Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:626

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
23-000911-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

dodelijk schietincident. noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000911-16

Datum uitspraak: 3 maart 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-684076-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 11 februari 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, althans een vuurwapen, een of meerdere kogels in de hals en/of de borst en/of (de linkerzijde van) de romp, in elk geval in het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


2:
hij op of omstreeks 11 februari 2015 te Amsterdam en/of Purmerend, in elk geval in Nederland,

- een vuurwapen van categorie III onder 1, te weten een pistool en/of een geweer en/of een revolver en/of,

- ( bijbehorende) munitie van categorie III, te weten een of meer patro(o)n(en) (fabrikant [bedrijf], 7.65 mm) en/of,

- een of meer vuurwapens van categorie III onder 4, te weten een start-/alarmpistool (merk BBM) en/of,

- ( bijbehorende) munitie van categorie III, te weten tien patronen (8mm knall) en/of,

- een wapen van categorie II onder 4/5, te weten een stroomstootwapen in de vorm van een zaklantaarn (merk KAMA), voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;

3:
hij op of omstreeks 11 februari 2015 te Amsterdam en/of Purmerend, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie I, onder 3°, te weten een boksbeugel voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Partiële vrijspraak feit 1

Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat geen sprake is van voorbedachte raad bij de verdachte, nu niet is bewezen dat aan de daarop van toepassing zijnde criteria is voldaan. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van moord.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 11 februari 2015 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft de verdachte met dat opzet met een pistool meerdere kogels in de hals en de borst en de romp van voornoemde [slachtoffer] geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;


2:
hij op 11 februari 2015 te Amsterdam en/of Purmerend

- een vuurwapen van categorie III onder 1, te weten een pistool en

- bijbehorende munitie van categorie III, te weten patronen (fabrikant [bedrijf], 7.65 mm) en

- een vuurwapen van categorie III onder 4, te weten een start-/alarmpistool (merk BBM) en

- bijbehorende munitie van categorie III, te weten tien patronen (8mm knall) en,

- een wapen van categorie II onder 4/5, te weten een stroomstootwapen in de vorm van een zaklantaarn (merk KAMA), voorhanden heeft gehad;

3:
hij op 11 februari 2015 te Purmerend een wapen van categorie I, onder 3°, te weten een boksbeugel voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ten aanzien van feit 1

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van feit 1 geen beroep op noodweer toekomt omdat [slachtoffer] geen vuurwapen bij zich had en de verdachte wel. Subsidiair, voor zover [slachtoffer] wel een vuurwapen bij zich had, kan een beroep op noodweer niet slagen omdat de verdachte dat wapen op enig moment tijdens de worsteling heeft afgepakt zodat het toen niet proportioneel meer was zich te verdedigen door het wapen te gebruiken.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft in hoger beroep gesteld dat de verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij op 11 februari 2015 heeft gehandeld uit noodweer(exces).

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat, kort gezegd, [slachtoffer] de verdachte heeft aangevallen in een zeer kleine ruimte met een vuurwapen in zijn handen. Hierna is tussen de verdachte en [slachtoffer] een worsteling om het vuurwapen ontstaan. Tijdens de worsteling heeft de verdachte het wapen te pakken gekregen en was het gerechtvaardigd te schieten om aan verdere aanranding, waardoor zijn leven gevaar liep, te ontkomen.

Oordeel hof

Het forensisch technisch onderzoek heeft niet geleid tot een eenduidige conclusie omtrent de feitelijke toedracht, zodat het hof zijn oordeel met name heeft te baseren op de verklaringen van de bij het incident betrokken personen in combinatie met het ter plaatse aangetroffen forensisch bewijs in de vorm van de verwondingen van [slachtoffer] en van de getuige [getuige 1], de kogels, hulzen en beschadigingen van de muren en vloer. Het hof stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat dat de verdachte een wapen bij zich had toen hij op 11 februari 2015 in de woning op de [adres 2] te Amsterdam was.

Het hof gaat hierna, bij het vaststellen van de feiten en omstandigheden, uit van de lezing van de gebeurtenissen zoals vanaf het begin in essentie consistent geschetst door de verdachte. Zijn verklaringen worden op onderdelen ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 2], [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 4]. De onderdelen van de verklaring van de verdachte die in de genoemde verklaringen geen ondersteuning vinden, kunnen op grond van hetgeen zich verder in het dossier bevindt evenmin als onaannemelijk terzijde worden geschoven.

Feitelijke toedracht

Op 11 februari 2015 brengt [slachtoffer] na een middag in de bioscoop de kinderen terug naar hun moeder, zijn ex-vrouw [getuige 2], in de woning op de [adres 2] te Amsterdam. In deze woning, gelegen op de eerste verdieping, bevinden zich ook de verdachte (die de broer is van [getuige 2]), [getuige 1] en [getuige 3], twee zwagers van de verdachte. [slachtoffer] belt aan en [getuige 2] komt via het gemeenschappelijke trappenhuis naar beneden. De kinderen gaan de woning binnen. Op de begane grond raken [slachtoffer] en [getuige 2] met elkaar in een discussie die op een zeker moment escaleert: beiden spreken met stemverheffing. De verdachte, die zich in de hal van de woning bevindt, hoort dit en komt ook via het gemeenschappelijk trappenhuis naar beneden om tussenbeide te komen, zoals eerder binnen de familie was afgesproken – er speelden al langer problemen tussen beide ex-echtelieden. De verdachte blijft staan op het vrij krappe plateau halverwege de eerste verdieping en de begane grond, achter [getuige 2] die op één van de onderste treden van de trap staat. [slachtoffer] staat onderaan de trap tegenover haar. Zodra [slachtoffer] de verdachte op het tussenplateau ziet, rent hij langs [getuige 2] via de trap omhoog, op de verdachte af met een wapen in zijn hand. Op het plateau ontstaat een worsteling tussen de verdachte en [slachtoffer] om het wapen, waarbij beiden op enig moment het evenwicht verliezen, maar ook weer overeind komen. De verdachte pakt het wapen af en de worsteling gaat door als [slachtoffer] probeert het wapen terug te pakken. De verdachte vuurt vervolgens tijdens die worsteling zeer kort na elkaar vier schoten af die [slachtoffer] in zijn romp, arm en hals raken. Eén van de kogels schampt langs het onderbeen van [getuige 1], die ook het trappenhuis is ingelopen en een deel van de worsteling heeft gezien. [slachtoffer] overlijdt ter plaatse aan zijn verwondingen. De verdachte blijkt dan uit het gebouw vertrokken en het wapen is tot op heden niet aangetroffen.

Het hof stelt vast dat de verdachte schoten heeft afgevuurd en dat het wapen voorafgaand aan het eerste schot dus doorgeladen moet zijn geweest. Door wie en wanneer het wapen is doorgeladen kan echter niet worden vastgesteld. Aan de verklaringen van [getuige 1], dat hij het ‘doorladen’ heeft gehoord terwijl hij de handen van [slachtoffer] op het lichaam van de verdachte zag, kan in dit kader geen beslissende betekenis worden toegekend. De andere aanwezige, [getuige 2], verklaart geen geluiden te hebben gehoord die op doorladen wijzen en de verdachte ontkent het wapen te hebben doorgeladen. [getuige 1] heeft voorts zijn verklaring in een later stadium bij zijn verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris afgezwakt, in die zin dat hij zich afvraagt of hij bij het interpreteren van zijn waarnemingen niet heeft ingevuld wat hij dacht gehoord te moeten hebben.

Noodweer

Voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat aannemelijk is geworden dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast dient de wijze van verdediging tegen deze aanranding noodzakelijk en geboden te zijn.

Subsidiariteit en proportionaliteit

Vorenstaande door [slachtoffer] geïnitieerde handelingen zijn aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte. Dat [slachtoffer] de verdachte aanviel, leidt het hof mede – naast de verklaringen van de verdachte en [getuige 2] – af uit de positie waar het gevecht zich heeft afgespeeld. De verdachte stond op het plateau tussen de twee helften van de trap, [slachtoffer] uitgangspositie was onderaan de onderste helft van de trap. Hij heeft zich dus in de richting van de verdachte bewogen en niet omgekeerd. De aanranding eindigde niet op het moment dat de verdachte het wapen, waarvan de ernstigste dreiging uitging, in handen kreeg. [slachtoffer] probeerde immers het wapen op zijn beurt weer van de verdachte af te pakken zodat, wanneer dit hem zou lukken, de verdachte opnieuw in (levens)gevaar zou zijn. De verdachte heeft vervolgens het wapen gebruikt om zich te verdedigen en vier keer heel snel achter elkaar op [slachtoffer] geschoten (alle getuigen hebben het over een ‘boemboemboem’ geluid). Gelet op de omstandigheid dat het een worsteling om een vuurwapen was, deze niet stopte nadat de verdachte het vuurwapen in handen had gekregen en de worsteling zich op het tussenplateau van het trappenhuis in een zeer beperkte ruimte afspeelde, was het zich onttrekken aan de aanranding voor de verdachte op dat moment geen reëel alternatief.

Omdat de vier schoten kort op elkaar volgden en, hoewel de verdachte zegt zich na het eerste schot niets meer te herinneren, aannemelijk is dat ook de op het eerste schot volgende schoten werden afgevuurd om de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval te beëindigen, is het hof van oordeel dat het vier keer schieten op [slachtoffer] niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding en de acute en reële dreiging die van het wapen was uitgegaan.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van het hof voldaan aan het vereiste van subsidiariteit nu er in dit geval geen sprake was van een gemakkelijke, verstandige en evidente vluchtmogelijkheid, zodat van de verdachte in deze noodweersituatie niet kon worden gevergd dat hij zich daaraan had kunnen en dienen te onttrekken. Het hof is eveneens van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van proportionaliteit.

De rechtbank heeft een cesuur gemaakt tussen de eerste twee schoten en de laatste twee, en plaatst de laatste twee in het kader van noodweerexces, op grond waarvan de eerste twee schoten niet strafbaar zijn en de verdachte voor de laatste twee schoten niet strafbaar is. Gezien de blijkbaar zeer snelle opeenvolging van de schoten en nu bovendien de forensische onderzoeken geen duidelijkheid hebben opgeleverd over de volgorde van de ontstane verwondingen, zal het hof de rechtbank daarin niet volgen. De verdachte is met het op [slachtoffer] veroverde semi-automatische wapen gaan schieten tijdens de worsteling waarbij [slachtoffer] opnieuw probeerde het wapen af te pakken. Uit de beschrijving van de schotgeluiden is niet af te leiden dat van een cesuur tussen de eerste en de laatste twee schoten sprake was. De handeling van het schieten wordt dan ook door het hof als één doorlopend proces (van luttele seconden) gezien.

Bij deze stand van zaken komt het hof niet toe aan de bespreking van het door de raadsman gestelde noodweerexces.

Het hof is, gelet op bovenstaande van oordeel dat de geschetste gang van zaken in verband met het beroep op noodweer aannemelijk is geworden, zodat het verweer slaagt. Het bewezen verklaarde levert derhalve geen strafbaar feit op, zodat de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

Ten aanzien van feit 2 en 3

Ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een geldboete van € 1.200,00 subsidiair 22 dagen hechtenis voor feit 2 en een geldboete van € 150,00 subsidiair 3 dagen hechtenis voor feit 3, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren.

Dat de verdachte het vuurwapen van categorie III en de bijbehorende munitie van categorie III tijdens het incident op 11 februari 2015 in het trappenhuis bij de woning aan de [adres 2] te Amsterdam voorhanden heeft gehad zal het hof, gelet op bovenstaand oordeel omtrent de gerechtvaardigde verdediging, niet in strafverhogende zin meewegen in de strafmaat.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een alarmpistool met bijbehorende munitie en een stroomstootwapen voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van dergelijke wapens vormt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Het ongecontroleerde bezit van wapens creëert het risico van gebruik van die wapens en brengt gevoelens van onveiligheid mee.

Daarnaast heeft de verdachte een zeer gevaarlijke boksbeugel voorhanden gehad. Het betreft een boksbeugel met aan beide uiteinden een uitklapbaar lemmet, beide voorzien van een gekartelde snijkant en een scherpe punt. De verdachte had hiermee een wapen ter beschikking waarmee potentieel zwaar lichamelijk letsel aan derden kan worden toegebracht. Het hof ziet in de aard van dit wapen aanleiding de verdachte voor dit misdrijf een hogere geldboete op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan. Nu zowel feit 2 als feit 3 een misdrijf is, zullen niet – zoals in het vonnis waartegen beroep is ingesteld – twee aparte straffen worden opgelegd, maar één geldboete voor beide feiten.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Omdat het hof het onder 1 bewezen verklaarde niet strafbaar acht, wijst het de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenneming van de verdachte af.

Beslag

De op de beslaglijst onder de nummers 20, 23, 24 en 27 tot en met 35 in beslag genomen voorwerpen, die nog niet zijn teruggegeven, behoren aan de verdachte toe. Zij zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar de onder 1 en 2 begane misdrijven aangetroffen. Zij zullen worden onttrokken aan het verkeer aangezien zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De overige voorwerpen vermeld op de beslaglijst dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 20.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof begrijpt de bij de email van 16 februari 2017 gevoegde brief van [slachtoffer] aldus dat de benadeelde partij zich in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering voor de geleden immateriële schade. Daarnaast heeft de benadeelde partij haar vordering verhoogd met een bedrag van € 30.000,00 voor geleden materiële schade.

Ten aanzien van de vordering voor materiële schade overweegt het hof dat de benadeelde partij ingevolge artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich in hoger beroep binnen de grenzen van haar eerste vordering kan voegen en haar vordering dus niet kan verhogen. Het hof zal gelet hierop de benadeelde partij ten aanzien van de gevraagde materiële schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Het hof zal de benadeelde partij ten aanzien van de gevraagde immateriële schade eveneens niet-ontvankelijk verklaren in de vordering aangezien de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat (een gedeelte van) de materiële schade van de benadeelde partij zal worden vergoed via de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Het hof acht hiertoe echter geen termen aanwezig gelet op het gehonoreerde beroep op noodweer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36b, 36c, 36d, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.800,00 (duizend achthonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 28 (achtentwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de voorwerpen genoemd op de beslaglijst onder de nummers 20, 23, 24 en 27 tot en met 35.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de overige voorwerpen genoemd op de beslaglijst.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Wijst af de vordering tot gevangenneming van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. C.M. Degenaar, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 maart 2017.