Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5558

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
23-001734-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belaging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-001734-17

Datum uitspraak: 27 december 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 9 mei 2017 in de strafzaak onder parketnummer 15-217183-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1980,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
13 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in de periode vam 5 september 2016 tot en met 28 september 2016 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte:

- die [slachtoffer] veelvuldig berichten via Facebook gestuurd en/of;

- die [slachtoffer] veelvuldig via Facebook gebeld;

- zich meermalen, althans eenmaal opgehouden bij de woning van die [slachtoffer] en/of (daarbij) aangebeld en/of;

- zich op 20 september 2016 de toegang verschaft tot het balkon van die [slachtoffer] door middel van inklimming en/of (vervolgens) de woonkamer van die [slachtoffer] betreden;

- meermalen, althans eenmaal de werkgever van die [slachtoffer] gebeld;

- meermalen, athans eenmaal brieven en/of kaarten en/of papieren in de brievenbus van die [slachtoffer] gedeponeerd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring en tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte en de aangeefster hadden een gecompliceerde knipperlichtrelatie die zich kenmerkte door een voortdurend patroon van aantrekken en afstoten, waardoor het voor de verdachte onduidelijk was wat ze wilde. Pas vanaf 20 september 2016 werd het de verdachte duidelijk dat hij aangeefster hinderlijk lastig viel. De periode tussen 20 september en 28 september 2016 is te kort om van een stelselmatige belaging te kunnen spreken. Dit is eveneens het geval indien 6 september 2016 als beginpunt wordt genomen. Dat de aangeefster de handelingen van de verdachte irritant vond, maakt nog niet dat deze – wat intensiteit betreft – dermate indringend waren dat deze een verreikende invloed hebben gehad op het persoonlijke leven van aangeefster.

Het hof kan zich vinden in de bewijsoverweging van de rechtbank, en neemt deze hieronder over, zij het met enige aanpassingen, en grondt daarop de bewezenverklaring.

De verdachte en de aangeefster, wonende te Hoofddorp, hebben drie jaar een relatie gehad die niet zonder problemen was. De aangeefster heeft op 5 september 2016 in de ochtend een Whatsapp-bericht gestuurd, inhoudende dat ze wilde stoppen met de relatie, waarna zij de hele dag door berichten ontving van de verdachte, hij ook meermalen probeerde telefonisch contact op te nemen en zij niet heeft opgenomen. Op 6 september 2016 heeft zij om 5.05 uur in een WhatsApp-bericht aan de verdachte gezegd dat de relatie helemaal klaar was, zij niets meer met hem te maken wilde hebben en dat zij niets meer van hem wilde horen en zien.1 Op diezelfde dag heeft aangeefster bij de politie er melding van gedaan dat de verdachte die nacht voor haar deur had lopen schreeuwen en op de deur staan bonken tot 02.00 uur ‘s nachts. Naar aanleiding hiervan heeft de politie met de verdachte gesproken en hem uitgelegd dat de aangeefster geen relatie meer met hem wilde en dat zij met rust gelaten wilde worden. De verdachte heeft aangegeven de ernst van de situatie te begrijpen met betrekking tot een eventuele aangifte van stalking en gezegd dat hij aangeefster met rust zou laten.2

Op 8 september 2016 is de verdachte bij aangeefsters woning geweest en heeft hij de aangeefster veelvuldig berichten via Facebook verstuurd. Uit het overzicht van de Facebook-berichten blijkt ook dat de verdachte de aangeefster veelvuldig heeft gebeld via Facebook, waarbij zij evenwel niet heeft opgenomen.3

