Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:558

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
23-004044-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mishandeling. Geslaagd beroep op noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004044-15

datum uitspraak: 21 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 september 2015 in de strafzaak onder parketnummer 15-209951-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 februari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 augustus 2013 te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met de tot vuist gebalde hand in/op/tegen de mond, althans in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Beroep op noodweer

De verdachte en zijn raadsvrouw hebben ter terechtzitting in hoger beroep het verweer gevoerd dat de verdachte uit noodweer heeft gehandeld en dat hij daarom van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen. Het hof beschouwt dit verweer ambtshalve als een bewijsverweer.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Vaststaat dat de verdachte [slachtoffer] tegen het gezicht heeft geslagen/gestompt.

Kern van de beoordeling van het tenlastegelegde vormt beantwoording van de vraag of het handelen van de verdachte “opzettelijk mishandelend” was dan wel of dit in de kern als verdedigend kan worden aangemerkt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep –zakelijk weergegeven- omtrent de gang van zaken het volgende verklaard, toegelicht met ter terechtzitting overgelegde foto’s:

De verdachte was op 13 augustus 2013 rond 02:00 uur in de woning van zijn vriendin. Vanwege geluidsoverlast door onder meer de aangever [slachtoffer] ging hij naar de centrale hal van het flatgebouw waar de aangever hem opwachtte. De verdachte besloot naar de parkeerplaats van het appartementencomplex, te lopen omdat de aangever agressief op hem overkwam. [slachtoffer] kwam daarop achter hem aan. Op het moment dat de verdachte om een auto liep, werd hij twee keer door [slachtoffer] geschopt. Vrienden van [slachtoffer] hebben [slachtoffer] vastgepakt en de verdachte is de centrale hal van het flatgebouw weer ingegaan. Hij was van plan naar de woning te gaan en de politie te bellen, heeft de deur van de ruimte waarin zich de liften bevonden met een sleutel geopend, is die ruimte binnengelopen en heeft de knop van de lift ingedrukt. Hij verkeerde in de veronderstelling dat [slachtoffer] geen toegang had tot deze ruimte, maar [slachtoffer] kreeg een sleutel van één van zijn vrienden en maakte daarmee de deur naar de ruimte waar verdachte zich bevond open. Hij kwam direct op de verdachte af, ging met zijn hoofd tegen de verdachte aan staan en gaf hem een duw. De verdachte stond in een hoek en gaf [slachtoffer] als reactie een tik met de vuist, met de bedoeling [slachtoffer] van hem af te slaan en zich zo te verdedigen.

Het hof acht de verklaring van de verdachte omtrent de gang van zaken aannemelijk mede gelet op de omstandigheid dat deze op relevante onderdelen steun vindt in de verklaring van de getuige [getuige], die ook stelt te hebben waargenomen dat [slachtoffer] de verdachte achterna ging en hem een duw gaf.

Het hof gaat daarom uit van de lezing van de verdachte.

Daaruit trekt het hof de conclusie dat [slachtoffer] de verdachte belaagde vanaf het moment dat hij zich naar de centrale hal van de flat begaf. Buiten de flat is [slachtoffer] de verdachte achterna gekomen en heeft hem geschopt. Uiteindelijk heeft [slachtoffer] de verdachte in een besloten ruimte, waar de verdachte zich veilig waande, wederom opgezocht en geduwd. De verdachte stond daarbij in een kleine ruimte in een hoek.

Onder deze omstandigheden mocht de verdachte zich verdedigen op de wijze waarop hij heeft gedaan. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er voor de verdachte geen reële mogelijkheid bestond om zich op dat moment te onttrekken aan de situatie door weg te gaan. De door de verdachte in de hectiek van de situatie ter verdediging aan [slachtoffer] gegeven vuistslag op de mond kan worden aangemerkt als noodzakelijk en geboden en is niet disproportioneel. Dat een gebitprothese van [slachtoffer] stuk is gegaan, doet hieraan niet af, te minder nu niet bekend is wat de staat van deze prothese was.

Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat verdachtes ten laste gelegde gedraging als wederrechtelijk en daarmee als ‘opzettelijk mishandelend’ kan worden aangemerkt.

De verdachte zal daarom worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot materiële schadevergoeding. Deze bedraagt € 648,28. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00 en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd de vordering toe te wijzen tot een bedrag van € 150,00, met wettelijke rente vanaf 13 augustus 2013 en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting bepleit de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair deze af te wijzen.

Het hof oordeelt als volgt. De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het hem ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet- ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. M.C. Franken, in tegenwoordigheid van D.E.C. Velthuis, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 februari 2017.

Mr. M.C. Franken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen