Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:550

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
27-02-2017
Zaaknummer
200.181.671/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het toepassen van gedifferentieerde korting door een Pensioenfonds is niet in strijd met de Pensioenwet (artikelen 105, 123 en 134 Pensioenwet).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/38 met annotatie van L.H. Blom CPL
AR 2017/1040
RAR 2017/75
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.181.671/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 2801792 CV EXPL 14-4907.2

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 februari 2017

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. R.J.G. Veugelers te Vlaardingen,

tegen

STICHTING PENSIOENFONDS MERCURIUS AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. Lutjens te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en PMA genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 4 november 2015 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 10 augustus 2015, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en PMA als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 2 november 2016 doen bepleiten, [appellant] door mr. Veugelers voornoemd alsmede door mr. A.M. Hoogwerff Kroon, advocaat te Vlaardingen, en PMA door mr. Lutjens voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – zijn vorderingen zoals aan het slot van de memorie van grieven vermeld zal toewijzen, met veroordeling van PMA in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.

PMA heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen en bekrachtging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1.

De kantonrechter heeft in het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 17 november 2014 en in het bestreden (eind)vonnis onder het kopje ‘Feiten’ respectievelijk ‘Nadere feiten en omstandigheden’ de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep met uitzondering van de onder 1.7 en 1.8 van het eindvonnis vastgestelde feiten niet in geschil. Tegen de daar genoemde feiten richt zich grief I. Het hof zal deze grief hierna, bij de beoordeling, in zijn overwegingen betrekken. Voor het overige zijn de door de kantonrechter vastgestelde feiten in hoger beroep niet in geschil en zal ook het hof daarvan uitgaan.

2.2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.3.

PMA is opgericht in 1936 en functioneerde aanvankelijk als pensioenfonds vr Euronext. Gaandeweg is PMA de pensioenregelingen gaan uitvoeren voor meer ondernemingen.

2.4.

Laatstelijk voerde PMA de pensioenen uit voor de volgende vijf werkgevers:

( a) Euronext Amsterdam N.V. te Amsterdam (Euronext);

( b) Stichting Autoriteit Financiële Markten te Amsterdam (AFM),

( c) LCH. Clearnet Amsterdam S.A. te Amsterdam (Clearnet);

( d) Nederlands Centraal Instituut voor Giraal Effectenverkeer BV en Amsterdam

Branche van Euroclear S.A. (Euroclear), en

( e) Stichting DSI te Amsterdam (DSI).

Ook Atos en Tijdbeursmedia zijn bij PMA aangesloten (geweest); zij hebben nog

slechts inactieve deelnemers in PMA. Het merendeel van de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden in PMA (totaal 1872) komt van AFM (939) en Euronext (661). Atos en Tijdbeursmedia hebben samen 50 deelnemers/pensioengerechtigden.

2.5

PMA heeftmet de diverse werkgevers aparte uitvoeringsovereenkomsten gesloten.

Deze overeenkomsten zijn inhoudelijk gelijk, op een enkel artikel na. Zo hebben Euronext en AFM in hun uitvoeringsovereenkomst 2007-2012 een

verplichting tot premieopslag van maximaal 10% voor het geval PMA niet meer

over het in de Pensioenwet (hierna ook: PW) vereiste minimale eigen vermogen beschikt. Ook de pensioenreglementen zijn (voor zover relevant) gelijkluidend.

2.6.

[appellant] is van 1990 tot 1998 bij (de rechtsvoorganger van) Euronext in dienst

geweest. Vanaf 1992 nam hij deel in PMA. Zijn pensioenregeling betrof een zogenoemde eindloonregeling.

2.7.

In 1998 is [appellant] in dienst getreden bij Federation of European Stock Exchanges (FESE). FESE was geen bij PMA aangesloten werkgever. Om een pensioenbreuk te

voorkomen heeft FESE op verzoek van [appellant] zijn pensioenregeling bij PMA

vrijwillig voortgezet. In dat verband heeft FESE de opgebouwde pensioenrechten van

[appellant] bij Euronext overgenomen, afgefinancierd en tijdens het dienstverband

met [appellant] verder opgebouwd. [appellant] is de enige deelnemer van FESE in PMA.

2.8.

[appellant] is in 2005 op 62-jarige leeftijd met pensioen gegaan. Zijn opgebouwde ouderdomspensioen bedroeg toen € 89.371,- bruto per jaar. Indien de dienstjaren bij Euronext niet door FESE waren overgenomen, zou [appellant] een pensioen hebben opgebouwd van in totaal € 82.151,- bruto per jaar;

2.9.

Omstreeks 2008 heeft PMA een situatie geconstateerd dat de dekkingsgraadaanzienlijk onder het niveau van het minimaal vereiste vermogen daalde (een

onderdekking). Naar aanleiding daarvan heeft PMA op in oktober 2008 bij De

Nederlandsche Bank (DNB) een zogenaamd korte en een lange termijn herstelplan

ingediend. Dit voorzag erin dat de onderdekking eind 2013 zou zijn opgeheven.

2.10.

Onderdeel van het herstelplan was een premieopslag van 10% conform de in de uitvoeringsovereenkomsten 2007-2012 van Euronext en AFM opgenomen

verplichting. De overige aangesloten werkgevers hadden deze verplichting niet in

hun uitvoeringsovereenkomst en hebben geen premieopslag gekregen.

2.11.

In de uitvoeringsovereenkomsten met de aangesloten werkgevers voor 2012-

2013 is voor iedereen een premieopslag van 10% overeengekomen. Daaraan is uitvoering gegeven.

2.12.

In de loop van 2012 bleek dat het herstel van PMA - ondanks de premiesopslag en overige maatregelen - onvoldoende was. PMA heeft daarop de aangesloten

werkgevers benaderd met het verzoek onverplicht bijstortingen te verrichten om

kortingen op de (ingegane) pensioenen te voorkomen.

2.13.

In maart 2012 heeft PMA met de (aanvankelijk) drie werkgevers die tot bijstorten

bereid waren, te weten AFM, Euroclear en DSI, een ‘agreement on additional

contributions’ gesloten.

2.14.

Artikel 3 van deze overeenkomst luidt, voor zover van belang:

- the Pension Fund will avoid any cross-subsidy effects concerning the measures taken to end the Capital Deficit and in the execution of this Agreement, as far as this will not be conflicting with article 123 of the Pension Act.

2.15.

Naderhand bleken ook Euronext en Clearnet tot bijstorten bereid. Daarop is een tweede overeenkomst, nu met de vijf werkgevers, gesloten: de ‘overeenkomst

inzake aanvullende stortingen 2013 van 8 februari 2013. Ook in die overeenkomst

is opgenomen dat PMA bij de toe te passen maatregelen “kruissubsidiëring”

zal vermijden.

2.16.

Artikel 3.A. van deze overeenkomst luidt:

(..)

5. De per 31 december 2012 opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten van de verzekerden die zijn toe te rekenen aan de vier in lid 1 genoemde aangesloten instellingen worden per 1 april 2013 gekort met 3,0%.

6. Het pensioenfonds zal aan de verzekerden die zijn toe te rekenen aan de in lid 1 genoemde instellingen aankondigen dat er in overeenstemming met het herstelplan per april 2014 geen verdere korting volgt indien het pensioenfonds per 31 december 2013 een dekkingsgraad heeft bereikt van tenminste het niveau van het minimaal vereiste vermogen. (..)

2.17.

Voor DSI gold een aparte regeling. Artikel 3.B. van de overeenkomst luidt:

(..)

2. De per 31 december 2012 opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten van de verzekerden die zijn toe te rekenen aan DSI worden per 1 april2013 gekort met 4,425%.

3. Het pensioenfonds zal aan de verzekerden die zijn toe te rekenen aan DSI een extra korting aankondigen per 1 april 2014 van naar verwachting 1,8%. (..)

2.18.

PMA heeft FESE bij brieven van 6 mei 2013, 17 juli 2013 en 10 september 2013 verzocht tot bijstorting ten behoeve van [appellant] over te gaan. FESE heeft dat geweigerd. Atos en Tijdbeursmedia hebben overigens ook niet bijgestort.

2.19.

PMA heeft per 1 april 2013 een korting van 3% op de ingegane pensioenen

doorgevoerd. Deze maatregel gold voor alle pensioengerechtigden van PMA.

Vervolgens heeft PMA voor de deelnemers van wie de werkgevers niet hadden

bijgestort, nog een korting doorgevoerd van 4% per 1 december 2013.

2.20.

