Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:651

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
19-09-2017
Zaaknummer
200.186.023/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:3368.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.186.023/01

zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam : 4087886 CV EXPL 15-10330

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 28 februari 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant,

advocaat: mr. J. Bol te Amsterdam,

tegen:

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

wonend te [woonplaats 3] ,

3. SAINT KYROLES B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. E. Doornbos te Badhoevedorp.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde sub 1] , [geïntimeerde sub 2] en Saint Kyroles (geïntimeerden gezamenlijk ook: [geïntimeerden] ) genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 11 november 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 13 augustus 2015, gewezen tussen [appellant] als eiser en onder meer [geïntimeerden] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft bij memorie van grieven geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - geïntimeerden alsnog hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van een totaalbedrag van € 44.461,46 (onder meer bestaande uit een bedrag aan huurachterstand van € 15.268,61 en een restant koopsom van € 9.000,=), met beslissing over de proceskosten, met rente en met nakosten.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het bestreden vonnis, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.11 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Die feiten zijn de volgende.

2.1.1.

[appellant] en [X] (hierna: [X] ) hebben op 29 april 2005 een overeenkomst gesloten, waarbij [X] de goodwill en inventaris van [naam horecabedrijf] aan het [adres] (hierna: het horecabedrijf) heeft gekocht van [appellant] (hierna: de koopovereenkomst).

2.1.2.

De koopprijs bedroeg € 325.000,00, waarvan € 250.000,00 voor inventaris, € 57.000,00 voor goodwill en € 18.000,00 als rentevergoeding over het nog niet betaalde deel van de koopsom per datum overdracht. Bij overdracht op 30 april 2005 werd € 25.000,00 voldaan. Het resterende bedrag zou in maandelijkse termijnen van € 3.000,00 worden voldaan.

2.1.3.

[appellant] huurde de bedrijfsruimte aan bovengenoemd adres van CBRE Global Investors (NL) B.V. (hierna: CBRE). De horecaruimte aan genoemd adres werd door [X] in (onder)huur genomen van [appellant] , tot het moment waarop de huurovereenkomst op naam van [X] zou komen.

2.1.4.

Op 1 juli 2013 heeft de Gemeente Amsterdam de panden [adres] gesloten, nadat er drugs en wapens waren aangetroffen.

2.1.5.

[appellant] heeft [X] bij brieven van 6 juni 2013 en van 16 december 2013 in gebreke gesteld ter zake van achterstallige betalingen met betrekking tot de koopsom en de huurtermijnen en gewezen op bijkomende rente en kosten.

2.1.6.

[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben in december 2013 aan [X] laten weten dat zij geïnteresseerd waren in overname van het horecabedrijf.

2.1.7.

Mr. Klokkers, optredend namens [appellant] , heeft op 3 januari 2014 een overeenkomst gesloten met [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] (hierna: de overeenkomst), met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

Vaststellingsovereenkomst .

(…)

Partijen nemen in aanmerking dat:

A. kopers [hof: bedoeld zijn hier [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ] de horecabedrijven gelegen aan het [adres] wensen te kopen van (…) [X] , waarbij (…) [appellant] (…) zijn medewerking zal verlenen om de bestaande huurovereenkomst(en) over te dragen aan kopers, dan wel mede te werken aan het door kopers verkrijgen van nieuwe op naam van kopers gestelde huurovereenkomst(en) van voren genoemde horecaruimten, op de voorwaarde dat alle schulden die [X] voornoemd heeft aan [appellant] zal hebben voldaan uit de door kopers te betalen koopsom, welke kopers op de derdengeldrekening van mr. Klokkers zullen overmaken op het moment dat zij de (restant) koopsom dienen te betalen.

B. Kopers ten behoeve van [X] nu reeds een deel van de overeengekomen koopprijs als waarborg zullen storten op de derdengeldrekening van mr. Klokkers en dit onder de navolgende voorwaarden en bedingen.

