Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5567

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
23-003012-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van art. 6 WVW. Het hof is van oordeel dat de verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gedragen in het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003012-16

datum uitspraak: 8 februari 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 22 juli 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-710245-14 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

25 januari 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging in het subsidiair onder B ten laste gelegde is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 30 juni 2014 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, (de oprit naar een tankstation aan de Rijksweg A4), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, aldaar te rijden:

- met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse (gelet op de toen geldende omstandigheden) toegestaan en/of verantwoord was en/of

- met een snelheid die zo hoog was dat hij niet in staat is gebleken om (a) zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (b) zijn motorrijtuig voortdurend onder controle te houden en/of

- onder invloed van een zodanige hoeveelheid alcoholhoudende drank dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat was,

immers verdachte is - rijdend als hiervoor omschreven - met het door hem bestuurde motorrijtuig ((erg) hard) opgebotst of aangereden tegen de achterzijde van een voor hem op op de oprit naar dat tankstation geparkeerd staande vrachtauto met oplegger, waardoor aan een inzittende van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, (te weten een gebroken heup), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;


subsidiair:
A.

hij op of omstreeks 30 juni 2014 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,13 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

B.

hij op of omstreeks 30 juni 2014 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken]), daarmede rijdende over de weg, (de oprit naar een tankstation aan de Rijksweg A4),

- met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse (gelet op de toen geldende omstandigheden) toegestaan en/of verantwoord was en/of

- met een snelheid die zo hoog was dat hij niet in staat is gebleken om (a) zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of (b) zijn motorrijtuig voortdurend onder controle te houden,

immers verdachte is - rijdend als hiervoor omschreven - met het door hem bestuurde motorrijtuig opgebotst of aangereden tegen de achterzijde van een voor hem op op de oprit naar dat tankstation geparkeerd staande vrachtauto met oplegger, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair:
hij op 30 juni 2014 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, merk BMW, kenteken [kenteken], daarmede rijdende over de oprit naar een tankstation aan de Rijksweg A4, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig aldaar te rijden:

- met een veel hogere snelheid dan ter plaatse gelet op de toen geldende omstandigheden verantwoord was en

- met een snelheid die zo hoog was dat hij niet in staat is gebleken om (a) zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en (b) zijn motorrijtuig voortdurend onder controle te houden en

- onder invloed van een zodanige hoeveelheid alcoholhoudende drank dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat was,

immers verdachte is - rijdend als hiervoor omschreven - met het door hem bestuurde motorrijtuig erg hard opgebotst tegen de achterzijde van een voor hem op de oprit naar dat tankstation geparkeerd staande vrachtauto met oplegger, waardoor aan een inzittende van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig genaamd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken heup werd toegebracht, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat uit aanmerkelijke onvoorzichtigheid en het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht, terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van deze wet.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van

3 jaren, een taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden met aftrek, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechtbank opgelegd.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat het voor hem problemen geeft indien hij zijn rijbewijs opnieuw in moet leveren, omdat hij in ploegendienst en op onregelmatige tijden werkt. Zonder rijbewijs kan hij, indien hij ochtenddienst heeft en dan om 6.00 uur moet beginnen, met het openbaar vervoer niet op tijd op zijn werk in Leiden zijn. Verdachte heeft toegelicht dat hij daar nu nog werkzaam is via een uitzendbureau, maar dat er zicht is op een vaste aanstelling. Dat komt echter in gevaar als hij geen rijbewijs heeft. Daarnaast moet hij op tijd thuis zijn om voor zijn vrouw en kinderen te zorgen. Doordat de vrouw van verdachte ernstige psychische klachten heeft, moet verdachte een groot deel van de zorgtaken op zich nemen, er is geen familie in de nabijheid die kan bijspringen. De verdachte heeft tevens naar voren gebracht dat hij zich er goed van bewust is dat hij een grote fout heeft gemaakt, dat hij het slachtoffer, een vriend, na het ongeval geruime tijd in huis heeft genomen en heeft verzorgd, dat hij de afgelopen jaren erg boos op zichzelf is geweest en dat hij het ongeval beschouwt als een grote les.

De raadsman heeft namens de verdachte verzocht de ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk op te leggen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid - gezien het feit dat de verdachte inmiddels zijn ‘wilde haren’ kwijt is, zijn leven in dienst stelt van de verzorging van zijn vrouw en gezin en kostwinnaar is - onevenredig belastend is en zijn doel voorbij schiet. De raadsman heeft ter onderbouwing een tweetal medische verklaringen betreffende de echtgenote van verdachte overgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep is besproken. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt door op de afrit naar het tankstation op de Rijksweg A4 met een veel hogere snelheid dan ter plaatse, gelet op de toen geldende omstandigheden, verantwoord was en onder invloed van alcohol te rijden, waardoor hij een geparkeerde vrachtauto over het hoofd heeft gezien en daar tegenop is gebotst. De verdachte heeft zich aldus aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen in het verkeer. Een vriend van de verdachte die ook in de auto zat heeft hierdoor zwaar lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een gebroken heup. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 januari 2017 is aan verdachte in 2004 een transactie opgelegd voor het rijden onder invloed en in 2013 heeft verdachte, naast een geldboete, een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee maanden opgelegd gekregen vanwege een grove snelheidsovertreding.

Gelet op het voorgaande is het hof, anders dan de raadsman, van oordeel dat niet kan worden volstaan met een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Anderzijds ziet het hof in hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht betreffende de hiervoor weergegeven persoonlijke omstandigheden van verdachte, aanleiding de duur van het onvoorwaardelijk deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid te matigen.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en een ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 15 (vijftien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 februari 2017.