Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:60

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2017
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
200.193.555/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkelijke proceskosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2017/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 10 januari 2017

Zaaknummer: 200.193.555/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/584371 / FA RK 15/2354

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats a] ,

appellant,

advocaat: mr. L.C. Griffioen-Wennekers te Waddinxveen,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats b] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.T.M. Keet te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 20 juni 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 maart 2016 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/584371 / FA RK 15/2354.

1.3.

De vrouw heeft op 11 augustus 2016 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De bijzondere curator heeft op 11 augustus 2016 een reactie ingediend.

1.5.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- op 23 augustus 2016 een journaalbericht namens de man van 22 augustus 2016 met bijlage;

- op 22 november 2016 een journaalbericht namens de man van 22 november 2016 met bijlagen.

1.6.

De zaak is op 24 november 2016 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De bijzondere curator heeft te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

2. De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad, die begin 2014 is verbroken. Uit de vrouw is [in] 2015 geboren [x] (hierna: [de minderjarige] ). De vrouw oefent alleen het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] die bij de vrouw verblijft.

2.2.

Bij beschikking van 3 juni 2015 van de rechtbank Amsterdam is mr. R. Chr. Peteri tot bijzondere curator voor [de minderjarige] benoemd.

2.3.

Ter zitting bij de rechtbank Amsterdam op 22 oktober 2015 hebben partijen zich overeenkomstig het advies van de bijzondere curator bereid verklaard tot een DNA-onderzoek alsook tot mediation.

2.4.

Uit het rapport van Sanguin van 19 november 2015 aangaande het DNA-onderzoek is gebleken dat de man is uitgesloten van het biologische vaderschap van [de minderjarige] .

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat elke partij de helft van de kosten van het DNA-onderzoek draagt en zijn de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking,

I. de vrouw te veroordelen in de door de man in eerste aanleg gemaakte feitelijke kosten van de procedure voor het bedrag van € 5.372,50, door de vrouw aan de man te voldoen binnen veertien dagen na afgifte van deze beschikking;

II. de vrouw te veroordelen in de door de man gemaakte kosten in het hoger beroep, begroot op € 2.800,- door de vrouw aan de man te voldoen binnen veertien dagen na afgifte van deze beschikking;

III. de vrouw te veroordelen in de kosten van de verrichte DNA-onderzoeken, op grond waarvan de vrouw aan de man dient te vergoeden het door hem ter plaatse betaalde bedrag van € 275,-, door de vrouw aan de man te voldoen binnen veertien dagen na afgifte deze beschikking;

IV. de beschikking voor het overige in stand te houden;

V. althans een zodanige beslissing te nemen die het hof juist acht.

3.3.

De vrouw verzoekt de verzoeken van de man te verwerpen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

3.4.

De bijzondere curator refereert zich aan het oordeel van het hof.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

In dit geschil ligt aan het hof de vraag voor of de vrouw dient te worden veroordeeld in de door de man in eerste aanleg gemaakte feitelijke kosten van de procedure van € 5.372,50 en in de door de man in het hoger beroep gemaakte kosten begroot op € 2.800,- en of de man de helft van de kosten van het DNA-onderzoek ad € 275,- voor zijn rekening dient te nemen.

4.2.

De man heeft ten aanzien van de kosten van de procedure kort samengevat het volgende gesteld. De vrouw heeft cruciale informatie voor de man achtergehouden, waardoor hij nodeloos proceskosten heeft moeten maken. De man betwijfelde of hij de verwekker was van [de minderjarige] en heeft de vrouw herhaaldelijk zowel voor als na de geboorte verzocht mee te werken aan een DNA-onderzoek om zijn vaderschap te kunnen vaststellen. De vrouw heeft steeds haar medewerking geweigerd. Daarnaast heeft de vrouw zowel aan de man als aan de bijzondere curator en ten overstaand van de rechtbank steeds ontkend gemeenschap met een andere man te hebben gehad en dat een ander dan de man de biologische vader kon zijn. De man verwijst daarbij onder meer naar het verweerschrift van de vrouw in eerste aanleg, het advies van de bijzondere curator en de brief aan de rechtbank van 7 juli 2015. Tegelijkertijd weigerde de vrouw toestemming te verlenen voor erkenning omdat de man een DNA-onderzoek wenste.

De man kon derhalve niet anders dan een (naar achteraf blijkt zinloze) procedure starten, met het oog op het vaststellen van het vermeende vaderschap aan de hand waarvan regelingen met betrekking tot [de minderjarige] konden worden vastgesteld. Eerst tijdens de mondelinge behandeling op 22 oktober 2015 heeft de vrouw verklaard dat zij voorafgaande aan de verwekking van [de minderjarige] geslachtsgemeenschap met een andere man heeft gehad op grond waarvan het mogelijk zou zijn dat de man niet de vader was van [de minderjarige] en heeft zij ingestemd met een DNA-onderzoek.

