent de verschuldigdheid van parkeerbelasting voor dat parkeren redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan. Van een weggebruiker mag worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelt van de geldende regels met betrekking tot verschuldigdheid van parkeerbelasting in het gebied waar hij wenst te parkeren.

5.10.

Uit de door belanghebbende overgelegde foto’s van een display van een (Amsterdamse) parkeerautomaat, in samenhang beschouwd met de door de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof overgelegde kopieën van foto’s van een display van een (Amsterdamse) parkeerautomaat en de daarbij gegeven toelichting, begrijpt het Hof dat een weggebruiker op een scherm van een display van een Amsterdamse parkeerautomaat (in ieder geval) eerst een scherm aantreft met tariefinformatie (€../uur) en een tijdsaanduiding wanneer (op welke weekdagen en voor welke tijdsspanne) sprake is van “betaald parkeren”. In een later scherm van de display kan, in ieder geval op de getoonde foto’s, een keuze gemaakt worden.

Belanghebbende heeft foto’s van een display van een parkeerautomaat ingebracht en onbetwist gesteld, (onder verwijzing naar de kopieën van foto’s) dat “foto’s 1,2 en 3 (..) betrekking [hebben] op de software van het Minervaplein”; waaruit het Hof begrijpt dat de foto’s het display van de parkeerautomaat op het Minervaplein betreffen. Uit de kopieën van foto’s volgt dat op het door belanghebbende bedoelde scherm eerst een keuze kan worden gemaakt voor een uurkaart dan wel voor een dagkaart. Indien gekozen is voor een dagkaart volgt een later (keuze)scherm waarop, voor zover van belang is vermeld:

“Dagkaart

Geldig voor 1 dag

09:00-19:00

09:00-21:00”

De parkeerder dient vervolgens een keuze te maken tussen voornoemde tijdsblokken, waarbij belanghebbende kennelijk op 23 februari, 4 en 10 maart 2015 voor het eerste tijdsblok (09:00 - 19.00) heeft gekozen.

Uit acht door belanghebbende overgelegde bewijzen van betaalde parkeerbelasting (waarop is vermeld “betaalbewijs voor uw eigen administratie”) blijkt dat de door belanghebbende - onder andere op 23 februari, 4 en 10 maart 2015 - aangeschafte dagkaarten bij een op of nabij de [ straatnaam A] (7x) of de [straatnaam B] (1x) opgestelde parkeerautomaat zijn aangeschaft. Op de door belanghebbende overgelegde betaalbewijzen is in alle gevallen vermeld “Betaald tot: (…) 19:00”.

5.11.

Niet in geschil is dat het display van de parkeerautomaat op of nabij de [straatnaam B] voldoende kenbaar maakt dat een ‘dagkaart’ slechts tot 19.00 uur geldig is. Het Hof is op grond van voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, van oordeel dat de heffingsambtenaar zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het voor belanghebbende ook met betrekking tot het parkeren op de [ straatnaam A] duidelijk had kunnen zijn dat de door haar aangeschafte dagkaarten slechts tot 19:00 uur geldig waren en dat na dit tijdstip in het desbetreffende gebied nog steeds sprake was van “betaald parkeren”. De geldigheidsduur van de aangeschafte dagkaart wordt - ook voor wat betreft de parkeerautomaat op of nabij de [ straatnaam A] - duidelijk weergegeven in het keuzemenu op de display van de automaat waar het parkeerkaartje wordt aangeschaft (alsmede overigens ook op het “betaalbewijs voor de eigen administratie”). Belanghebbende kon daarom zowel vóór als ten tijde van de aanschaf van de dagkaart op de hoogte zijn van de (beperkte) geldigheidsduur ervan.

Voorts is het woord “dag” in “dagkaart” niet uitsluitend synoniem met de door belanghebbende daaraan gegeven betekenis, zo kan bijvoorbeeld met “dag” ook de tijd tussen de zonsop- en zonsondergang worden aangeduid. Een andere of beperktere betekenis (dan door belanghebbende wordt voorgestaan) van het begrip “dag” is dan ook geenszins uitgesloten.

Het Hof is van oordeel dat, onder bovengenoemde feiten en omstandigheden, het voldoende duidelijk was wat de regels met betrekking tot verschuldigdheid van parkeerbelasting waren in het gebied waar belanghebbende op genoemde data en tijdstippen heeft geparkeerd. De gemeente Amsterdam heeft dan ook voldaan aan zijn informatieplicht. Het is aan belanghebbende zelf te wijten dat zij ondanks deze informatie er -kennelijk- niet van op de hoogte was dat een dagkaart na 19:00 uur niet meer geldig was.

Aan dit oordeel doet niet af dat belanghebbende mogelijk in verwarring is gebracht door de omstandigheid dat de regels met betrekking tot verschuldigdheid van parkeerbelasting in Amsterdam (kunnen) verschillen afhankelijk van het gebied waar geparkeerd wordt. Evenmin doet aan het oordeel af dat belanghebbende geen waarde hecht aan het vermelde op de betaalbewijzen. Het komt voor rekening en risico van belanghebbende als hij geen kennis neemt van de tekst op de betaalbewijzen. Daar komt bij dat, zoals uit het vorenoverwogene volgt, de tekst op deze betaalbewijzen niet dragend is voor de beslissing dat parkeerders voldoende zijn voorgelicht.

5.12.

Belanghebbendes standpunten dat de dagkaart die zij bij de parkeerautomaat op of nabij de [ straatnaam A] op 4 maart 2015 had aangeschaft ook geldig was voor het parkeren op de [straatnaam B] (na 19.00) omdat die dagkaart dezelfde prijs heeft als de dagkaart voor het parkeren op de [ straatnaam A] , alsmede dat -aldus belanghebbende - de onduidelijke tekst op het display van de parkeerautomaat op de [straatnaam C] ook van invloed is op verschuldigd zijn van parkeerbelasting op de [straatnaam B] , behoeft geen behandeling meer. Immers, die dagkaart gold - anders dan belanghebbende betoogt - niet voor het gebied waarin de [straatnaam B] ligt en het display van de parkeerautomaat aan de [ straatnaam A] is - zoals overwogen onder 5.11 - niet onduidelijk. Daar komt bij dat naar het oordeel van het Hof dit display overigens niet relevant is voor de kenbaarheid van de verschuldigde parkeerbelasting op de [straatnaam B] .

5.13.

Nu het belanghebbende redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn dat zij de A-belasting verschuldigd was en betaling daarvan ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslagen niet had plaatsgevonden, heeft de heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen terecht opgelegd.

Slotsom

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de hoger beroepen van belanghebbende ongegrond zijn. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten in verband met de behandeling van het hoger beroep op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. M.J. Leijdekker, voorzitter, P.F. Goes en

B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. S.K. Grando als griffier. De beslissing is op 28 februari 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.