Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5492

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
22-01-2018
Zaaknummer
200.220.042/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; enquête; gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van de vennootschap; onderzoek bevolen; aanwijzing onderzoeker; onmiddellijke voorzieningen; schorsing bestuurder onder gelijktijdige benoeming bestuurder; aanwijzing bestuurder

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 345
Burgerlijk Wetboek Boek 2 349a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2018/396
ARO 2018/51
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.220.042/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 22 december 2017

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A]

gevestigd te [....] ,

VERZOEKSTER,

advocaten: mr. J.J. Wittekamp en mr. P. Wezelenburg, beiden kantoorhoudende te Delft,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PROSOLAR INSTALLATIETECHNIEK B.V.

gevestigd te Poeldijk,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. R.W. Elgers, kantoorhoudende te Helmond,

e n t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLOOMBOOM B.V.

gevestigd te Naaldwijk,

BELANGHEBBENDE,

advocaat: mr. R.W. Elgers, kantoorhoudende te Helmond.

1. Het verloop van het geding

1.1 Partijen worden hierna als volgt aangeduid:

verzoekster als [A] ;

verweerster als ProSolar;

belanghebbende als Bloomboom;

ProSolar en Bloomboom gezamenlijk als ProSolar c.s.

1.2 [A] heeft bij op 26 juli 2017 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht – zakelijk weergegeven – bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

  1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van ProSolar over de periode vanaf 30 april 2014 tot de datum van de beschikking en te bepalen dat de kosten van het onderzoek ten hoogste € 15.000 bedragen,

  2. bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding:

a. [D] (hierna: [D] ), althans een door de Ondernemingskamer aan te wijzen persoon te benoemen tot zelfstandig bevoegd bestuurder van ProSolar;

b. Bloomboom te schorsen als bestuurder van ProSolar;

c. één of meer door Bloomboom in ProSolar gehouden aandelen ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer aan te wijzen persoon;

d. Bloomboom te veroordelen tot het stellen van zekerheid voor de kosten van het onderzoek (€ 15.000 te vermeerderen met btw, rente en kosten) en de kosten van de bestuurder en de beheerder van aandelen (naar de Ondernemingskamer begrijpt tezamen € 20.000 te vermeerderen met btw, rente en kosten), onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000 voor elke dag dat Bloomboom in gebreke is met de nakoming van deze veroordeling;

e. althans zodanige onmiddellijke voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer geraden acht;

met veroordeling van Bloomboom althans (wat betreft het enquêteverzoek) ProSolar in de kosten van het geding.

1.3 ProSolar c.s. hebben bij op 7 september 2017 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht [A] niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen en [A] te veroordelen in de kosten van het geding.

1.4 Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 28 september 2017. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. Partijen hebben, met het oog op door hen te voeren overleg over een minnelijke regeling, de Ondernemingskamer verzocht de beslissing aan te houden tot 6 oktober 2017.

1.5 Bij e-mailberichten van 6 oktober 2017 hebben de advocaten van partijen de Ondernemingskamer bericht dat tussen partijen geen schikking is bereikt en verzocht uitspraak te doen.

2 De feiten

De Ondernemingskamer gaat uit van de volgende feiten:

2.1

ProSolar is op 30 april 2014 door Bloomboom opgericht. Direct na oprichting heeft Bloomboom 50% van de door haar gehouden aandelen in ProSolar overgedragen aan [A] ; sindsdien houden Bloomboom en [A] ieder de helft van de aandelen in ProSolar. Bloomboom is enig bestuurder van ProSolar. Enig bestuurder en enig aandeelhouder van Bloomboom is [B] (hierna: [B] ). [C] (hierna: [C] ) is enig bestuurder van [A] ; enig aandeelhouder is de Stichting Administratiekantoor SolarNRG (hierna: STAK). [C] is enig houder van de door STAK uitgegeven certificaten.