Op 13 september 2016 heeft de verdachte gebeld naar het werk van de aangeefster in Amsterdam. Zij heeft hem toen opnieuw gezegd dat zij geen contact meer met hem wilde en dat hij haar niet meer mocht bellen op haar werk.4 Op 20 september 2016 heeft de verdachte wederom meerdere malen gebeld naar het werk van de aangeefster. Uiteindelijk heeft de aangeefster opgenomen en de verdachte gezegd dat hij haar niet meer mocht bellen op het werk en dat zij met rust gelaten wilde worden. De verdachte gaf aan dat hij haar miste en met haar wilde praten, en zei: “Ik zie je nog wel voor de deur.”5 De werkgeefster van de aangeefster heeft verklaard dat de verdachte diverse keren heeft gebeld naar het kinderdagverblijf, waarbij hij naar de aangeefster vroeg. De eerste dag heeft hij ongeveer tien keer gebeld, de tweede dag ongeveer zes keer.6

Op 16 september 2016 zag de aangeefster de verdachte voor haar raam staan. Hij begon een gesprek en zei andermaal dat hij haar miste. De aangeefster heeft de verdachte weer gezegd dat zij hem niet meer wilde zien en dat zij geen contact meer met hem wilde. De aangeefster zag dat de verdachte vervolgens iets bij haar deur neerlegde, hetgeen een brief van meerdere kantjes bleek te zijn.78

Op 20 september 2016 heeft de aangeefster bij de politie een melding gemaakt van het lastig vallen, hiervan is een mutatie opgemaakt.9 Diezelfde nacht is de verdachte omstreeks via het balkon op twee hoog de woonkamer van de aangeefster binnengedrongen. Hiervan heeft de aangeefster aangifte van huisvredebreuk gedaan.10

Op 22 september 2016 trof de aangeefster een witte envelop met het logo van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) met postadres Luchthaven Schiphol aan in haar brievenbus. Hierin zat een brief van de verdachte over hun relatie van meerdere kantjes en een ansichtkaart.11

In de ochtend van 24 september 2016 vond de aangeefster opnieuw een witte envelop met het logo van de DJI met postadres Luchthaven Schiphol in haar brievenbus. Hierin zat weer een getypte brief van de verdachte over hun relatie van meerdere kantjes.12 In de avond zag zij opnieuw een soortgelijke envelop in de brievenbus. In de envelop zat een getypte brief van de verdachte en één kantje. De enveloppen waren blanco, waardoor de aangeefster concludeerde dat deze door de verdachte in de brievenbus zijn gedaan.13

Op 25 september 2016 werd de aangeefster door vrienden thuisgebracht. Kort daarna hoorde zij dat er vijf à zes keer werd aangebeld. Via het keukenraam zag zij de verdachte voor de deur staan. Even later hoorde zij dat de verdachte achter de woning stond te schreeuwen. Hierop heeft zij de politie gebeld.1415

Op 26 september 2016 vond de aangeefster een stapel papieren in de brievenbus met de betekenis van de sterrenbeelden van de verdachte en haarzelf.16 De aangeefster heeft op dezelfde dag aangifte gedaan van stalking.17 Zij is heel erg bang voor verdachte, durft niet meer alleen over straat en heeft diverse medische klachten.18

Op 27 september 2016 om 23.45 uur heeft de verdachte bij de aangeefster aangebeld aan de voordeur op de tweede verdieping. De aangeefster zag hem voor haar deur staan. Even later zag zij de verdachte op de parkeerplaats staan aan de voorzijde, met zicht op haar woning. Hierop heeft zij de politie gebeld.19 Verbalisanten hebben de verdachte aangetroffen op de bestuurdersstoel van diens auto, waarbij de bestuurdersstoel in de ligstand stond. De verdachte is vervolgens aangehouden.20

De aangeefster is vanwege de angstige situatie naar de dokter gegaan. Zij had hartkloppingen. Van de arts heeft zij Oxazepam gekregen en zij is verwezen naar de psycholoog. Zij heeft haar balkon voorzien van een lamp met bewegingssensor en heeft rondom het balkon prikkeldraad geplaatst. Zij durfde niet meer alleen de deur uit of de deur te openen voor vrienden.21 Zij heeft uitdrukkelijk verzocht om tot vervolging over te gaan.22