De pensioenuitkering van [appellant] bedroeg in januari 2013 (opgekort) € 7.447,59 bruto per maand, per 1 april 2013 (korting 3%) € 7.224,17 bruto per maand en

per 1 december 2013 (korting 4%) € 6.926,27 bruto per maand. PMA heeft

[appellant] tijdig over de kortingen geïnformeerd.

2.21.

De vijf aangesloten werkgevers hebben de uitvoeringsovereenkomsten met PMA opgezegd tegen 31 december 2013. De pensioenopbouw is vanaf 1 januari 2014

bij andere pensioenuitvoerders ondergebracht. Het pensioen van [appellant] is

overgedragen aan Delta Lloyd Levensverzekering N.V.

2.22.

Bij brief van 4 februari 2014 heeft PMA FESE nogmaals gevraagd of zij wilde

bijstorten in verband met het pensioen van [appellant] . PMA heeft in de brief

berekend dat wanneer FESE bereid was een bedrag van € 245.000,- bij te

storten (bij de nieuwe pensioenuitvoerder), de eerdere kortingen ongedaan

gemaakt konden worden en verdere kortingen niet hoefde plaats te vinden. FESE

heeft bijstorting wederom geweigerd.

2.23.

Per 1 april 2014 is de pensioenuitkering van [appellant] verder gekort tot € 6.673,05 (korting 3,4%). PMA heeft [appellant] hierover wederom geïnformeerd.

2.241.22. In totaal is Artman evenals de deelnemers van Atos en Tijdbeursmedia 10,4% gekort op zijn pensioen.

2.25

PMA heeft DNB in 2013 op de hoogte gesteld van het voornemen tot gedifferentieerd korten en van de verzoeken/weigeringen tot bijstorting.

2.26

Bij brief van 25 maart 2013 heeft DNB daarop gereageerd.

2.27.

In verband met de korting in 2014 heeft PMA een vragenlijst ten behoeve van DNB ingevuld, waarin de gedifferentieerde korting is beschreven.

2.28.

PMA is sedert 1 januari 2014 in liquidatie, waarbij - naar verwachting - na de afwikkeling een batig saldo resteert, dat zal worden aangewend voor een (eenmalige) ophoging van de aanspraken van de deelnemers in PMA.

3 Beoordeling

3.1.

[appellant] vordert - na wijziging van eis bij de memorie van grieven - voor recht te verklaren dat de extra kortingsmaatregelen jegens hem van 1 december 2013 (korting 4%) en 1 april 2014 (korting 3,4%) in strijd zijn met de Pensioenwet, PMA te veroordelen tot het met terugwerkende kracht ongedaan maken van de extra kortingsmaatregelen en een nabetaling te verrichten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 december 2013 respectievelijk vanaf 1 april 2014, alles met veroordeling van PMA in de proceskosten.

[appellant] stelt hiertoe, samengevat en zakelijk weergegeven, dat PMA een pensioen-fonds is waarbij verschillende werkgevers zijn aangesloten. Dit fonds vormt

financieel gezien één geheel. PMA heeft per 1 april 2013 een kortingsmaatregel

doorgevoerd voor alle deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden. De

kortingsmaatregelen van 1 december 2013 en 1 april 2014 zijn echter alleen doorgevoerd voor de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden van (voormalige-)werkgevers die niet hebben bijgestort.

De laatste werkgever van [appellant] , FESE, heeft niet bijgestort waardoor zijn

pensioenuitkering in totaal met 10,4% is gekort. PMA heeft zodoende een scheiding

aangelegd tussen de verschillende (gewezen) deelnemers en gepensioneerden van

verschillende werkgevers. Deze handelwijze is in strijd met (onder meer) artikel 123 Pensioenwet. Uit de financiële stukken van PMA volgt dat er bij dit fonds geen gescheiden vermogens zijn. Alle (gewezen) deelnemers en gepensioneerden hebben (inhoudelijk) dezelfde pensioenregeling. Bijstortingen moet volgens [appellant] ten goede komen aan alle (gewezen) deelnemers en gepensioneerden. Het (extra) korten van slechts een kleine groep (gewezen) deelnemers en gepensioneerden druist in tegen de collectiviteits- en solidariteitsgedachte van een pensioenfonds. Het is niet aanvaardbaar dat een werknemer die als laatste werkgever Euronext had en die eerder bij FESE in dienst was niet gekort wordt en [appellant] die in de omgekeerde situatie verkeert, wel. PMA moet bij het toepassen van een kortingsmaatregel

handelen met inachtneming van artikel 105 lid 2 Pensioenwet en dat DNB toezicht

moet houden op de evenwichtige belangenbehartiging. Nergens blijkt uit dat DNB de

extra kortingsmaatregel voor de werknemers van FESE heeft goedgekeurd. Ook dat

maakt het doorvoeren van de korting voor [appellant] strijdig met de Pensioenwet, aldus nog steeds [appellant] .