In de tussenliggende periode heeft de vrouw de man betrokken bij het leven van [de minderjarige] . De vrouw heeft de man gebeld de ochtend nadat [de minderjarige] was geboren. De familie van de man heeft een babyshower georganiseerd. Zowel voorafgaand als tijdens de procedure is steeds geprobeerd afspraken te maken maar dit bleek niet mogelijk, omdat de vrouw alles wilde bepalen.

De man verzoekt om een veroordeling in de werkelijke kosten, omdat hantering van het liquidatietarief strijdt met de redelijkheid en billijkheid. De vrouw heeft de man zodanig onrecht aangedaan dat compensatie van de proceskosten onredelijk zou zijn. Wanneer de vrouw eerder had meegewerkt aan het DNA-onderzoek, zou de man eerder duidelijkheid hebben gehad en had hij de procedure niet opgestart. De vrouw heeft de man cruciale bewijsstukken onthouden.

Ten aanzien van de kosten van het deskundigenonderzoek betwist de man niet dat het onderzoek noodzakelijk was, wel dat om die reden deze kosten tussen partijen moeten worden verdeeld.

4.3.

De vrouw heeft geen bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank. De vrouw herkent zich niet in het achterhouden van cruciale informatie. Op 24 november 2014 bleek de vrouw onverwacht dat zij 4 maanden zwanger was. Zij was hiervan erg van slag en heeft hieraan moeten wennen. De man heeft reeds tijdens de zwangerschap veel druk uitgeoefend op de vrouw tot het doen van een prenatale test. Zij achtte een prenatale test te riskant en te duur. Na de geboorte van [de minderjarige] hebben partijen afspraken gemaakt, waaronder het laten uitvoeren van een DNA-onderzoek.

Zij voert voorts aan de man altijd naar eer en geweten te hebben geïnformeerd. Zij heeft de man in kennis gesteld van de zwangerschap overeenkomstig haar overtuiging dat zij zwanger was van hem. Indien zij had kunnen verwachten dat de man niet de vader zou zijn, had zij zich anders opgesteld. Zij betreurt dat na verloop van tijd is gebleken dat de man niet de biologische vader was. Pas nadat zij van de schrik was bekomen zwanger te zijn, realiseerde zij zich vlak voor de mondelinge behandeling van 22 oktober 2015, dat het kind mogelijk ook van een andere man kon zijn. Zij heeft dit toen ook direct aangegeven.

Zij heeft voor de mondelinge behandeling op 22 oktober 2015 met haar advocaat besproken dat tijdens de behandeling om een DNA-onderzoek zou worden gevraagd. De rechter heeft vervolgens aan de vrouw gevraagd of er twijfel was, hetgeen zij instemmend heeft beantwoord.

Het rauwelijks opstarten van de procedure door de man heeft bewerkstelligd dat het uitvoeren van het DNA-onderzoek op de achtergrond is geraakt.

Uit de facturen van de advocaat van de man blijkt dat hij reeds voor de bevalling zijn advocaat had ingeschakeld. Ook dit is onbegrijpelijk, gezien de gemaakte afspraken. Tevens vindt de vrouw het opmerkelijk dat direct is overgegaan tot het opstarten van een procedure en dat de advocaat van de man niet eerst heeft gepoogd in onderling overleg te treden. Pas nadat het verzoekschrift was ingediend, heeft de vrouw een brief ontvangen.

Kosten procedure in eerste aanleg en in hoger beroep

4.4.

In procedures tussen voormalige levensgezellen plegen de proceskosten te worden gecompenseerd in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt (artikel 289 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 237 en 362 Rv). De rechter is echter niet tot compensatie verplicht. Hij kan een partij in de proceskosten van de wederpartij veroordelen als de in het ongelijk gestelde partij of als hij of zij de procedure nodeloos heeft aangespannen of voortgezet. De rechter is daarbij niet gehouden aan het Liquidatietarief.

4.5.

