Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:576

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
23-0004241-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid openbaar ministerie. Veroordeling medeplegen zakkenrollerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-004241-15

Datum uitspraak: 14 februari 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 oktober 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-703053-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1981,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

postadres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 mei 2016 en 31 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 15 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van de/het door verdachte voorgenomen misdrijf/misdrijven om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening (telkens) weg te nemen de inhoud van een of meerdere tas(sen), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), door met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- op (korte) afstand van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te gaan staan en/of (vervolgens)

- een kaart en/of een kalender vast te pakken en/of (vervolgens)

- voornoemde [slachtoffer 1] in te sluiten en/of (vervolgens)

- eenmaal of meermalen met de hand(en) in de richting van de tas van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te bewegen en/of de rits te openen;

subsidiair:
[medeverdachte 1] op of omstreeks 15 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen de inhoud van een tas, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander dan aan verdachte

en/tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 15 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door tijdens voornoemde diefstal [medeverdachte 1] af te schermen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie op de voet van art. 359a Sv niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat in het voorbereidend onderzoek onherstelbare vormfouten zijn begaan. Daartoe is aangevoerd dat aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met bijstand van een tolk gehoord hadden moeten worden, dat de verslaglegging van de politie niet zorgvuldig is geweest en dat de adresgegevens van de aangevers genoteerd hadden moeten worden. Gesteld is dat deze vormverzuimen – die in het voorbereidend onderzoek naar het onderhavige feit zijn begaan en onherstelbaar zijn – doelbewust zijn begaan, nu er kennelijk voor is gekozen het belang van snelheid van het politieoptreden te laten prevaleren boven het belang van de waarheidsvinding of de verdediging. Voorts is aangevoerd dat als gevolg van deze verzuimen een belangrijk voorschrift is geschonden, nu het traceren van deze getuigen en daarmee hun ondervraging door de verdediging onmogelijk is. Daardoor is de inhoud van hun verklaringen niet te toetsen, bestaat voor de verdediging geen mogelijkheid hun nadere relevante vragen te stellen en is controle van de door de verbalisanten gerelateerde waarnemingen niet mogelijk. Een en ander leidt er volgens de raadsman toe dat van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden geen sprake is.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4], [naam 5] en [naam 6] van 15 oktober 2015 blijkt dat in elk geval vier van hen op 15 oktober 2015 – voor een deel samen en voor een deel onafhankelijk van elkaar – handelingen van de verdachte en zijn medeverdachten hebben waargenomen die in verband zijn te brengen met het tenlastegelegde. Onder meer betreft dat waarnemingen van verbalisant [naam 4] met betrekking tot handelingen ten aanzien van [slachtoffer 1] en waarnemingen van verbalisant [naam 2] met betrekking tot handelingen ten aanzien van [slachtoffer 2]. Ook houdt dit proces-verbaal in dat [naam 2] [slachtoffer 1] heeft aangesproken en van hem in concept een aangifte heeft opgenomen, terwijl [naam 4] [slachtoffer 2] heeft aangesproken en van hem in concept een aangifte heeft opgenomen. Van deze personen zijn in het procesdossier wel persoonsgegevens vermeld (voor- en achternaam, geboortedatum en land van geboorte van [slachtoffer 1] respectievelijk voor- en achternaam, geboortedatum, -land en -plaats en nationaliteit van [slachtoffer 2]), maar niet hun adressen. In het proces-verbaal van verhoor aangever betreffende [slachtoffer 1] is vermeld dat verbalisant en aangever beiden de Engelse taal machtig waren en het verhoor in die taal hebben volbracht. In het proces-verbaal van aangifte betreffende [slachtoffer 2] is niet vermeld dat het verhoor in een andere dan de Nederlandse taal heeft plaatsgevonden.

Gelet op de uit deze processen-verbaal blijkende gang van zaken, moet het verweer worden verworpen. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg immers slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533).

Van strijd met enige rechtsregel door het horen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zonder bijstand van een tolk, is het hof niet gebleken. Het hof ziet, evenmin als de raadsman (in punt 41 van zijn pleidooi), reden om eraan te twijfelen dat de communicatie tussen deze personen en de verbalisanten toereikend is geweest voor het vastleggen van de zich in het procesdossier bevindende verklaringen. Daarop gelet en gezien de beperkte inhoudelijke betekenis van deze verklaringen, is de verbalisanten er in redelijkheid geen verwijt van te maken dat zij er niet voor hebben gekozen meer tijd te nemen voor het verhoor van deze personen.

In aanmerking genomen dat de verbalisanten de moeite hebben genomen persoonsgegevens van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te noteren, is niet aannemelijk geworden dat het niet noteren van de adresgegevens ertoe strekte doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort te doen.