De verdachte heeft verklaard dat hij bij het JCS op Schiphol werkt. Op 13 september 2016 heeft hij vanaf zijn werk gebeld naar het werk van de aangeefster in Amsterdam. Op 16 september 2016 omstreeks 19.00 uur heeft hij voor het keukenraam van haar woning gestaan en heeft hij gezegd dat hij haar mist. Op 20 september 2016 heeft hij meerdere keren gebeld naar het werk de aangeefster. Die dag omstreeks 23:15 uur is hij op het balkon van haar woning geklommen en is hij haar woning ingegaan. De witte enveloppen van de Dienst Justitiële Inrichtingen Schiphol heeft hij van een collega op zijn werk. Hij is op 27 september 2016 bij de woning van de aangeefster in Hoofddorp geweest.23 Deze verklaring heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep in grote lijnen herhaald.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of de handelingen die de verdachte heeft verricht, in onderlinge samenhang bezien, zijn aan te merken als een wederrechtelijke, stelselmatige, opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Van belang daarbij is de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Op 5 september 2016 is door aangeefster aan de verdachte bericht dat de relatie voorbij was. De verdachte is die nacht op haar deur gaan bonken, ondertussen schreeuwend. Uit het WhatsApp-bericht dat de aangeefster op 6 september 2016 om 5.05 uur aan de verdachte heeft gestuurd is duidelijk op te maken dat zij op geen enkele manier contact meer met hem wilde. Aangeefster is naar de politie gegaan om melding te maken van het gedrag van de verdachte. Diezelfde dag is door verbalisant [verbalisant 1] tegen de verdachte gezegd dat hij haar met rust moest laten, waarna de verdachte heeft gezegd dat hij dit begrijpt en dit ook gaat doen. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het de verdachte daarom vanaf

6 september 2016 duidelijk was dat hij geen contact met de aangeefster diende op te nemen, en zal het deze datum als beginpunt nemen van de in dezen strafrechtelijk relevante gedragingen. Het hof is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte vanaf 6 september 2016, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangeefster – naar objectieve maatstaven bezien – zodanig zijn geweest dat van een wederrechtelijke stelselmatige opzettelijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 6 september 2016 tot en met 27 september 2016 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en/of te dulden, immers heeft hij, verdachte:

- die [slachtoffer] veelvuldig berichten via Facebook gestuurd en;

- die [slachtoffer] veelvuldig via Facebook gebeld;

- zich meermalen opgehouden bij de woning van die [slachtoffer] en/of daarbij aangebeld en;

- zich op 20 september 2016 de toegang verschaft tot het balkon van die [slachtoffer] door middel van inklimming en vervolgens de woonkamer van die [slachtoffer] betreden;

- meermalen de werkgever van die [slachtoffer] gebeld;

- meermalen brieven en eenmaal een kaart en papieren in de brievenbus van die [slachtoffer] gedeponeerd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van drie jaren. Daarbij heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden gesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met een proeftijd van drie jaren. Daarbij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat een aantal bijzondere voorwaarden wordt gesteld.

De raadsman heeft verzocht een geldboete op te leggen passend bij huisvredebreuk of een eenvoudige taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft zich gedurende een periode van drie weken schuldig gemaakt aan de belaging van zijn ex-vriendin. Nadat de aangeefster hem te kennen had gegeven hun relatie te beëindigen, en geen contact meer met hem te willen hebben, heeft de verdachte haar berichten gestuurd, naar haar werk gebeld, zich opgehouden voor haar woning (en daarbij soms aangebeld), brieven en andere papieren in haar brievenbus gedeponeerd en in de nacht haar woning betreden – nadat hij, terwijl zij sliep, op haar balkon op de tweede verdieping was geklommen. De verdachte lijkt zich nog steeds de ernst van deze gedragingen onvoldoende te realiseren. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij – geëmotioneerd – verklaard dat hij ‘alles’ niet heeft gedaan om de aangeefster te ‘pesten’ maar dat hij zijn emoties wilde uiten, hij radeloos was, niet begreep waarom zij het wilde uitmaken en dat hij vond dat hij het recht had om met haar te praten. Dat recht had de verdachte echter niet, met name niet nadat zij op onmiskenbare wijze duidelijk had gemaakt geen contact meer met hem te willen. Door zich nadien te gedragen zoals hiervoor vastgesteld, heeft hij de grens van het toelaatbare ver overschreden. Het wekt dan ook geen verbazing dat de gevolgen voor het slachtoffer groot zijn geweest.

