Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5666

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
200.223.169
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strikte handhaving appeltermijn. Beroepschrift per e-mail was niet tijdig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RBP 2018/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.224.646/01

rekestnummer rechtbank : C/13/630643 / FT RK 17/1256

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 oktober 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [Y] ,

appellant,

advocaat: mr. E. van Meulen te Naarden.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

[appellant] is bij op 3 oktober 2017 per e-mail en op 4 oktober 2017 per post ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2017, waarbij het verzoek van [appellant] tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 24 oktober 2017. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Van Meulen voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd.

Bij brief van 6 oktober 2017 heeft het hof mr. Van Meulen medegedeeld dat tijdens de mondelinge behandeling in principe alleen de ontvankelijkheid van het beroep zal worden behandeld.

2 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1

[appellant] heeft in verband met de ontvankelijkheid van het beroep het volgende aangevoerd. [appellant] kwam op de laatste dag van de beroepstermijn, op 3 oktober 2017, bij mr. Van Meulen. Die heeft vervolgens dezelfde dag een beroepschrift geschreven en zijn secretaresse verzocht een aantal handelingen in dat kader uit te voeren. In het door mr. Van Meulen overgelegde emailbericht van 3 oktober 2017 (12.59 uur), gericht aan zijn secretaresse, staat het volgende:

‘ [Beste] ,

In dit dossier ga ik hoger beroep instellen met verzoekschrift. Beroepschrift maak ik en dient volgens reglement in vijfvoud te worden ingediend bij het gerechtshof Amsterdam.

Wil jij:

1. (…)

2. Ik wil/moet het per fax indienen (moet namelijk vandaag binnen zijn bij het hof)

3. Misschien even bellen met hof of je het 1x mag faxen en dan in vijfvoud per post

4. (…).’

2.2

Bij emailbericht van 3 oktober 2017 (13.21 uur) heeft de secretaresse mr. Van Meulen het volgende medegedeeld:

‘1. Mag vandaag per mail naar infohandelsrechtamsterdam@rechtspraak.nl

2. (…)

3 (…)’

2.3

Per emailbericht van 3 oktober 2017 (18.03 uur) heeft mr. Van Meulen het beroepschrift naar genoemd emailadres verstuurd.

2.4

[appellant] stelt zich primair op het standpunt dat het beroep aldus tijdig is ingesteld. Subsidiair stelt [appellant] dat de overschrijding van de beroepstermijn hem niet te verwijten valt gelet op – naar het hof begrijpt - de geringe overschrijding van de korte wettelijke beroepstermijn en de omstandigheid dat [appellant] in eerste aanleg niet was voor zien van bijstand door een advocaat. [appellant] wijst hiervoor op een arrest van het hof van 4 december 2001, ECLI:NL:GHAMS:2001:AP0101).

Het hof overweegt als volgt.

2.5

Ingevolge artikel 351 eerste lid Faillissementswet (Fw) staat hoger beroep open gedurende acht dagen na de uitspraak. Artikel 351 tweede lid Fw bepaalt dat het hoger beroep wordt ingesteld door indiening van een verzoek ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen. Uit artikel 33 eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt verzoeken en mededelingen kunnen ook elektronisch worden gedaan, indien van deze mogelijkheid voor het desbetreffende gerecht blijkt uit een voor dat gerecht vastgesteld procesreglement. Ingevolge artikel 3.1.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven (hierna: het procesreglement) kan het beroepschrift alleen worden ingediend door toezending per post, afgifte aan de balie of toezending per fax aan de griffie van het hof. Het procesreglement meldt expliciet dat indiening per e-mail niet mogelijk is.

2.6

Het hof stelt vast dat het beroepschrift op 3 oktober 2017 om 18.03 uur per e-mail is ingekomen ter griffie van het hof en dat binnen de beroepstermijn niet op een in het procesreglement aangegeven wijze beroep is ingesteld. De beroepstermijn is dus overschreden. Dit moet in beginsel leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in het hoger beroep. De beroepstermijn moet in het licht van de rechtszekerheid strikt worden gehandhaafd.

2.7

In de rechtspraak is een uitzondering op deze regel aanvaard voor het geval degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim, niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt (vgl. HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489 en HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0510). De (proces)advocaat moet op grond van zijn deskundigheid en kennis zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de in de desbetreffende procedure geldende termijnen en van de verstrekkende gevolgen die verbonden zijn aan overschrijding daarvan. Een verschoonbare termijnoverschrijding is dan niet aan de orde (Vgl. HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2798, NJ 2014/418, rov. 3.4.1.). Het procesreglement is duidelijk en mr. Van Meulen is als advocaat, blijkens zijn emailbericht aan zijn secretaresse, hiermee ook bekend en wordt vanuit zijn deskundigheid daar ook mee geacht bekend te zijn. Ook indien er een andersluidende telefonische mededeling door een medewerker van het hof is gedaan, is dit niet verschoonbaar en kan dat niet leiden tot het oordeel dat [appellant] ontvankelijk is in zijn beroep (vgl. HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7586).

2.8

Dat de overschrijding van de beroepstermijn [appellant] anderszins niet zou zijn te verwijten, zoals subsidiair is aangevoerd, maakt bovenstaande niet anders, nu – zoals [appellant] zelf aanvoert, de feiten in onderhavige zaak en die in de andere bij het hof behandelde zaak wezenlijk van elkaar verschillen.

2.9

De slotsom is dat [appellant] in zijn beroep niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke behandeling van de zaak komt het hof niet meer toe.

3 Beslissing

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Jurgens, G.J. Visser en M.A.J.G. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.