2.2

ProSolar drijft een onderneming gericht op installatie van zonnepaneelsystemen voor particulieren en bedrijven. SolarNRG Trading B.V. (hierna: SolarNRG) was als de grootste opdrachtgever van ProSolar goed voor circa 90% van de omzet van ProSolar. [C] houdt indirect, via SolarNRG Holding B.V., alle aandelen in SolarNRG. De feitelijke installatiewerkzaamheden worden door zelfstandige installateurs uitgevoerd op basis van overeenkomsten van opdracht tussen ProSolar en de installateurs. ProSolar heeft zelf geen werknemers in dienst. Onder andere voor planning en administratie leende zij enkele werknemers in van SolarNRG.

2.3

Bloomboom heeft op 21 juli 2015 ProSolar Parts & Verticale Transport B.V. (hierna: PPVT) opgericht, een onderneming die zich bezig houdt met verhuur van installaties en materiaal aan de installateurs die in opdracht van ProSolar installatiewerkzaamheden verrichtten. Direct na oprichting heeft Bloomboom 50% van de aandelen overgedragen aan [A] . Bloomboom is enig bestuurder van PPVT.

2.4

De statuten van ProSolar houden onder meer in dat het bestuur goedkeuring van de algemene vergadering behoeft voor besluiten omtrent het vestigen en opheffen van filialen en/of bijkantoren, het uitbreiden van de zaken met een nieuwe tak van bedrijf en het sluiten, anders dan tijdelijk, opheffen of overdragen van het bedrijf van de vennootschap of een onderdeel daarvan (artikel 13 lid 11 sub e), alsmede voor besluiten tot het aangaan, beëindigen en wijzigen van samenwerkingsovereenkomsten (artikel 13 lid 11 sub h). Voorts is in de statuten een uitgebreide blokkeringsregeling opgenomen (artikel 10).

2.5

Over 2014 en 2015 heeft ProSolar een positief resultaat behaald van € 83.601 respectievelijk € 317.017. Over 2016 behaalde ProSolar een negatief resultaat van € 89.690.

2.6

Begin 2017 heeft adviesbureau The Sustainables in opdracht van ProSolar onderzoek gedaan naar mogelijke proces- en systeemverbeteringen bij ProSolar. Van haar bevindingen en aanbevelingen heeft The Sustainables verslag uitgebracht aan ProSolar.

2.7

In februari 2017 hebben [B] en [C] gesproken over beëindiging van hun samenwerking.

2.8

[B] en [C] zijn half februari 2017 overeengekomen de activa van PPVT te verkopen aan de installateurs.

2.9

Op 23 februari 2017 heeft een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen [B] en [C] over een betaling van € 50.000 tot € 60.000 door ProSolar aan [A] . [C] verzocht [B] een uitkering te doen tot dat bedrag. In reactie daarop schreef [B] : “Dividend uitkeren gaat niet zo makkelijk. Je moet eerst een concept jaarrekening opgesteld hebben en aan de hand daarvan ga je kijken of het mogelijk is om dividend uit te keren en hoeveel. Om dus niet op de zaken vooruit te lopen kan ik het niet direct die benaming geven”.

2.10

Bij e-mail aan [B] van 21 april 2017 heeft [C] gevraagd de complete cijfers over 2015 en 2016 te verstrekken alsmede een inlogcode voor het boekhoudprogramma “zodat wij de administratie kunnen controleren voor jij eruit stapt”. In reactie daarop heeft [B] bij e-mail van 22 april 2017 laten weten dat de cijfers over 2015 al zijn verstrekt, dat de conceptcijfers over 2016 zo spoedig mogelijk gereed zullen zijn en dat hij achter de inloggegevens zal aangaan.

2.11

[B] heeft op 2 mei 2017 per e-mail aan de medewerkers van ProSolar en [C] laten weten dat hij de volgende ochtend niet op kantoor is in verband met een cursus die hij zal volgen. In reactie daarop schrijft [C] bij e-mail van diezelfde dag aan [B] : “En volgende maand stop je ermee, beetje zonde van het geld lijkt me”.

2.12

Op 15 mei 2017 heeft [D] werkzaamheden voor ProSolar aangevangen. [D] heeft daarbij de beschikking gekregen over een e-mailaccount met het adres ‘ [D] @prosolar.nl’.

