Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5667

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
200.216.878
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging. Onvoldoende informatie verstrekt, on andere loonstroken ontbreken. Onvoldoende gesolliciteerd, na ontheffing geen nieuwe vrijstelling aangevraagd. Weliswaar gesteld PTSS-klachten te hebben, maar dit is onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Jurisprudentie Erfrecht 2018/328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.216.878/01

insolventienummer rechtbank : C/15/583/2015 R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 11 juli 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te Zaandam, gemeente [Y] ,

appellant,

advocaat: mr. S.M. Diekstra te Leiden.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

[appellant] is bij op 2 juni 2017 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 mei 2017, waarbij de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] tussentijds heeft beëindigd.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 4 juli 2017. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. R.G. van der Laan, kantoorgenoot van mr. Diekstra voornoemd, die het beroepschrift mondeling nader heeft toegelicht. Voorts is namens de bewindvoerder verschenen mr. M.G.C. Smit die het standpunt van de bewindvoerder mondeling nader heeft toegelicht.

Het hof heeft kennis genomen van het beroepschrift, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, het verslag van de bewindvoerder van 26 juni 2017 met bijlagen, en de brief van de bewindvoerder van 28 juni 2017 met bijlagen. [appellant] heeft verklaard te beschikken over de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1

[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht om het vonnis waarvan beroep te vernietigen en hem alsnog in staat te stellen de wettelijke schuldsaneringsregeling te voltooien. [appellant] stelt dat, voor zover hij tekortgeschoten is in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, deze tekortkomingen niet zo ernstig zijn dat deze een tussentijdse beëindiging rechtvaardigen. Subsidiair heeft [appellant] verzocht de looptijd van de schuldsaneringsregeling te verlengen. Daartoe heeft [appellant] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. [appellant] heeft niet alle informatie tijdig overgelegd, omdat hij zijn administratie niet op orde had. Met hulp van de gemeente is dit gelukt en nu heeft [appellant] het merendeel van de stukken aan de bewindvoerder kunnen geven. Als er nog stukken ontbreken, komt dat doordat hij niet de beschikking daarover heeft. Vanaf april van dit jaar heeft [appellant] consequent gesolliciteerd, hetgeen ook tot een baan heeft geleid waar hij deze week kan beginnen. Vóór april 2017 heeft [appellant] ook gesolliciteerd, maar stukken daarvan heeft hij niet.

[appellant] heeft voorts aangevoerd dat er veel frictie is tussen hem en de bewindvoerder. Van aanvang af is het niet goed gelopen, maar [appellant] stelt dat hij ondanks de PTSS zijn best heeft gedaan.

2.2

De bewindvoerder heeft in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. Van aanvang af is de schuldsaneringsregeling van [appellant] moeizaam verlopen. Hij is in september 2015 ontslagen. In de periode daarna heeft [appellant] onvoldoende gesolliciteerd. [appellant] heeft aangegeven arbeidsongeschikt te zijn, maar uit de aangevraagde keuring is gebleken dat hij volledig arbeidsgeschikt is. Toen sollicitatiebewijzen uitbleven, [appellant] zich op het standpunt bleef stellen arbeidsongeschikt te zijn en bovendien er onvoldoende informatie werd overgelegd, heeft er op 26 juli 2016 een zitting plaatsgevonden ten overstaan van de rechter-commissaris. Bij die gelegenheid is [appellant] vrijgesteld van de sollicitatieverplichting tot 1 december 2016 en zijn er afspraken gemaakt met betrekking tot het verdere verloop van de schuldsaneringsregeling, welke afspraken bij brief van 28 juli 2016 van de rechter-commissaris aan [appellant] zijn bevestigd. [appellant] heeft vervolgens in november 2016 een baan gevonden voor 10 uur per vier weken, maar is in januari 2017 ontslagen. De aanvullende sollicitatieverplichting is toen blijven gelden. Over de periode van 1 december 2016 tot en met april 2017 ontbreken sollicitatiebewijzen. Ook ontbreekt diverse informatie omtrent een betaling bij Pandjeshuis [Y] , de boedelomschrijving van de nalatenschap van de vader van [appellant] , loonstroken van november 2016 tot en met januari 2017 en informatie betreffende (een betalingsregeling met betrekking tot) nieuwe schulden. De bewindvoerder adviseert het bestreden vonnis te bekrachtigen.

