Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5568

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
23-002328-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van mishandeling. Het hof is van oordeel dat het bestanddeel 'zwaar lichamelijk letsel' niet bewezen kan worden. Vrijspraak van zware mishandeling in vereniging. Het beroep op noodweer is verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-002328-16

datum uitspraak: 8 februari 2017

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-746079-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 08 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] (werkzaam als postbode) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (littekenvorming, althans een diepe snijwond, op het hoofd) heeft/hebben toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet eenmaal of meermalen met een boksbeugel op/tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of tegen het lichaam te slaan en/of te stompen;

subsidiair:
hij op of omstreeks 08 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] (werkzaam als postbode) eenmaal of meermalen met een boksbeugel op/tegen het hoofd heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of tegen het lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (littekenvorming, althans een diepe snijwond, op het hoofd), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Vrijspraak

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte naar voren gebracht dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel en voorts dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat aangever zou zijn geslagen met een boksbeugel, zodat de verdachte van die onderdelen partieel dient te worden vrijgesproken. Tevens heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden uitgesloten dat getuige [getuige], een collega van aangever, bewust dan wel onbewust is beïnvloed door de verklaring van aangever, omdat de getuige aanwezig was toen aangever ter plaatse een verklaring aflegde bij de politie.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof is met de verdediging en de advocaat-generaal van oordeel dat het bestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel’ niet bewezen kan worden. Het letsel bevindt zich op de behaarde hoofdhuid, waardoor het niet zonder meer als ontsierend kan worden aangemerkt, en uit de inhoud van het dossier valt niet af te leiden of volledige genezing al dan niet te verwachten is, waardoor eventuele toekomstige littekenvorming ook niet vastgesteld kan worden. De verdachte dient daarvoor te worden vrijgesproken.

De aangever heeft kort na het incident op het politiebureau aangifte gedaan en daarin heeft hij verklaard dat hij op 8 oktober 2015 door de broer van de verdachte (de medeverdachte) op zijn hoofd is geslagen en dat hij heeft gezien dat de broer van verdachte daarbij een boksbeugel om zijn hand had. De getuige [getuige] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de broer van de verdachte ‘een grote ring om vier vingers had, zo’n ring voor om vier vingers waar je mee kan slaan’ en voorts dat hij, [getuige], zag dat aangever daarmee werd geslagen. De getuige [getuige] heeft in de avond van het incident aan de politie een gedetailleerde en consistente verklaring afgelegd en het hof ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de waarnemingen van deze getuige en/of zijn verklaring onbetrouwbaar zouden zijn. Het enkele feit dat de getuige [getuige] een collega is van aangever, is daarvoor onvoldoende. Daarnaast blijkt uit de medische informatie in het dossier dat de aangever een 4-5 cm lange zigzag, diepe, snijwond op zijn hoofd had, waarvoor aangever in het ziekenhuis is behandeld, welk letsel past bij het slaan met een boksbeugel.

Gelet op de waarnemingen van de aangever en [getuige] en de aard van het letsel, kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de broer van de verdachte aangever heeft geslagen met een boksbeugel. De verweren van de raadsman worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair:
hij op 08 oktober 2015 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk mishandelend [slachtoffer], werkzaam als postbode, (met een boksbeugel) op het hoofd heeft geslagen en tegen het lichaam heeft geslagen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de verdachte een gerechtvaardigd beroep op noodweer toekomt, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uitgegaan dient te worden van de verklaringen van de verdachte en zijn broer, namelijk dat de broer van de verdachte werd aangevallen door aangever en dat zijn broer zich hiertegen heeft geprobeerd te verweren. De verdachte heeft de aangever vervolgens geslagen, zodat zijn broer kon wegkomen. Hierdoor heeft de verdachte zijn broer ontzet uit diens noodweersituatie.

Het hof overweegt als volgt. De verklaring van de verdachte en zijn broer, namelijk dat aangever de eerste is geweest die geweld heeft gebruikt, vindt geen steun in overige bewijsmiddelen. Op grond van de inhoud van het dossier is vast komen te staan dat - nadat een eerste mondelinge confrontatie heeft plaatsgehad tussen aangever en de beide verdachten - de aangever weg is gereden en dat de beide verdachten vervolgens in de auto zijn gestapt, de aangever hebben achtervolgd en wederom op hem zijn afgestapt. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zijn broer in de auto heeft gezegd dat ‘hij nog even verhaal wilde halen bij de postbode’. Hieruit blijkt dat de beide verdachten zelf de confrontatie met de aangever hebben opgezocht en zijn aangegaan. Dit vormt een contra-indicatie voor het standpunt van de verdachte en zijn broer.

Gelet op het vorenstaande is het niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn broers lijf waartegen de verdachte hem noodzakelijk moest verdedigen. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 weken met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van het voorarrest.

De raadsman heeft verzocht te volstaan met een taakstraf dan wel een voorwaardelijke straf, omdat aan een mishandeling in een werkomgeving geen strafverhoging kan worden ontleend.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn broer, de medeverdachte, schuldig gemaakt aan het medeplegen van mishandeling. Daardoor hebben zij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en voor hem een angstige situatie in het leven geroepen, te meer nu dit feit plaatsvond tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Het slachtoffer deed zijn werk als postbode en is daarbij volkomen onnodig meermalen lastig gevallen en uiteindelijk mishandeld. Tevens brengen dergelijke feiten gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 januari 2017 is hij eerder onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in het nadeel van verdachte meeweegt.

Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een taakstraf dan wel een voorwaardelijke straf.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat een schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd voor een bedrag van € 962,78, bestaande uit € 362,78 aan materiële schade, te weten het eigen risico van de zorgverzekeraar van het slachtoffer, en € 600,00 aan immateriële schade.

Het hof overweegt dat - hoewel het slachtoffer zich in het strafproces in eerste aanleg niet heeft gevoegd als benadeelde partij - de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, hetgeen in de onderhavige zaak het geval is.

Het slachtoffer heeft voorafgaand aan de terechtzitting in hoger beroep stukken toegezonden, waaruit blijkt dat het slachtoffer op 8 oktober 2015 in het ziekenhuis is geweest voor het letsel dat hij die dag heeft opgelopen. Daarnaast is uit de stukken gebleken dat het slachtoffer na 8 oktober 2015 met tegenzin naar zijn werk gaat, dat hij zich angstig voelt zodra hij in de buurt komt van de plaats van het misdrijf en dat het voor hem moeilijk is om deze ervaring te verwerken. Deze materiële en immateriële schade is het rechtstreekse gevolg van het handelen van de verdachte en zijn broer.

Onder bovengenoemde omstandigheden ziet het hof aanleiding om aan de verdachte ambtshalve de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van € 962,78, bestaande uit materiële schade van € 362,78 (eigen risico) en immateriële schade van € 600,00.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer]

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 962,78 (negenhonderdtweeënzestig euro en achtenzeventig cent) bestaande uit € 362,78 (driehonderdtweeënzestig euro en achtenzeventig cent) materiële schade en

€ 600,00 (zeshonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

19 (negentien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 februari 2017.