Overigens is aan dat recht naar het oordeel van het hof ook niet tekort gedaan. Anders dan de raadsman heeft betoogd, is controle van de geverbaliseerde waarnemingen niet onmogelijk gemaakt doordat de getuigen niet gehoord konden worden. Die controle had, zo de verdediging dat had gewild, gestalte kunnen krijgen door het horen van de verbalisanten. Nu het de verbalisanten zijn die de voor de verdachte in het bijzonder belastende waarnemingen hebben gedaan, zou dat uit een oogpunt van controle ook meer voor de hand hebben gelegen dan het nader horen van de getuigen.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Uit het dossier blijkt onvoldoende overtuigend dat een poging is ondernomen aangever [slachtoffer 1] te bestelen. Daarnaast is niet gebleken dat de verdachte bewust heeft meegewerkt aan het insluiten van [slachtoffer 1] of bewust de handelingen van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft afgeschermd. Tot slot kan niet bewezen worden dat de verdachte en diens medeverdachten nauw en bewust hebben samengewerkt of dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om als medepleger te kunnen worden aangemerkt.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Uit voormeld proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachten ongeveer een uur zijn gevolgd door verbalisanten en dat in die periode is waargenomen dat de verdachte herhaaldelijk keek naar de (schouder)tassen van passanten, dat hij samen optrok met de medeverdachten, dat zij onderling overlegden en dat zij alle drie handelingen verrichtten die samenwerkende zakkenrollers plegen te verrichten. Van de verdachte is onder meer gezien dat hij met zijn medeverdachten dicht achter personen is gaan lopen, dat hij de weg versperde voor een persoon die kort tevoren de medeverdachte [medeverdachte 2] meende te hebben betrapt, dat hij met de medeverdachte [medeverdachte 2] [slachtoffer 1] insloot, waarna [medeverdachte 2] met zijn hand in de richting van diens tas reikte en dat verdachte met medeverdachte [medeverdachte 1] dicht achter [slachtoffer 2] is gaan staan, daarmee het zicht van anderen op het handelen van [medeverdachte 1] belemmerend, waarna laatstgenoemde de rits van de tas van [slachtoffer 2] heeft opengeritst en met haar hand in die tas ging, terwijl de verdachte over haar schouder meekeek naar die handelingen.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat de door de verbalisanten waargenomen gedragingen van de verdachte en zijn twee medeverdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm wijzen op de gezamenlijke uitvoering van het vooropgezet plan om te proberen goederen van anderen weg te nemen. De verdachte heeft voor de hiervoor genoemde voor het bewijs van het tenlastegelegde redengevende feiten en omstandigheden geen die redengevendheid ontzenuwende verklaring gegeven. Mede in dat licht is het hof van oordeel dat de bijdrage van de verdachte aan de tenlastegelegde feiten van zodanig gewicht was, dat zij als ‘in vereniging plegen’ moet worden gekwalificeerd, gelet op de betekenis van zijn handelingen – waaronder het insluiten van beoogde slachtoffers en het afschermen van wegnemingshandelingen van de medeverdachte – voor het potentieel succesvol verloop van de diefstal.

Voor zover de raadsman heeft betoogd dat in het geval van aangever [slachtoffer 1] geen sprake was van een poging tot diefstal, verwerpt het hof dit verweer eveneens. In het licht van de hierboven vermelde feiten en omstandigheden dient het met de hand reiken in de richting van de tas van die [slachtoffer 1] te worden aangemerkt als een begin van uitvoering van diefstal.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 15 oktober 2015 te Amsterdam ter uitvoering van de door verdachte voorgenomen misdrijven om tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening telkens weg te nemen de inhoud van een tas, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], door met een van zijn mededaders,

- op korte afstand van voornoemde [slachtoffer 1] te gaan staan en vervolgens

- voornoemde [slachtoffer 1] in te sluiten en vervolgens

- met de hand in de richting van de tas van voornoemde [slachtoffer 1] te bewegen

en door

- op korte afstand van voornoemde [slachtoffer 2] te gaan staan en vervolgens

- met de hand in de richting van de tas van voornoemde [slachtoffer 2] te bewegen en de rits te openen.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich, samen met zijn medeverdachten, schuldig gemaakt aan pogingen tot zakkenrollerij. Zakkenrollen is een misdrijf dat bij de benadeelden, veelal toeristen, hinder, schade en gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaakt. Daarnaast brengt het in de samenleving gevoelens van ongenoegen en onveiligheid teweeg, door de daarmee gepaard gaande schending van de eigendomsrechten van de slachtoffers.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 januari 2017 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld voor een soortgelijk feit, hetgeen in het nadeel van de verdachte wordt meegewogen.

Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf. Bij de hoogte daarvan heeft het hof ook gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Indien sprake is van recidive van zakkenrollerij geldt als oriëntatiepunt per voltooid delict een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, waarbij het zogeheten ‘medeplegen’ een strafverzwarende omstandigheid vormt.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. C.N. Dalebout en mr. H.M.J. Quaedvlieg, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Oomkes, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 februari 2017.