3.2

PMA heeft tegen de vordering aangevoerd, samengevat en zakelijk weergegeven, dat in 2008 is vastgesteld dat zij niet langer over het minimaal vereiste vermogen

beschikte, waarop PMA een korte termijn- en een lange termijnherstelplan bij DNB

heeft ingediend. DNB heeft deze plannen goedgekeurd. Ook de daarna genomen

besluiten om als ultimum remedium de pensioenaanspraken en -rechten te korten

heeft DNB goedgekeurd.

3.3

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen. Hij overwoog daartoe, kort samengevat, dat het vermogen van PMA als pensioenfonds als geheel dient te worden beschouwd, zodat een dekkingstekort van één werkgever kan worden opgelost door inzet van de reserves van het fonds. Dit uitgangspunt brengt echter niet mee dat PMA geen onderscheid mag (of zelfs moet) maken bij de uitvoering van diverse pensioenregelingen op grond van de contractuele of vrijwillige bijstortingsplicht van een aangesloten werkgever. De wet bepaalt wanneer mag worden gekort op de pensioenuitkeringen, maar schrijft niet voor dat het kortingspercentage voor alle deelnemers gelijk moet zijn. Daar waar alle werkgevers in de gelegenheid zijn gesteld om tot bijstorting over te gaan is valt niet in te zien op welke wijze de in artikel 105 lid 2 Pensioenwet voorgeschreven evenwichtige belangenbehartiging wordt geschaad, indien hiermee rekening wordt gehouden bij het toepassen van kortingen. Het betoog van [appellant] dat in ieder geval rekening gehouden moet worden met zijn dienstjaren bij Euronext heeft de kantonrechter verworpen, omdat FESE de pensioenverplichting van Euronext heeft afgefinancierd en hij daarom niet meer is aan te merken als een deelnemer van Euronext. Dat goedkeuring door DNB is onthouden aan de kortingsmaatregelen door PMA volgt niet uit de brief van 25 maart 2013. Daarin zijn immers slechts opmerkingen gemaakt over de hoogte van de kortingen, maar niet over het gedifferentieerd korten. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.4.1

Grief I richt zich tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter onder 1.7 en 1.8 van het bestreden (eind)vonnis, meer in het bijzonder de vaststelling dat DNB bij brief van 25 maart 2013 heeft bericht dat zij geen bezwaar maakte tegen de voorgenomen korting per 1 april 2013 alsmede dat DNB naar aanleiding van de door PMA ingevulde vragenlijst met betrekking tot de korting per 1 april 2014 geen bedenkingen heeft geuit. [appellant] licht een en ander toe door te stellen dat in de brief van 25 maart 2013 zoiets niet valt te lezen en voorts dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat DNB geen bezwaren heeft geuit tegen de korting per 1 april 2014.

3.4.2

Het eerste onderdeel van deze grief slaagt niet. In de brief van 25 maart 2013 van DNB (productie 24 conclusie van antwoord, eerste aanleg) staat dat volgens PMA uiteindelijk een korting moet worden doorgevoerd van 10,5% op fondsniveau en dat voor een kleine groep pensioen- en aanspraakgerechtigden dit percentage ook van toepassing zal zijn. Voorts dat PMA heeft aangegeven dat als gevolg van bijstortingen door sommige werkgevers voor bepaalde belanghebbenden een ander kortingspercentage van toepassing zal zijn. Daarbij wordt vermeld voor welke werkgevers dit geldt en tot welk percentage die korting per 1 april 2013 zal plaatsvinden.. Over FESE wordt niets gezegd. DNB reageert daarop met de mededeling dat zij op 18 januari 2013 reeds heeft meegedeeld dat zij geen opmerkingen had over de wijze waarop de korting per 1 april 2013 wordt toegepast. In dat licht kan bezwaarlijk worden volgehouden dat DNB zich niet heeft uitgesproken over een korting, ook al is daarbij FESE niet bij name genoemd. FESE behoorde immers niet tot de groep van werkgevers die tot dan toe bereid was gebleken bijstortingen te verrichten. De grief heeft verder op dit punt ook geen betekenis nu [appellant] erkent dat PMA gerechtigd was tot een korting per 1 april 2013 van 3%, en dat deze is toegepast ten aanzien van alle deelnemers.