2.3

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat – zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Fw – uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voor de schuldenaar verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn gekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar zijn informatie- en/of sollicitatieverplichting niet nakomt dan wel een boedelachterstand en/of bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan.

2.4

Genoegzaam is komen vast te staan dat [appellant] op ernstige wijze is tekortgeschoten in meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. In de eerste plaats is gebleken dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van de informatieverplichting. [appellant] informeert de bewindvoerder niet spontaan en niet tijdig. Zo blijkt uit een brief d.d. 13 februari 2017 wie de nalatenschap van de vader van [appellant] afwikkelt en dat [appellant] deze nalatenschap heeft aanvaard, terwijl de bewindvoerder hier eerst in juni 2017 over is geïnformeerd. Voorts staat vast dat [appellant] geen loonstroken heeft overgelegd over de periode november 2016 tot en met januari 2017, hoewel de bewindvoerder hem expliciet daarom heeft verzocht. Ook is ter zitting in hoger beroep gebleken dat [appellant] die stelt een baan te hebben geaccepteerd, de bewindvoerder daar niet over heeft geïnformeerd. Het enkel sturen van een werkrooster is in dit verband niet voldoende. Door gebrek aan informatie heeft de bewindvoerder haar controlerende taak niet naar behoren kunnen uitvoeren zoals zij hiervan telkens melding maakte in de openbare verslagen bij ‘afdrachtplicht’. Verder is [appellant] tekortgeschoten in de nakoming van de op hem van toepassing zijnde sollicitatieverplichting. Daartoe is het volgende redengevend. [appellant] is door de bewindvoerder en de rechter-commissaris erop gewezen dat op hem de sollicitatieverplichting rust zolang er geen sprake is van een door de rechter-commissaris verleende vrijstelling van die verplichting. Niet is gebleken dat [appellant] na afloop van de periode waarvoor een vrijstelling van de sollicitatieverplichting was verkregen, een nieuw verzoek om vrijstelling heeft gedaan dan wel dat gebleken is dat hij als arbeidsongeschikt moet worden geschouwd. Dit betekent dat vanaf 1 december 2016 de sollicitatieverplichting op hem van toepassing was. Vast staat dat [appellant] gedurende de periode van december 2016 tot en met april 2017 onvoldoende aantoonbaar heeft gesolliciteerd naar betaald werk.

2.5

Met betrekking tot de vraag of bovenomschreven tekortkomingen aan [appellant] kunnen worden toegerekend, overweegt het hof als volgt. Het hof begrijpt uit het overgelegde advies van Treve van 23 mei 2016 dat [appellant] fors beperkt is geweest in zijn functioneren door psychische en psychosociale problemen, maar dat hij na behandeling in dat kader op de goede weg is. Ook blijkt uit dit advies dat [appellant] in staat wordt geacht te kunnen werken waarbij er rekening mee moet worden gehouden dat hij mogelijk beperkingen heeft ten aanzien van langdurig staan, lopen en traplopen. Ter zitting in hoger beroep heeft [appellant] weliswaar verklaard PTSS-klachten te hebben, maar van enige recente onderbouwing van die klachten en dat hij daardoor niet of onvoldoende in staat was de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling na te komen, is niet gebleken. Voor zover [appellant] hulp nodig had, valt het hem te verwijten dat hij deze hulp niet heeft gezocht. Derhalve bestaat onvoldoende grond om tot het oordeel te komen dat de tekortkomingen [appellant] niet kunnen worden toegerekend.

2.6

Bovenomschreven tekortkomingen vormen voldoende aanwijzing dat bij [appellant] de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Uit hetgeen hiervoor onder 2.5 is overwogen, volgt dat [appellant] van deze tekortkomingen een verwijt valt te maken, zodat deze aan hem kunnen worden toegerekend. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. De genoemde tekortkomingen, die niet als geringe tekortkoming buiten beschouwing kunnen blijven, zijn naar het oordeel van het hof zodanig ernstig en verwijtbaar, dat slechts de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling gerechtvaardigd is. Mede gelet op het ontbreken van een saneringsgezinde houding bij [appellant] waarbij hij veel verwijten maakt aan het adres van de bewindvoerder maar niet naar zijn eigen gedrag kijkt, heeft het hof er geen vertrouwen in dat [appellant] alsnog aan zijn verplichtingen zal voldoen. Voor een verlenging van de looptijd zoals door [appellant] is verzocht, ziet het hof dan ook geen aanleiding.

2.7

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, M. Jurgens en J.M. de Jongh en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.