2.13

Bij e-mail van 9 juni 2017 heeft de advocaat van [A] aan [B] onder meer het volgende bericht:

1. “Vaststaat dat u in ieder geval per 1 juli a.s. als bestuurder van ProSolar vertrekt.

2. De afspraak over uw terugtreden als bestuurder is gevolgd op een periode waarin het niet goed gegaan is met ProSolar en waarin u te weinig tijd en aandacht aan ProSolar heeft besteed.

3. Vaststaat dat [D] als interim manager is begonnen om u te kunnen vervangen. (…)”

Voorts bevat de e-mail het verzoek mee te werken aan de bestuursoverdracht, alsmede de mededeling dat [A] heeft gesignaleerd dat [B] , zonder daartoe bevoegd te zijn, de vereffening van ProSolar aan het voorbereiden is. In reactie hierop is op 15 juni 2017 namens [B] bericht dat hij bestuurder zal blijven, dat de werkzaamheden van [D] enkel gericht zijn op het ten behoeve van SolarNRG structureren van bedrijfsprocessen en dat van voorbereiding van vereffening van ProSolar geen sprake is.

2.14

Op 16 juni 2017 heeft ProSolar een bijeenkomst gehouden voor de installateurs aan wie zij de installatiewerkzaamheden uitbesteedt. Onderdeel van die bijeenkomst was een diapresentatie aan de hand waarvan onder meer “het team” van ProSolar werd voorgesteld. [D] werd daarbij betiteld als interim directeur, [C] als eigenaar; de naam van [B] kwam niet voor op de dia met als titel “wie doet wat?”. Bij e-mail aan de installateurs van 19 juni 2017 heeft [E] (hierna: [E] ), medewerker van ProSolar, een korte samenvatting gegeven van die bijeenkomst. Daarbij heeft zij vermeld dat [B] tijdens die bijeenkomst afscheid heeft genomen.

2.15

Bij brief aan [A] van 20 juni 2017 heeft de adviseur van [B] een voorstel gedaan tot beëindiging van de samenwerking, onder meer inhoudende dat ProSolar per 1 juli 2017 geen nieuwe opdrachten van SolarNRG zal aannemen, dat het eigen vermogen van ProSolar aan de aandeelhouders zal worden uitbetaald na verrekening met rekening-courantvorderingen en dat ProSolar per diezelfde datum zal verhuizen. In reactie hierop heeft de advocaat van [A] / [C] op 29 juni 2017 geschreven dat zijn cliënten niet instemmen met vereffening, dat [C] , in geval van terugtreden door Bloomboom, bereid is om de aandelen van Bloomboom in ProSolar over te nemen tegen een nader te bepalen koopsom en voorts onder meer:

Het is in belang van de vennootschap dat [Bloomboom] als bestuurder [van ProSolar] terugtreedt. Vaststaat dat hij [heeft] gecommuniceerd zijn huidige werkzaamheden te zullen beëindigen en feitelijk zijn taken en werkzaamheden heeft overgedragen (dit heeft hij zelf ook bevestigd deze week in een werkoverleg). Er bestaat dus een discrepantie tussen de dagelijkse gang van zaken in de praktijk en de formele houding van [B] , waarschijnlijk ingegeven door de wens van [B] om een formele positie te behouden, zolang er geen overeenstemming bestaat over hoe verder met zijn aandelenbezit. In de praktijk is het van belang dat hij terugtreedt. Nu nog aanblijven werkt niet en belemmert de noodzakelijke veranderingen.

2.16

Bij e-mail aan de advocaat van [A] van 3 juli 2017 heeft de adviseur van [B] benadrukt dat geen sprake is van vereffening maar van beëindiging van de samenwerking en het daardoor noodzakelijkerwijs stoppen van de onderneming, aangezien ProSolar door het wegvallen van haar grootste klant, Solar NRG, geen bestaansrecht meer heeft. De e-mail meldt voorts dat de werkzaamheden van [D] moeten worden gezien in het kader van voortzetting van de activiteiten van ProSolar door SolarNRG zelf en dat ook de verkoop van materialen door PPVT aan de installateurs was bedoeld om rechtstreeks zaken doen tussen SolarNRG en de installateurs mogelijk maken.