1. Hoogte waarborgsom

Kopers zullen een bedrag van € 25.000,00 op de derdengeldrekening (…) storten. (…)

2. Titel van betaling

De waarborgsom strekt ertoe om te worden verrekend met de door kopers aan [X] voornoemd te betalen koopprijs. Indien de verkoop daadwerkelijk zal zijn gerealiseerd wordt de waarborgsom verrekend met de kooprijs en hetgeen [appellant] nog toekomt uit hoofde van de schulden die [X] voornoemd aan [appellant] heeft. (…)

2.1.8.

[geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben op 6 januari 2014 een bedrag van € 25.000,00 doen overmaken op de rekening van de Stichting Beheer Derdengelden van het advocatenkantoor waaraan mr. Klokkers is verbonden.

2.1.9.

[geïntimeerde sub 1] heeft de besloten vennootschap Saint Kyroles opgericht. Saint Kyroles heeft op 26 februari 2014 € 20.000,00 aan de verhuurder CBRE betaald, bedoeld ter afbetaling van de huurschuld van [X] over de maanden december 2013 en januari 2014.

2.1.10.

Saint Kyroles heeft op 17 april 2014 met CBRE een huurovereenkomst voor vijf jaar gesloten voor de bedrijfsruimte aan het [adres] , met als ingangsdatum 21 april 2014. [appellant] heeft de huurovereenkomst met CBRE per 25 april 2014 beëindigd.

2.1.11.

Het horecabedrijf is inmiddels weer doorverkocht aan andere ondernemers.

3 Beoordeling

3.1

In eerste aanleg heeft [appellant] gevorderd dat [X] en [geïntimeerden] worden veroordeeld tot betaling van

a. € 15.268,61 huurachterstand t/m april 2014;

b. € 3.768,20 rente CBRE;

c. € 9.144,25 incassokosten CBRE;

d. € 9.000,00 restant koopsom;

e. € 1.809,67 rente en kosten achterstand koopsom;

f. € 750,20 kosten kredietonderzoek CBRE (2x);

g. € 822,80 kosten onderzoek WPM;

h. € 1.361,27 kosten i.v.m. sluiting door burgemeester;

i. € 2.536,46 buitengerechtelijke kosten;

j. € 1.527,53 wettelijke rente vanaf 25-4-14/23-09-2014;

k. p.m. wettelijke rente vanaf 24 september 2014;

l. proceskosten en nasalaris.

3.2

[X] is in eerste aanleg niet verschenen. De vorderingen tegen hem zijn volledig toegewezen, met uitzondering van de buitengerechtelijke incassokosten, die zijn herberekend aan de hand van de daarvoor geldende wettelijke staffel.

3.3

De kantonrechter heeft de vorderingen tegen [geïntimeerden] afgewezen. Daartoe heeft zij, onder meer, overwogen dat uit de overeenkomst niet de gevolgtrekking kan worden gemaakt dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zich daarin hebben verplicht alle schulden van [X] aan [appellant] te voldoen. Uiteindelijk is de koopovereenkomst met betrekking tot het horecabedrijf niet gesloten door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] , maar door Saint Kyroles. [appellant] heeft onverplicht de huurovereenkomst beëindigd ten gunste van Saint Kyroles, maar dat leidt er niet toe dat een verplichting is ontstaan voor [geïntimeerden] om de voor [X] bedoelde koopprijs aan [appellant] te voldoen. Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.4

Nu [appellant] zijn vorderingen heeft gegrond op toerekenbaar tekortschieten dan wel onrechtmatig handelen, is voor de beoordeling van wezenlijk belang wie uiteindelijk het horecabedrijf heeft gekocht: [appellant] wederpartijen bij de overeenkomst of een derde. Daarom zal het hof eerst grief 3 bespreken; daarmee richt [appellant] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat Saint Kyroles de koper van het horecabedrijf is geweest.