Ook het tweede onderdeel van de grief mist doel. Niet betwist is dat PMA een vragenlijst heeft ingevuld ten behoeve van DNB (zie productie 27 conclusie van dupliek, eerste aanleg) en evenmin dat deze lijst is verzonden aan DNB. Dat daarop geen reactie van DNB is gevolgd maakt nog niet dat gesteld kan worden dat “er geen bewijsstuk is dat DNB geen bedenkingen heeft geuit” en in ieder geval niet dat het omgekeerde het geval is. Voor zover de grief mede betrekking heeft op de per 1 december 2013 door PMA toegepaste korting kan nog worden gewezen op een e-mail van de bestuursvoorzitter van PMA van 28 oktober 2013 aan medewerkers van DNB dat per die datum een korting zou worden toegepast van 4% voor (ex-)deelnemers en pensioengerechtigden van Atos, FESE en Tijdbeursmedia. van een bezwarende of afkeurende reactie van DNB is niet gebleken.

3.4.3

De grieven II tot en met VIII hebben betrekking op het oordeel van de kantonrechter dat in dit geval de door PMA toegepaste kortingen geoorloofd waren omdat daarbij PMA niet heeft gehandeld in strijd met de Pensioenwet, meer in het bijzonder niet in strijd met de artikelen 123 (verbod op “ringfencing”) en artikel 105 lid 2 in samenhang met artikel 134 Pensioenwet. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. Ter toelichting op de grieven heeft [appellant] kort gezegd betoogd dat het gedifferentieerd korten als zodanig in strijd is met het in artikel 123 lid 1Pensienwet genoemde uitgangspunt dat voor het uitvoeren van meerdere pensioenregelingen deze pensioenregelingen financieel één geheel vormen. Met dit uitgangspunt voor ogen dient indien er ingeval van onderdekking gekort moet worden, die korting in beginsel voor alle betrokkenen dezelfde te zijn. Dat betekent, zo begrijpt het hof de stelling van [appellant] , dat al dan niet vrijwillige bijstortingen door een of meer werkgevers, ten goede dienen te komen van alle (ex)deelnemers en pensioengerechtigden, ongeacht of deze (ex) deelnemers en pensioengerechtigden (ex) werknemers zijn van een van de hier bedoelde ondernemingen. Daarnaast, zo begrijpt het hof het betoog van [appellant] , is de enkele omstandigheid dat niet alle betrokken werkgevers hebben bijgestort een onvoldoende rechtvaardiging voor een gedifferentieerd korten van de (ex)deelnemers en pensioengerechtigden door PMA, in die zin dat meer of minder korting afhankelijk is gemaakt van de bereidheid van (eigen) ondernemingen om bij te storten. Dat is zo betoogt [appellant] , niet een handelen dat de toets als bedoeld in artikel 105 lid 2 Pensioenwet (‘een evenwichtig beleid ten aanzien van de betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgevers’) kan doorstaan.

3.4.4

Het hof stelt voorop dat partijen niet twisten over de vraag of gezien de situatie waarin PMA zich bevond een korting als zodanig geoorloofd was. DNB heeft bij brief van 25 maart 2013 doen weten dat zij reeds bij brief van 18 januari 2013 had meegedeeld geen opmerkingen te hebben over de wijze waarop de korting per 1 april zou worden toegepast, daarmee onderschrijvend dat het Herstelplan dat in 2008 was ingediend onvoldoende resultaat had gehad. Daarmee deed zich de situatie voor als bedoeld in artikel 134 Pensioenwet, te weten dat PMA de opgebouwde aanspraken en pensioenrechten niet meer volledig kon waarborgen gelet op de daaraan te stellen eisen van dekkingsgraad, zodat zij gerechtigd was die aanspraken te verminderen. Vast staat verder dat in geen van de uitvoeringsovereenkomsten met de diverse betrokken werkgevers noch in enig andere daartoe gesloten overeenkomst een verplichting tot bijstorting was opgenomen, zodat ook op die grond een herstel van de dekkingsgraad niet mogelijk was. De stelling van [appellant] komt erop neer dat elke (aldus vrijwillige) bijstorting door een (ex)werkgever ten goede dient te komen aan alle aanspraakgerechtigden in PMA zonder enig onderscheid en dat ingeval (niettemin nog immer) gekort moet worden een gedifferentieerde korting uitsluitend op basis van de door de eigen onderneming vrijwillig bijgestorte bedragen geen recht doet aan de evenwichtigheid als bedoeld in artikel 105 lid 2 Pensioenwet, omdat daarmee aan het in 123 Pensioenwet opgenomen solidariteitsprincipe ernstig afbreuk wordt gedaan (“een dode letter wordt”).