2.17

Diezelfde dag heeft [B] de installateurs per e-mail geïnformeerd dat ProSolar vanaf 1 juli 2017 geen opdrachten meer zal aannemen van SolarNRG omdat de samenwerking tussen die partijen wordt beëindigd en heeft hij de installateurs verzocht vanaf die datum te factureren aan SolarNRG.

2.18

Een e-mailbericht van 4 juli 2017 van de advocaat van [A] aan de adviseur van [B] houdt onder meer het volgende in:

“Vooropstaat dat cliënte nimmer bewilligd heeft in beëindiging van de samenwerking zoals door [B] kennelijk beoogd wordt. [B] heeft begin dit jaar te kennen gegeven te willen stoppen met zijn werkzaamheden bij ProSolar en daarmee ook te stoppen als bestuurder. Er zijn maatregelen getroffen om zijn vertrek op te vangen. (…) [B] (…) moet het belang van ProSolar dienen. Duidelijk is dat dit niet gebeurt door de relatie met de belangrijkste klant te beëindigen en vervolgens te constateren dat de vennootschap geen bestaansrecht meer heeft. (…)”.

2.19

Rond 19 juli 2017 heeft de adviseur van Bloomboom een voorstel gedaan, onder meer inhoudende dat zijn cliënte de door [A] in ProSolar gehouden aandelen zal overnemen, dat [A] de naam ProSolar om niet mag overnemen, alsmede dat ProSolar haar kantoor per 20 juli 2017 zal verhuizen naar een ander locatie.

2.20

[D] heeft bij e-mail van 20 juli 2017 aan [B] verzocht hem te informeren over prijsafspraken met installateurs voor met name genoemde projecten. [B] heeft aan dat verzoek geen gehoor gegeven.

2.21

Bij e-mail aan [B] van 21 juli 2017 heeft [F] , medewerker van ProSolar, het volgende geschreven: “Ik weet niet meer of je terug komt, maar ik ben vanochtend begonnen en kan helaas niet op de harde schijf. Daar staan documenten op [die] ik dagelijks gebruik. Ik hoop iets van je te horen”. Bij e-mail aan [B] van diezelfde dag heeft [E] geschreven: “Kan jij ervoor zorgen dat ik bij de bestanden kan komen van de opleverdocumenten? Ik kan nu niets doen en weet niet welke installaties er zijn opgeleverd, alles staat op de server”.

2.22

Bij e-mail aan [C] van 21 juli 2017 heeft [G] van BICT Groep B.V. geïnformeerd dat zijn collega die nacht bezig is geweest om voor het team van ProSolar een tijdelijke server in te richten ter vervanging van de server die [B] had meegenomen.

2.23

Bij e-mail aan [B] van 24 juli 2017 heeft [E] onder meer het volgende geschreven: “Afgelopen vrijdag heb ik jou een app en een mail gestuurd over de server. Op deze manier kan ik mijn werk voor Prosolar niet goed uitvoeren. [B] kan je ervoor zorgen dat de server terug komt”. In reactie hierop heeft [B] haar laten weten dat zij hierover met [D] dient te overleggen.

2.24

Op 10 augustus 2017 hebben achtereenvolgens een algemene vergadering van ProSolar en een algemene vergadering van PPVT plaatsgehad. Op de agenda’s van beide vergaderingen stond onder meer het voorstel om Bloomboom te ontslaan als bestuurder en het voorstel om [D] te benoemen tot bestuurder. De voorstellen zijn niet aangenomen, omdat Bloomboom in beide vergaderingen heeft tegen gestemd.

2.25

Bij e-mail van 1 september 2017 aan onder meer [B] en [C] heeft de accountant van ProSolar laten weten dat de uitbetaling aan [A] van € 50.000 in de jaarrekening 2016 van ProSolar is verwerkt in de rekening-courantverhouding tussen ProSolar en [A] .