3.5

Het hof constateert dat in het bestreden vonnis onder r.o. 4 onder het kopje “verweer” is vermeld dat Saint Kyroles de koopovereenkomst met [X] heeft gesloten. In r.o. 11 van het bestreden vonnis overweegt de kantonrechter vervolgens dat de koopovereenkomst met betrekking tot het horecabedrijf uiteindelijk niet door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] , maar door Saint Kyroles is gesloten. [appellant] heeft met zijn grief, blijkens de toelichting daarop, alleen aangevoerd dat er geen bewijs is geleverd dat het horecabedrijf door Saint Kyroles is gekocht. De kantonrechter mocht echter zonder bewijslevering ervan uitgaan dat Saint Kyroles koper was, indien [appellant] dat verweer niet dan wel onvoldoende heeft betwist. Nu [appellant] over zijn betwisting in eerste aanleg niets heeft aangevoerd, concludeert het hof dat [appellant] onvoldoende heeft betwist dat Saint Kyroles koper was. Reeds daarom faalt de grief. [appellant] heeft niet voldoende concreet gesteld en toegelicht dat [geïntimeerde sub 1] en/of [geïntimeerde sub 2] het horecabedrijf hebben gekocht, terwijl dat (zeker in hoger beroep) op zijn weg lag, gezien zijn stelling dat zij zijn tekortgeschoten in hun verplichtingen op grond van de overeenkomst en gezien het hiervoor genoemde verweer van [geïntimeerden]

3.6

Het voorgaande leidt ertoe dat ook in hoger beroep als vaststaand moet worden aangenomen dat Saint Kyroles de koper van het horecabedrijf was, niet [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] . De tegen laatstgenoemden gerichte vorderingen van [appellant] zijn, voor zover gebaseerd op de grondslag dat zij toerekenbaar zijn tekortgeschoten in hun verplichtingen als kopers uit de overeenkomst, daarom niet voor toewijzing vatbaar. Saint-Kyroles was op haar beurt geen partij bij de overeenkomst en daarom is een op toerekenbaar tekortschieten gebaseerde vordering van [appellant] jegens Saint Kyroles evenmin toewijsbaar.

3.7

Volgens [appellant] heeft Saint Kyroles onrechtmatig jegens hem gehandeld door te profiteren van de wanprestatie van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] , maar dat betoog strandt, reeds omdat niet kan worden vastgesteld dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] wanprestatie hebben gepleegd.

3.8

Met grief 4 heeft [appellant] aangevoerd dat [geïntimeerden] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door het horecabedrijf van [X] te kopen terwijl zij wisten dat [X] daarvan toen geen eigenaar (meer) was. De (huur)koopovereenkomst op grond waarvan [X] de eigendom had verworven, was immers per (ultimo) 25 december 2013 ontbonden. [geïntimeerden] hebben dit betoog gemotiveerd bestreden. Nu [appellant] niet voldoende gespecificeerd heeft aangeboden zijn stelling te bewijzen, zal het hof dat bewijsaanbod passeren.

3.9

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat vorderingen van [appellant] tegen [geïntimeerde sub 1] en tegen [geïntimeerde sub 2] moeten worden afgewezen.

3.10

[appellant] heeft met grief 3 nog betoogd dat Saint Kyroles onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de koop met [X] te sluiten in de wetenschap, dat daarmee de overeenkomst werd omzeild en [appellant] daardoor ernstig zou worden benadeeld. Uit de toelichting op de grief leidt het hof af dat [appellant] betoogt dat de wetenschap van Saint Kyroles’ toenmalige oprichter en enig aandeelhouder, [geïntimeerde sub 1] , aan Saint Kyroles moet worden toegerekend.

3.11

Toerekening van wetenschap van een natuurlijke persoon aan een onderneming vindt plaats indien de wetenschap in het maatschappelijk verkeer als wetenschap van de rechtspersoon geldt. In dat verband is van belang dat [geïntimeerde sub 1] ten tijde van de koop door Saint Kyroles enig bestuurder en aandeelhouder van die vennootschap was en dat [geïntimeerde sub 1] Saint Kyroles specifiek had opgericht om het horecabedrijf te exploiteren alsmede de huurovereenkomst aan te gaan voor de bedrijfsruimte waarin het horecabedrijf werd gevestigd. Dat brengt naar het oordeel van het hof mee dat de wetenschap die [geïntimeerde sub 1] had met betrekking tot de overeenkomst en de verplichtingen die daaruit voor hem voortvloeiden, als wetenschap van Saint Kyroles heeft te gelden.

