Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:634

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
200.197.429/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht, uitsluitingsclausule, bewijskracht notariële akte.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2017:3818.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0082
ERF-Updates.nl 2017-0062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 28 februari 2017

Zaaknummer: 200.197.429/ 01

Zaaknummers eerste aanleg: C/13/585841 / FA RK 15-2975 (echtscheiding) en

C/13/599983 / FA RK 15-9388 (verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap)

In de zaak in hoger beroep van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats a] ,

appellante,

advocaat: mr. M.C. Rosier te Amsterdam,

tegen:

[de man] ,

wonende te [woonplaats b] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. Y. Welter te Purmerend.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 17 augustus 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 18 mei 2016 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/585841 / FA RK 15-2975 en C/13/599983 / FA RK 15-9388.

1.3.

De man heeft op 7 november 2016 een verweerschrift ingediend.

1.4.

Bij het hof is voorts op 12 januari 2017 ingekomen een akte overlegging producties met een bijlage. De akte houdt een reactie van de vrouw in op het verweer van de man. Het hof heeft de akte teruggestuurd en de bijlage behouden.

1.5.

De zaak is op 26 januari 2017 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 Feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2012 in gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2.

De vrouw en de man hebben tezamen het navolgende minderjarige kind:

[de minderjarige] , geboren te Amsterdam [in] 2010.

2.3.

Bij de hierbij gedeeltelijk bestreden beschikking van 18 mei 2016 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 5 juli 2016 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand, zodat het huwelijk per die datum is ontbonden.

2.2.

De tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap is ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, op 4 mei 2015.

2.3.

In het dossier bevindt zich een op 6 februari 2015 gepasseerde notariële akte “bekrachtiging schenking” met – voor zover van belang – de volgende inhoud:

“De schenkers (hof: de ouders van de vrouw) bekrachtigen door ondertekening van deze akte dat:

- zij onder verwijzing naar het destijds geldende artikel 33a van de Successiewet 1956 op éénendertig oktober 2013 hebben geschonken aan hun dochter, de begiftigdehof: de vrouw), een geldsom ten bedrage van achtentwintigduizend euro (€ 28.000,00), welk bedrag overeenkomstig de vereisten van artikel 33a van de Successiewet 1956 is besteed ten behoeve van de aflossing van een eigenwoningschuld als bedoeld in artikel 3.119a van de Wet Inkomstenbelasting 2001, te weten;

  • -

    zij zijn overeengekomen dat de schenking herroepbaar is;

  • -

    zij zijn overeengekomen dat het geschonkene alsmede de vruchten en inkomsten daarvan alsmede hetgeen voor het één en ander door wederbelegging in de plaats treedt, niet zal behoren tot enige gemeenschap van goederen ten gevolge van huwelijk of geregistreerd partnerschap en voorts dat die verkrijgingen, ingeval van een deelgenootschap of verrekeningbeding zullen moeten worden aangemerkt als blijvend privévermogen, dat tot generlei verrekening aanleiding kan geven;

  • -

    zij zijn overeengekomen dat de begiftigde niet is vrijgesteld van de verplichting tot inbreng in de nalatenschap van de schenkers.

Tot slot verklaarde de begiftigde ( hof: de vrouw) te bekrachtigen dat zij de blijkens het vorenstaande gedane schenking onder de gemaakte bepalingen heeft aangenomen.”

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van de vrouw te bepalen dat zij een vordering van € 28.000,- heeft op de gemeenschap, althans voor de helft op het privévermogen van de man in verband met een schenking onder uitsluiting afgewezen.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, haar inleidend verzoek met betrekking tot de schenking alsnog toe te wijzen, waarbij de man wordt veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 14.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, ter compensatie voor de vrouw op grond van de schenking, met veroordeling van de man in de kosten van het geding in beide instanties.

3.3.

De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel het verzoek van de vrouw af te wijzen, kosten rechtens.

4 Beoordeling

4.1.

Het gaat in dit geding om de volgende kwestie. Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Op 31 oktober 2013 hebben de ouders van de vrouw een schenking gedaan van € 28.000,-. Volgens de vrouw is de schenking aan haar gedaan en zijn daaraan voorwaarden, waaronder een uitsluitingsclausule verbonden. Het geschonken bedrag valt volgens haar dan ook niet in de gemeenschap. De man dient nog € 14.000,- aan haar te voldoen, omdat de gemeenschap al is verdeeld.