2.26

Bij e-mailberichten van 6 en 20 september 2017 hebben de advocaat van [A] en de adviseur van Bloomboom over en weer voorstellen gedaan met het oog op financiële afwikkeling, echter zonder resultaat.

3 De gronden van de beslissing

3.1

[A] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van ProSolar en dat gelet op de toestand van de vennootschap onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting heeft [A] – samengevat – het volgende naar voren gebracht.

  1. Bloomboom heeft zonder de op grond van artikel 13 lid 1 sub e van de statuten van ProSolar benodigde goedkeuring van de algemene vergadering feitelijk de onderneming van ProSolar opgeheven.

  2. Bloomboom heeft in strijd met artikel 13 lid 11 sub h van de statuten van ProSolar de samenwerkingsovereenkomst met haar belangrijkste opdrachtgever beëindigd zonder goedkeuring van de algemene vergadering.

  3. Bloomboom heeft haar opvolging als bestuurder van ProSolar door [D] gefrustreerd. Zowel intern als extern heeft zij verwarring veroorzaakt over het al dan niet terugtreden van haar als bestuurder. Hij houdt enkel nog formeel vast aan zijn positie als bestuurder.

  4. Bloomboom heeft vanaf medio 2016, althans begin 2017, haar bestuurstaak niet naar behoren vervuld. Zo heeft zij nagelaten het verbeterplan van The Sustainables uit te voeren, waarin onder meer werd aanbevolen nieuwe opdrachtgevers te zoeken en processuele verbeteringen aan te brengen. Vanaf de komst van [D] heeft zij feitelijk helemaal geen bestuurswerkzaamheden verricht.

  5. Bloomboom heeft werkplekken van medewerkers van ProSolar, zonder enig vorm van overleg, onklaar gemaakt door de computerserver te verwijderen. De betreffende medewerkers hebben daarvan hinder ondervonden.

  6. In het licht van de verminderde inspanningen van Bloomboom is onduidelijkheid ontstaan over de gerechtvaardigdheid van de door Bloomboom genoten management fee, alsmede over de administratieve verwerking daarvan. Ook is er twijfel of de vader van [B] de werkzaamheden heeft uitgevoerd waarvoor ProSolar maandelijks via de managementvergoeding van Bloomboom heeft betaald. De weigering door Bloomboom om de door [A] verzochte informatie te verstrekken en het wegnemen van de computerserver met daarop de financiële administratie geven aanleiding om te veronderstellen dat de administratie gebrekkig is.

  7. Bloomboom heeft mogelijk kosten van door haar persoonlijk ingeschakelde adviseurs ten laste van ProSolar gebracht.

  8. Bloomboom heeft een dividenduitkering van ProSolar aan [A] onjuist in de jaarstukken verwerkt als een aan [A] verstrekte geldlening.

3.2

ProSolar c.s. hebben primair het standpunt ingenomen dat [A] niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Naar de Ondernemingskamer begrijpt hebben ProSolar c.s. in dat verband – kort gezegd – aangevoerd dat sprake is van een louter vermogensrechtelijk geschil tussen de joint venture-partners Bloomboom en [A] over beëindiging van hun samenwerking, waarop artikel 13 van de statuten van ProSolar niet van toepassing is.

3.3

De Ondernemingskamer verwerpt dit verweer, nu de in het verzoek ingenomen stellingen betrekking hebben op het functioneren van het bestuur van de onderneming en zijn gericht op de doeleinden van een enquêteprocedure.