Het hof overweegt als volgt. Partijen hebben een affectie relatie gehad die begin 2014 is verbroken. Kort daarna, rondom het conceptietijdvak van [de minderjarige] , hebben partijen nog contact met elkaar onderhouden. De vrouw hoorde op 24 november 2014 onverwacht dat zij vier maanden zwanger was en heeft de man hiervan in kennis gesteld met de mededeling dat hij de vader is. Vanaf dat moment heeft de man de vrouw meermaals verzocht mee te werken aan een DNA-onderzoek om te kunnen vaststellen of hij de biologische vader is en hebben partijen overleg gevoerd over erkenning, omgang, gezag en alimentatie zonder dat zij erin zijn geslaagd over al deze punten eensluidende afspraken te maken en uit te voeren. De man is om die reden een procedure gestart enerzijds omdat hij niet de mogelijkheid had een DNA-onderzoek te vorderen en anderzijds omdat hij in het geval hij wel de vader was ook die rol wenste te vervullen.

De vrouw heeft pas tijdens de mondelinge behandeling op 22 oktober 2015 erkend dat ook een ander dan de man de biologische vader kan zijn en ingestemd met een DNA-onderzoek, waarna dit onderzoek heeft plaatsgevonden met de uitkomst dat de man niet de biologische vader kan zijn. Het hof gaat voorbij aan de verklaring van de vrouw dat partijen over het onderzoek al afspraken hadden gemaakt, nu niet is gesteld of gebleken dat de vrouw bereid was op dat moment uitvoering te geven aan deze gestelde afspraak. Van de vrouw mocht in de gegeven omstandigheden worden verwacht, dat zij in ieder geval kort na de geboorte van [de minderjarige] aan een DNA-onderzoek had meegewerkt en het initiatief daartoe had genomen. Daarmee was elke (verdere) procedure voorkomen of in ieder geval elke nodeloze voortzetting daarvan. De stelling van de vrouw dat zij zo van slag was dat zij zich eerst 7 maanden na de geboorte van [de minderjarige] realiseerde dat mogelijk een ander dan de man de biologische vader kon zijn, acht het hof zonder enige onderbouwende medische verklaring in het licht van de daarover voorafgaand en tijdens de procedure gestelde vragen en verzoeken ongeloofwaardig. Voorts acht het hof de stelling van de vrouw dat met het starten van de procedure het DNA-onderzoek op de achtergrond is geraakt niet aannemelijk nu namens de man is aangevoerd dat ook in de periode voorafgaand aan de zitting op 22 oktober 2015 is aangedrongen op een DNA-onderzoek.

Hieruit volgt dat de grief van de man ten aanzien van de compensatie van de proceskosten slaagt. De man is een procedure gestart op 30 maart 2015, zodat naar het oordeel van het hof de door de man vanaf die datum gemaakte werkelijke kosten voor rekening van de vrouw dienen te komen, omdat in ieder geval de na die datum gemaakte kosten nodeloos zijn gemaakt door toedoen van de vrouw. Zij dient te vergoeden aan de man de declaraties vanaf april 2015 (april 2015 € 736,29, mei 2015 € 342,17, juni 2015 € 647,96, juli 2015 € 320,17, augustus 2015 € 365,90, oktober 2015 € 1.511,10 en december 2015 € 365,90), van in totaal € 4.289,49 voor de procedure in eerste aanleg en daarnaast begrote kosten in hoger beroep van € 2.800,- (uitgaande van de pro forma nota tot en met 21 november 2016 van € 2.538,46 en het gegeven dat de zitting op 24 november 2016 nog diende plaats te vinden). Het meerdere zal het hof afwijzen.

Kosten DNA-onderzoek

4.6.

Partijen zijn het er niet over eens of zij afspraken hebben gemaakt over de voldoening van de kosten van het DNA-onderzoek en of is afgesproken dat de rechter zal bepalen wie de kosten daarvan dient te dragen. Wat hier ook van zij, vast staat dat de man en ook de vrouw getwijfeld hebben over het biologisch vaderschap en dat zij er om die reden ieder belang bij hadden dat een DNA-onderzoek zou plaatsvinden. Vanuit dit uitgangspunt is het redelijk dat ieder de helft van de kosten van dit onderzoek voor zijn/haar rekening neemt. De grief van de man ten aanzien van dit punt faalt.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze betrekking heeft op de compensatie van de proceskosten en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw in de door de man in de procedure in eerste aanleg gemaakte proceskosten voor een bedrag van in totaal € 4.289,49, door de vrouw aan de man te voldoen binnen veertien dagen na afgifte van deze beschikking;

veroordeelt de vrouw in de door de man in hoger beroep begrote proceskosten van € 2.800,-, door de vrouw aan de man te voldoen binnen veertien dagen na afgifte van deze beschikking;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. C.M.J. Peters en mr. S.F.M. Wortmann, in tegenwoordigheid van mr. C.L. de Lussanet de la Sablonière-Buikema als griffier en is op 10 januari 2017 uitgesproken in het openbaar.