3.12

Voor het antwoord op de vraag of door het sluiten van de koop door Saint Kyroles met [X] de overeenkomst werd omzeild, moet de strekking van de overeenkomst worden beoordeeld. Met grief 2 voert [appellant] aan dat de kantonrechter de overeenkomst onjuist heeft uitgelegd, omdat daaruit volgens hem volgt dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde sub 1] uit de te betalen koopsom de schuld van [X] zou dienen te voldoen.

3.13

Bij de uitleg van de overeenkomst hanteert het hof de zogenoemde Haviltexmaatstaf. Volgens deze maatstaf dient uitleg niet plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin de overeenkomst is gesteld (alhoewel die taalkundige betekenis vaak wel van groot belang is), maar komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn de omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van beslissende betekenis.

3.14

Bij beoordeling van de strekking van de overeenkomst is allereerst van belang dat deze niet is gesloten tussen de verkoper en de kopers van het horecabedrijf, maar tussen mr. Klokkers, de (toenmalige) advocaat van de schuldeiser van (verkoper) [X] , en de kopers. Dat duidt erop dat de overeenkomst een belang van de schuldeiser, [appellant] , beoogde te dienen.

3.15

Met betrekking tot de tekst van de overeenkomst wijst het hof erop dat in de considerans (onder A) staat vermeld dat [appellant] zijn medewerking zal verlenen de bestaande huurovereenkomsten over te dragen aan kopers “op de voorwaarde dat alle schulden die [X] voornoemd heeft aan [appellant] zal hebben voldaan uit de door kopers te betalen koopsom, welke kopers op de derdengeldrekening van mr. Klokkers zullen overmaken op het moment dat zij de (restant) koopsom dienen te betalen. [cursivering hof]. Onder B van de considerans staat vermeld dat kopers nu reeds een deel van de overeengekomen koopprijs op genoemde derdengeldrekening als waarborg zullen storten. Artikel 1 van de overeenkomst bepaalt, ten slotte, dat de kopers als waarborgsom € 25.000,00 op de derdengeldrekening zullen storten, welke som, aldus artikel 2, moet worden verrekend “met de door kopers aan [X] (…) te betalen koopprijs.” Met betrekking tot die verrekening vervolgt artikel 2 met de bepaling dat die verrekening plaatsvindt met “de koopprijs en hetgeen [appellant] nog toekomt uit hoofde van de schulden die [X] voornoemd aan [appellant] heeft”[cursivering hof].

3.16

Uit deze overwegingen en bepalingen, in onderlinge samenhang beschouwd, leidt het hof af dat tussen [appellant] enerzijds en [geïntimeerde sub 1] anderzijds is afgesproken dat indien de koop door zou gaan, de koopprijs zou worden betaald door storting op de derdengeldrekening van mr. Klokkers. In verband met de beoogde koop werd door de kopers eerst een waarborgsom van € 25.000,= betaald, die eveneens moest worden gestort op die derdengeldrekening en later zou worden verrekend met (o.a.) [appellant] vordering op [X] . De verklaring voor deze gang van zaken ligt in het feit dat [X] schulden had aan [appellant] en dat [appellant] bereid was eraan mee te werken dat [geïntimeerde sub 1] in zijn plaats huurder zou worden, op voorwaarde dat die schulden zouden worden voldaan.

3.17

[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn stelling in eerste aanleg een verklaring overgelegd van J. Jagesar d.d. 23 juni 2014. Volgens [appellant] was Jagesar bij het sluiten van de overeenkomst op het kantoor van mr. Klokkers op 3 januari 2014 aanwezig in hoedanigheid van adviseur van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] . Jagesar verklaart daarover onder meer:

“Mr. Klokkers heeft bij die bespreking uiteen gezet dat zijn cliënt zeker bereid was om de kopers in zijn plaats te laten huren. Dit wel op voorwaarde dat de kopers van de te betalen koopsom de inmiddels fors opgelopen (onder)huurschuld en huurkoop-aflossingstermijnen die de verkoper aan de heer [appellant] verschuldigd was zouden voldoen. De heer klokkers gaf aan dat het om een bedrag van om en nabij de zestigduizend euro zou gaan. De heren [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zijn daarmee akkoord gegaan.

