Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5614

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-05-2017
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
23-004769-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitkeringsfraude. Vrijspraak schending plicht tot gegevensverstrekking. Hof oordeelt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte van de inlichtingenplicht en de omvang daarvan wetenschap heeft gehad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004769-15

datum uitspraak: 24 mei 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 november 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-731017-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 mei 2017.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode(n) vanaf 24 augustus 2006 tot en met 27 mei 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift (te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand) opgelegde verplichting, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Dienst Werk en Inkomen te Amsterdam, immers heeft hij (in die periode(n) en op die plaats) geheel of gedeeltelijk niet aan genoemde dienst(en) medegedeeld of kenbaar gemaakt dat

- hij beschikte en/of had beschikt over een vermogen (in de vorm van onroerend goed in het buitenland) hoger dan de vermogensgrens (als bedoeld in artikel 34 lid 3 onder c van de Wet werk en bijstand)

zijnde dit (een) gegeven(s) waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van het recht op een verstrekking of tegemoetkoming - namelijk een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand - dan wel voor de hoogte of de duur van voornoemde verstrekking of tegemoetkoming, zulks terwijl dit feit kon strekken en/of had kunnen strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat in strijd met het bepaalde in artikel 378, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, de uitspraak van de politierechter niet in een proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal acht het tenlastegelegde bewezen en heeft gevorderd dat de verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 230 uren.

Vrijspraak

Het hof is met de raadsvrouw van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken aan de Dienst Werk en Inkomen en dat de verdachte is geïnformeerd over de voor hem als bijstandsgerechtigde geldende verplichtingen.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de perioden vanaf 24 augustus 2006 tot en met 9 januari 2014 en vanaf 10 februari 2014 tot en met 27 mei 2014 een uitkering heeft ontvangen. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld wie de rechthebbende(n) van het stuk grond in Marokko is of zijn. Met betrekking tot het appartement van de verdachte in Marokko heeft de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep een hypotheekakte overhandigd waaruit kan worden afgeleid dat deze woning in juli 2007 is gekocht en in december 2007 is geleverd. In het inlichtingenformulier voor de aanvraag van de bijstand gedateerd 11 september 2006 wordt aan de verdachte gevraagd of hij een huis of grond binnen/buiten Nederland heeft, waarop hij heeft aangegeven dat dit (toen) niet het geval was. Dat betekent dat niet vaststaat dat de verdachte het inlichtingenformulier van 11 september 2006 onjuist heeft ingevuld.

Het dossier bevat overigens geen stukken waaruit blijkt dat de verdachte is gewezen op het bestaan en de omvang van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de Wet Werk en Bijstand (oud), zodat niet bewezen is dat de verdachte van deze inlichtingenplicht en de omvang daarvan wetenschap heeft gehad. Evenmin kan daarom worden bewezen dat de verdachte die inlichtingenverplichting opzettelijk niet heeft nageleefd. Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M.P. Geelhoed, mr. R.D. van Heffen en mr. R.C.P. Haentjens, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 mei 2017.

Mr. R.C.P. Haentjens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.