De man stelt zich daarentegen op het standpunt dat de schenking - via overmaking op het rekeningnummer van de hypotheekverstrekker ten behoeve van de inlossing van de hypothecaire geldlening - aan hen beiden is gedaan en dat de voorwaarden, waaronder de uitsluitingsclausule, eerst achteraf zijn opgesteld en niet bij de gift zijn bedongen, zoals had gemoeten.

4.2.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat de schenking van € 28.000,- in de gemeenschap van goederen van partijen valt en dat de vrouw daarvoor geen vergoedingsrecht heeft. De rechtbank heeft daartoe overwogen, dat uit de bepaling van artikel 1:94 lid 2 BW volgt dat een uitsluitingsclausule niet meer na het doen van de gift kan worden bedongen en dat de vrouw er ongeacht de nadien opgemaakte notariële akte bekrachtiging schenking niet in is geslaagd aan te tonen dat haar ouders voorafgaand bij deze schenking hebben bedongen dat deze onder de uitsluitingsclausule plaatsvond.

4.3.

De vrouw kan zich niet met dit oordeel verenigen en richt zich tegen deze overwegingen van de rechtbank. De vrouw betoogt dat de vrouw en haar ouders, de partijen bij de schenking, bij notariële akte van 6 februari 2015 hebben bekrachtigd dat de in de akte genoemde voorwaarden bij de schenking zijn gesteld. De akte bewijst volgens haar dus juist dat de schenking is gedaan onder de uitsluitingsclausule en de overige voorwaarden.

4.4.

Het hof stelt voorop dat op de voet van artikel 1:94 lid 2 aanhef en onder a Burgerlijk Wetboek (BW) van de gemeenschap van goederen zijn uitgezonderd goederen ten aanzien waarvan bij de gift is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen. Daarbij is van belang dat uit de woorden “bij de gift” blijkt, dat de schenker die een uitsluitingsclausule wil maken dit dient te doen op het moment waarop de gift tot stand komt. Vaststaat dat de schenking bestond uit een overmaking op het rekeningnummer van de hypotheekverstrekker ten behoeve van de inlossing van de hypothecaire geldlening ten laste van beide partijen, zodat het moment van overmaking bepalend is voor het oordeel of aan de voorwaarde is voldaan. Verder is van belang dat de uitsluitingsclausule die aan de gift is verbonden, dient te voldoen aan het vormvoorschrift dat voor de desbetreffende gift geldt. Nu de overmaking in rekening courant aan een derde een materiële bevoordeling en om die reden een gift behelst waaraan geen vormvereisten zijn gesteld, gelden voor de uitsluitingsclausule ook geen vormvereisten. De vrouw kan dan ook door alle middelen bewijs leveren van haar stelling.

Anders dan de vrouw meent, levert de notariële akte bekrachtiging schenking geen dwingend bewijs op jegens de man voor haar stelling dat de voorwaarden waaronder de uitsluitingsclausule reeds ten tijde van de gift zijn bedongen. De notariële akte is een authentieke akte waarvan de bewijskracht is geregeld in artikel 157 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In lid 2 van dit artikel is bepaald dat partijverklaringen in een authentieke akte slechts dwingend bewijs opleveren tussen de partijen die bij die akte verklaringen hebben afgelegd en niet ook jegens niet daarbij betrokken derden, zoals de man. Om die reden is - anders dan de vrouw meent - de rechter niet gehouden (behoudens tegenbewijs) uit te gaan van de juistheid en de waarheid van hetgeen de vrouw en de ouders hebben verklaard. De notariële akte levert ten opzichte van de man vrije bewijskracht op. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vrouw met de achteraf op 6 februari 2015 in de notariële akte weergegeven verklaringen van de vrouw en haar ouders gelet op de gemotiveerde betwisting door de man niet heeft aangetoond dat de schenking destijds op 31 oktober 2013 onder de gestelde voorwaarden waaronder de uitsluitingsclausule is gedaan.

4.5.

De vrouw heeft bewijs aangeboden van haar stelling dat de voorwaarden reeds bij de schenking zijn gesteld door middel van het horen van getuigen, te weten haar vader, haar moeder en de vrouw zelf. Het hof zal de vrouw daartoe in de gelegenheid stellen als volgt.

4.6.

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4 Beslissing

Het hof:

laat de vrouw toe tot het bewijs van haar stelling dat de voorwaarden reeds bij de schenking zijn gesteld;

beveelt dat, indien de vrouw getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. C.M.J. Peters, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat de vrouw het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven bij brief aan de griffie uiterlijk op 14 maart 2017, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat de vrouw overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

houdt verder iedere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Kleene-Eijk, C.M.J. Peters en M.C. Schenkeveld en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.