Ter plekke is een vaststellingsovereenkomst opgesteld waarbij de heren [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zich verplichtten alle schulden die [X] aan [appellant] zou hebben op het moment dat de koopsom moest worden betaald uit die kooppenningen te zullen voldoen aan [appellant] door overmaking daarvan op de derdengeldrekening van mr. Klokkers. Verder is in die vaststellingsovereenkomst vastgelegd dat kopers bij wijze van voorschot een bedrag van € 25.000,= zouden overmaken op de derdengeldrekening van mr. Klokkers. Kopers hebben dit ook daadwerkelijk gedaan.”

3.18

[geïntimeerden] hebben deze lezing betwist en aangevoerd, dat zij zich met de overeenkomst slechts hebben verplicht om een bedrag van € 25.000,00 te betalen, aan welke verplichting zij hebben voldaan. Zij hebben hun verweer onderbouwd door verwijzing naar schriftelijke verklaringen van [geïntimeerde sub 2] alsmede van [A] , volgens [geïntimeerden] een kennis van alle partijen die ook bij de bespreking op 3 januari 2014 aanwezig was. Jagesar is volgens hen een zeer onbetrouwbare getuige. Nu de verklaringen van [A] en [geïntimeerde sub 2] identiek zijn, en geen toelichting geven op de onder 3.15 gecursiveerd weergegeven passages uit de overeenkomst, acht het hof de uitleg van [appellant] daarmee niet voldoende bestreden. Hetgeen [geïntimeerden] over Jagesar hebben beweerd geeft geen aanleiding aan de juistheid van diens verklaring te twijfelen. Daarom acht het hof voorshands bewezen dat de uitleg van [appellant] de juiste is. Die uitleg brengt mee dat de overeenkomst [geïntimeerde sub 1] ertoe verplichtte uit de te betalen koopsom voor het horecabedrijf de schuld van [X] aan [appellant] te voldoen. Nu [geïntimeerden] bewijs hebben aangeboden, zal het hof hen toelaten tegenbewijs tegen deze uitleg te leveren. Indien zij in dat tegenbewijs niet slagen staat vast, dat [geïntimeerde sub 1] wist dat [appellant] zou worden benadeeld indien de koopovereenkomst niet door [geïntimeerde sub 1] maar door Saint Kyroles zou worden aangegaan. In dat geval is, zoals [appellant] ook aanvoerde, de overeenkomst omzeild door Saint Kyroles er “tussen te schuiven”. Die wetenschap van [geïntimeerde sub 1] wordt als wetenschap van Saint Kyroles aangemerkt, zodat Saint Kyroles alsdan onrechtmatig tegenover [appellant] heeft gehandeld door niettemin de koopovereenkomst met [X] te sluiten en uit de koopprijs niet de schulden van [X] aan [appellant] te voldoen.

3.19

Het hof zal een raadsheer-commissaris benoemen en een plaats en tijd bepalen voor getuigenverhoor.

3.20

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

laat Saint Kyroles toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen uitleg van de overeenkomst, te weten dat [geïntimeerde sub 1] uit de te betalen koopsom voor het horecabedrijf de schuld van [X] aan [appellant] zou voldoen;

beveelt dat, indien Saint Kyroles getuigen willen doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. C.C. Meijer, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen datum en tijdstip;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerden] bij mededeling op de rol van 14 maart 2017 de verhinderdata van alle betrokkenen (de getuigen, partijen en hun raadslieden) in de periode van april tot en met juni 2017 aan het hof dient mee te delen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.C. Meijer, J.C.W. Rang en D.J. van der Kwaak en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.