3.4.5

Naar het oordeel van het hof heeft artikel 123 Pensioenwet met name betrekking op het met de Pensioenwet beoogde uitgangspunt dat het door premiebetaling verkregen vermogen in een pensioenfonds ten goede dient te komen aan alle aanspraakgerechtigden, onafhankelijk van de aard van de in het fonds ondergebrachte pensioenregeling. Dit betekent dat ondanks de eis van een kostendekkende premie ten aanzien van de diverse betrokken regelingen, ingeval er een tekort ontstaat bij één regeling, dat tekort dient te worden aangevuld/opgevangen vanuit de totale reserves van het pensioenfonds. Die verplichting bestaat in ieder geval zolang het pensioenfonds over voldoende middelen beschikt. In het onderhavige geval doet zich echter die situatie niet (meer) voor. PMA beschikte over onvoldoende middelen om de aanspraken van alle gerechtigden na te komen en diende derhalve over te gaan tot het korten op die aanspraken. In beginsel was daarbij een korting voorzien van ruim 10% voor alle pensioengerechtigden. In een dergelijke situatie, waarbij niet door middel van een uitvoeringsovereenkomst is voorzien in een verplichting tot bijstorting, lag het naar het oordeel van het hof alleszins voor de hand dat de betrokken werkgevers werden benaderd met het doel te bewerkstelligen dat die korting zoveel mogelijk zou worden beperk door een verhoging van het in het fonds bijeengebrachte vermogen. Evenzeer lag het daarbij in de rede dat de betrokken werkgevers uit het oogpunt van solidariteit met de eigen (ex-)werknemers daaraan de voorwaarde stelden dat die aanvullende - en onverplichte-– bijdrage ten goede zou komen aan de eigen pensioengerechtigden in die zin dat dit direct gevolgen zou moeten hebben voor een verlaging van de voorgenomen korting. [appellant] stelt nu dat PMA de daaromtrent gemaakte afspraken uit oogpunt van solidariteit had moeten negeren. Hij miskent daarmee dat de door PMA te betrachten ‘evenwichtigheid’ als bedoeld in artikelen 105 lid 2 Pensioenwet niet betekent dat ingeval van een noodzaak tot korting deze niet gedifferentieerd zou mogen plaatsvinden. Wettelijke voorschriften daartoe ontbreken in de Pensioenwet en blijkens de parlementaire geschiedenis is daarbij de vrijheid gelaten aan de sociale partners. De minister heeft bij de behandeling van de PW daartoe het volgende opgemerkt:

De leden van de fractie van het CDA vragen of de stelling wordt onderschreven dat bij korting op de pensioenaanspraken volgens artikel 122 de

korting in het kader van een evenwichtige belangenbehartiging in gelijke

(procentuele) mate op de verschillende groepen van toepassing moet zijn.

Afspraken daarover behoren tot de verantwoordelijkheid van sociale

partners die daarover afspraken vast kunnen leggen in de uitvoeringsovereenkomst.

Bij afwezigheid daarvan dient het pensioenfondsbestuur zich uit hoofde van artikel 94, tweede lid, (thans 105 lid 2 Pensioenwet, hof) te richten op de evenwichtige belangenbehartiging. Wettelijke voorschriften over de wijze van korten

