Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5499

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
30-01-2018
Zaaknummer
R 000992-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

89 Sv: Standaardvergoeding vergoedt zowel materiële als imateriële schade. Omstandigheden die moeten leiden tot een meer dan forfaitarie vergoeding moet verzoeker zelf aannemelijk maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Rekestnummer: R 000992-17 (89 Sv HB)

Parketnummer in eerste aanleg: 13-669006-14

Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van de rechtbank Amsterdam van 23 maart 2017 op het verzoekschrift op de voet van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[appellant] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,

domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat,

mr. E.G.S. Roethof, [adres] .

1 Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding ten laste van de Staat, tot een bedrag van € 21.835,00, ter zake van schade die verzoeker stelt te hebben geleden als gevolg van de ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gedurende 270 dagen in de strafzaak met voormeld parketnummer.

2 Procesverloop

Het hoger beroep is op 25 april 2017 ingesteld door verzoeker (hierna appellant).

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 8 december 2017 de advocaat-generaal, appellant en diens advocaat ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord.

3 Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Het inleidende verzoek is tijdig ingediend.

De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Het vonnis in die strafzaak is inmiddels onherroepelijk geworden.

De rechtbank heeft het verzoek toegewezen maar op de voet van artikel 90 lid 4 Sv beslist dat 179 van de in voorlopige hechtenis doorgebrachte dagen in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van een uit anderen hoofde opgelegde gevangenisstraf. Voor de resterende 91 dagen verzekering en voorlopige hechtenis heeft de rechtbank de forfaitaire vergoeding van € 7.830,00 toegewezen en het meer of anders verzochte afgewezen.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Appellant is op 12 januari 2014 in verzekering gesteld op verdenking van -kort gezegd- overtreding van artikel 278 van het Wetboek van Strafrecht. Vervolgens is de voorlopige hechtenis van appellant bevolen. Appellant is op 9 oktober 2014 in vrijheid gesteld.

In raadkamer in hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat gronden van billijkheid bestaan voor een verdubbeling van de forfaitaire vergoeding ten aanzien van de dagen die appellant in voorarrest heeft doorgebracht. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat hij verdachte is geweest in een ernstige moordzaak. Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat schulden zijn ontstaan omdat zijn wajong-uitkering gedurende de detentie is gestopt en omdat zijn kosten, onder andere van een ziektekostenverzekering, wel doorbetaald moesten worden.

Vooropgesteld moet worden dat de standaardvergoeding voor schade ten gevolge van ondergane verzekering en voorlopige hechtenis zowel de materiële als immateriële schade vergoedt. Onder bijzondere omstandigheden kan evenwel van deze standaardbedragen worden afgeweken. Het is aan appellant om deze bijzondere omstandigheden aannemelijk te maken (Hof Amsterdam 13 oktober 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:5044).

Het hof is van oordeel dat hetgeen verzoeker heeft aangevoerd onvoldoende is om meer dan een forfaitaire vergoeding toe te wijzen. Niet althans onvoldoende is gestaafd dat de door appellant geleden schade groter was vanwege het feit waarvan hij werd verdacht. Evenzo is niet nader onderbouwd dat ten gevolge van de voorlopige hechtenis schulden zijn ontstaan. Overigens wordt de basisverzekering voor ziektekosten - en de daarmee verbandhoudende premiebetalingsverplichting - gestopt gedurende detentie, indien deze aan de verzekeraar wordt doorgegeven. Niet is gebleken of en wanneer schulden zijn ontstaan en indien dit het geval is, of appellant heeft getracht deze schade te beperken.

Appellant heeft voorts verzocht de toe te kennen vergoeding niet overeenkomstig artikel 90 lid 3 Sv te verrekenen.

Uit de inhoud van genoemd artikellid blijkt dat verrekening –indien mogelijk- imperatief is voorgeschreven.

Gelet op het voorgaande acht het hof het hoger beroep in beginsel ongegrond.

Nu evenwel door tijdverloop de vermindering op de voet van artikel 90 lid 4 als door de rechtbank toegepast, feitelijk niet meer mogelijk is, zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet thans behoort te geschieden.

Verzoeker heeft 270 dagen in voorarrest gezeten, waarvan 3 dagen in een politiecel.

Het hof acht in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding van € 21.675,00.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde in raadkamer is gebleken dat de onderstaande geldsom vatbaar is voor verrekening overeenkomstig artikel 90 lid 3 Sv. Het hof zal het toegekende bedrag verrekenen met de door verzoeker aan de Staat verschuldigde geldsom.

4 Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beschikking waarvan beroep.

Kent ten laste van de Staat aan appellant een vergoeding toe van € 21.675,00 (eenentwintigduizend zeshonderdvijfenzeventig euro).

Bepaalt de verrekening met de hierna te noemen aan de Staat verschuldigde geldsom:

CJIB-nummer openstaand bedrag verrekening

[nummer] € 20.288,80 € 20.288,80

Wijst het meer of anders verzochte af.

Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan appellant.

Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. R.D. van Heffen, M. Iedema en C.M. Degenaar, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 22 december 2017.

De voorzitter beveelt:

de tenuitvoerlegging van deze beschikking

  • -

    voor een bedrag van € 20.288,80, te betalen ten laste van de Staat aan appellant voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] t.n.v. CJIB o.v.v. [nummer];

  • -

    voor een bedrag van 1.386,20, te betalen ten laste van de Staat aan appellant voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden mr. E.G.S. Roethof o.v.v. verzoek ex art 89 Sv Geldorp.

Amsterdam, 22 december 2017.

Mr. R.D. Heffen, voorzitter.