Uit het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 29 november 2017 blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten door de strafrechter is veroordeeld.

Het hof heeft oog gehad voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is sinds de aangifte van stalking door zijn werkgever op non-actief gesteld en kampt mede daardoor met verschillende problemen die verband houden met werk en inkomen.

Het hof zal – anders dan de rechtbank – geen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Dat is niet omdat het hof de feiten als minder ernstig beoordeelt, maar omdat het hof aannemelijk acht dat de verdachte sindsdien de aangeefster met rust heeft gelaten en niet van zins is haar weer op te zoeken, zodat een dreigende gevangenisstraf niet meer nodig lijkt. Desalniettemin zal het hof, teneinde hem ervan te weerhouden opnieuw (soortgelijke) strafbare feiten te begaan, een gedeelte van de op te leggen taakstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, waarbij een aantal bijzondere voorwaarden wordt gesteld.

Het hof acht het in het belang van het slachtoffer dat de verdachte geen enkel contact met haar heeft en zal daarom een contact- en locatieverbod als bijzondere voorwaarden stellen. Het belang van de verdachte bij zijn recht op vrijheid van beweging weegt daar onvoldoende tegenop, omdat het gaat om een zeer geringe beperking van dat recht, terwijl het daarmee gemoeide belang van het slachtoffer zwaarwegend is. De stelling van de verdachte dat hij door een locatieverbod betreffende het werk van de aangeefster zijn dochtertje niet meer kan bezoeken, mist feitelijke grondslag, nu beide locaties op ongeveer twee kilometer afstand van elkaar liggen. Het hof ziet geen reden de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden te gelasten.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis, waarvan 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis, voorwaardelijk, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.145,55, bestaande uit € 395,55 materiële schade en € 1.750 immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 1.395,55, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Voorts heeft de benadeelde partij verzocht dat een contact- en een locatieverbod als bijzondere voorwaarden worden gesteld en dat het hof de dadelijke uitvoerbaarheid hiervan beveelt.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de integrale toewijzing van de vergoeding van de materiële schade en de toewijzing van de vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft bepleit dat de gevorderde materiële schade moet worden afgewezen omdat het bedrag veel te hoog is. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman bepleit dat de vordering moet worden afgewezen omdat de gestelde immateriële schade niet kan worden toegewezen zonder ondersteuning door een rapport van een psycholoog. De vordering is nu onvoldoende onderbouwd, ook wat betreft het causaal verband tussen het handelen van de verdachte en de gevorderde schade, aldus de raadsman.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden, mede nu deze schade zijdens de verdachte niet inhoudelijk is betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden.

Immateriële schade

Voldoende vast is komen te staan dat de benadeelde partij ten gevolge van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte immateriële schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft aan haar vordering gemotiveerde stellingen ten grondslag gelegd. De verdachte heeft die stellingen onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 1.000, waarbij is gelet op de omstandigheden dat de aangeefster als gevolg van het feit angstig, zenuwachtig en onzeker is geworden, heeft gekampt met een slaapprobleem en medische en psychische klachten heeft ontwikkeld waarvoor zij medicatie heeft moeten gebruiken en een EMDR-behandeling heeft moeten ondergaan. Verder heeft het hof gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

- de veroordeelde zich na oproeping door de reclassering meldt bij de Reclassering Nederland, Wibautstraat 12 te Amsterdam. Hierna moet hij zich gedurende de door de reclassering bepaalde periode blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze periode nodig acht. Hij dient zich te houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet zijn opgenomen in de andere bijzondere voorwaarden;