verhouden zich niet tot deze uitgangspunten.” (Kamerstukken II 2005/2006, 30 413, nr. 17, pagina 85). Evenwichtigheid betekent dus niet zonder meer in gelijke mate. De vraag die dan voorligt is of in het onderhavige geval aan evenwichtigheid recht wordt gedaan door de pensioengerechtigden van (ex) werkgevers in mindere mate te korten dan [appellant] , omdat de betreffende werkgevers bereid zijn geweest vrijwillig bij te storten teneinde de noodzakelijke korting op de pensioenen voor die betrokkenen (ex) werknemers enigszins te beperken. Die vraag beantwoordt het hof in positieve zin. Artikel 123 Pensioenwet heeft niet de strekking dat (ook) ingeval van noodzakelijke kortingen het in dat artikel neergelegde solidariteitsprincipe met zich brengt dat vrijwillige bijstorting door individuele werkgevers dwingend - in de zin dat het voor [appellant] een rechtens te respecteren aanspraak geeft - als gevolg heeft dat ook deze bijstortingen steeds ten goede dienen te komen aan alle deelnemers in het Pensioenfonds. PMA heeft een zekere vrijheid om de evenwichtige belangenbehartiging als bedoeld in artikel 105 Pensioenwet in te vullen en daarvan kan naar het oordeel van het hof in dit geval niet gezegd worden dat zij deze bevoegdheid heeft misbruikt noch dat het resultaat onaanvaardbaar is.

3.4.6.

Aan het voorgaande doet ook niet af dat [appellant] de enige deelnemer is vanuit FESE- waardoor de gevolgen het voor PMA voor het niet-toepassing van de korting beperkt blijven- , omdat dat aspect tegen de achtergrond van de reden van de vrijwillige bijstorting door de diverse werkgevers te weten de voorwaarde dat de bijstorting uitsluitend ten goede zou mogen komen aan de ’eigen pensioengerechtigden’ geen rol meer speelt. [appellant] heeft, zij het eerst ter zitting in hoger beroep, nog betoogd dat PMA zich met de verkeerde personen bij FESE heeft verstaan en ook een onjuiste adressering heeft gebruikt. PMA heeft een en ander gemotiveerd weersproken. Zij heeft erop op gewezen dat zij meerdere malen een schriftelijk oproep tot bijstorting heeft gericht tot FESE, zoals ook blijkt uit de brieven als productie 22 gevoegd bij CvA, en ook diverse malen telefonisch contact heeft gezocht. Het hof verwerpt daarom deze stelling van [appellant] te meer nu hij ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat FESE wel enige bereidheid zou hebben gehad PMA tegemoet te komen.

3.4.7

[appellant] heeft verder nog betoogd dat zijn pensioen mede is opgebouwd bij Euronext, zodat het in de rede ligt om tenminste met die jaren rekening te houden, zodat de korting slechts betrekking mocht hebben op de opbouw bij FESE in de laatste zeven jaar. Zoals PMA terecht heeft opgemerkt zijn de bij Euronext opgebouwde pensioenaanspraken bij of na diens indiensttreding bij FESE aangemerkt als dienstjaren bij FESE, waarbij FESE deze ‘overgang’ ook heeft afgefinancierd. Aldus is [appellant] ook voor de feitelijk bij Euronext doorgebrachte jaren aan te merken als een pensioengerechtigde van FESE en niet (meer) van Euronext, zodat reeds om die reden een aanspraak als door [appellant] gesteld dient te worden afgewezen.

3.4.8

[appellant] heeft ten slotte nog aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat PMA de kortingen heeft doorgevoerd met goedkeuring van DNB. Zoals hiervoor bij grief I reeds is besproken is dat oordeel van de kantonrechter juist. Daarenboven geldt nog het volgende. DNB heeft een wettelijke taak als toezichthouder bij de toepassing van de PW. Dat brengt met zich dat een kortingsbesluit als het onderhavige geen instemming van DNB vereist. PMA is wel verplicht DNB te informeren teneinde deze de mogelijkheid te bieden de met die korting beoogde sanering te blokkeren. Dat DNB niet is geïnformeerd kan in redelijkheid niet worden staande gehouden. Dat DNB heeft ingegrepen is op geen enkele wijze aannemelijk geworden, noch daargelaten dat dit ook nimmer het door [appellant] beoogde effect van een aanspraak in de door hem gevorderde zin in deze zaak kan hebben.

3.5

De conclusie dient te zijn dat alle grieven falen, derhalve ook die welke gericht is tegen de proceskostenveroordeling, en dat de eis van [appellant] ook zoals aan het slot van de memorie van grieven (opnieuw) verwoord niet toewijsbaar is. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van PMA begroot op € 711,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, W.H.F.M. Cortenraad en S.F. Schütz en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2017.