- de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van De Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie, of een soortgelijke instantie, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, voor een behandeling gericht op het delictgedrag;

- het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is (in)direct contact te leggen of te laten leggen met [slachtoffer], geboren op [geboortedag 2] 1991, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet zal bevinden in het gebied binnen een straal van 500 meter rondom de woning van [slachtoffer], thans [adres 2] en het werkadres van [slachtoffer], thans [adres 3], zolang de reclassering dit nodig acht.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.395,55 (duizend driehonderdvijfennegentig euro en vijfenvijftig cent) bestaande uit € 395,55 (driehonderdvijfennegentig euro en vijfenvijftig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en immateriële schade op 27 september 2016.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.395,55 (duizend driehonderdvijfennegentig euro en vijfenvijftig cent) bestaande uit € 395,55 (driehonderdvijfennegentig euro en vijfenvijftig cent) materiële schade en € 1.000,00 (duizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en immateriële schade op 27 september 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Kuiper, mr. E. Mijnsberge en mr. F.G. Hijink, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 december 2017.

Mrs. Mijnsberge, Hijink en Kwint zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.

1 Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL 1100-2016216129-1 van 26 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 2] (doorgenummerde p. 54 e.v. en bijlage 1).

2 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016217470-14 van 3 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 1] (doorgenummerde p. 29 e.v.).

3 Een proces-verbaal van aangifte van 26 september 2016 met nummer PL-1100-20162161291-1 (doorgenummerde p. 54 e.v. en bijlage 2).

4 Een proces-verbaal van aangifte van 26 september 2016 met nummer PL- 1100-20162161291-1 (doorgenummerde p. 55).

5 Een proces-verbaal van aangifte van 26 september (doorgenummerde p. 56).

6 Een proces-verbaal van verhoor getuige [verbalisant 3] met nummer PL1100-2016217470-16 van 17 oktober 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 1] (doorgenummerde p. 25).

7 Proces-verbaal van aangifte van 26 september 2016 met nummer (doorgenummerde p. 55-56).

8 Een geschrift, zijnde een brief van verdachte aan aangeefster, opgenomen als bijlage 3 bij het dossier.

9 Een proces-verbaal van bevindingen van 3 oktober 2016 met nummer PL 1100-20162174740-14 (doorgenummerde p. 30).

10 Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2016211865-1 van 22 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 4] (doorgenummerde p. 47-48).

11 Een proces-verbaal van aangifte van 26 september 2016 (doorgenummerde p. 56 en bijlage 5).

12 Een proces-verbaal van aangifte van 26 september 2016 (doorgenummerde p. 56 en bijlage 6).

13 Een proces-verbaal van aangifte van 26 september 2016 (doorgenummerde p. 56-57 en bijlage 7).

14 Een proces-verbaal van aangifte van 26 september 2016 (doorgenummerde p. 57).

15 Een proces-verbaal van bevindingen van 3 oktober 2016 (doorgenummerde p. 30).

16 Een proces-verbaal van aangifte van 26 september 2016 (doorgenummerde p. 57 en bijlage 8).

17 Een proces-verbaal van aangifte van 26 september 2016 (doorgenummerde p. 54 e.v).

18 Een proces-verbaal van aangifte van 26 september 2016 (doorgenummerde p. 57).

19 Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1100-2016217470-1 van 28 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 5] (doorgenummerde p. 16 e.v.).

20 Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2016217470-3 van 28 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 6] (doorgenummerde p. 33-34, met bijlagen op p. 35 en 36).

21 Een proces-verbaal van aangifte van 28 september 2016 (doorgenummerde p. 17).

22 Een proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie met nummer P1100-2016217470-5 van 28 september 2016 , in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 7] (doorgenummerde p. 19-20).

23 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte met nummer PL1100-2016217470-8 van 28 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde verbalisant [verbalisant 1] (doorgenummerde p. 37 e.v.).