3.4

Wat betreft hun inhoudelijke verweer hebben ProSolar c.s. als hoofdargument aangevoerd dat het vennootschappelijk belang op geen enkele wijze is geschaad en het niet opportuun is om in een voormalige joint venture een enquête te verzoeken enkel omdat de samenwerking tussen de partners van de joint venture is beëindigd; partijen dienen slechts tot een afwikkeling te komen. Er is nu sprake van twee separate ondernemingen die sinds 1 juli 2017 zonder problemen hun eigen weg zijn gegaan. Voorts hebben zij onder meer aangevoerd dat steeds voluit openheid van zaken is gegeven en informatie is verstrekt, dat [A] Bloomboom geen andere keus had gelaten dan te verhuizen, dat de problemen te wijten waren aan Solar NRG als verkoper en hoofdaannemer en dat van een dividenduitkering nooit sprake is geweest, omdat daarvoor geen financiële ruimte bestond; om die reden is de uitbetaling aan [A] in haar rekening-courantverhouding met ProSolar verwerkt. De hiervoor onder a tot en met h vermelde verwijten heeft zij puntsgewijs weersproken.

3.5

De Ondernemingskamer overweegt als volgt. Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan worden aangenomen dat de beide aandeelhouders van ProSolar in de eerste helft van 2017 in gesprek waren over de toekomst van de onderneming en ieders rol daarin; voorts staat vast dat SolarNRG goed was voor ongeveer 90% van de omzet van ProSolar. Tegen die achtergrond valt niet goed in te zien waarom Bloomboom in haar hoedanigheid van bestuurder de samenwerking met die opdrachtgever eenzijdig heeft beëindigd, zonder dat zij haar medeaandeelhoudster [A] in de besluitvorming daarvan had betrokken. Evenmin heeft Bloomboom de algemene vergadering om goedkeuring gevraagd, terwijl zij die statutair wel behoefde voor een dergelijk besluit. Vervolgens heeft zij, wederom zonder overleg met de medeaandeelhoudster, de installateurs geïnformeerd over de beëindiging van deze samenwerking. In het licht van het voorgaande vormt de beëindiging van de samenwerking met SolarNRG een gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken van ProSolar, mede gelet op de eisen van redelijkheid en billijkheid die het gedrag van betrokkenen jegens elkaar en jegens de vennootschap mede dienen te bepalen. De Ondernemingskamer verwerpt het verweer van ProSolar dat haar vennootschappelijk belang niet is geschonden, nu de beëindiging van de samenwerking met een opdrachtgever die 90% van de in beginsel winstgevende activiteiten van de onderneming genereert evident schadelijk is voor de vennootschap.

3.6

Aannemelijk is bovendien dat Bloomboom minst genomen de verwachting heeft gewekt haar bestuursfunctie te zullen neerleggen, gezien de onweersproken mededelingen in de hiervoor aangehaalde e-mails daarover (2.10 en 2.11). Zo schrijft [B] in reactie op de e-mail waarin [C] vraagt om een inlogcode voor het boekhoudprogramma “zodat wij de administratie kunnen controleren voor jij eruit stapt” enkel dat hij achter die inloggegevens zal aangaan (2.10) en betwist hij niet dat hij “eruit stapt”. Verder staat vast dat er een presentatie is gehouden waarbij [D] als interimmanager van ProSolar werd gepresenteerd en [C] als eigenaar; [B] kwam blijkens de stukken over die presentatie slechts voor als de man die afscheid nam (2.14). In dat kader is het bestuursbesluit van Bloomboom tot opzegging van de samenwerking met SolarNRG te minder begrijpelijk.

3.7

Ook het eigenmachtig en zonder voorafgaande aankondiging weghalen van de computerserver van ProSolar (3.1 onder e) draagt bij aan de twijfel aan een juist beleid. Medewerkers zijn daardoor belemmerd in de uitvoering van hun werkzaamheden, gezien hun e-mailberichten hierover (aangehaald in 2.21 en 2.23).

3.8

De onder 3.1 h verwoorde grond levert geen reden op te twijfelen aan een juist beleid, aangezien tussen partijen vaststaat dat formeel geen dividendbesluit is genomen en het betaalde bedrag dus niet onder die titel kan zijn uitgekeerd (zo ook 2.9).

3.9

Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt reeds dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van ProSolar. Het verweer van ProSolar dat het in een voormalige joint venture niet opportuun is een enquête te gelasten faalt, nog afgezien van de vraag of ProSolar kwalificeert als een joint venture. Een joint venture overeenkomst hebben partijen in elk geval niet gesloten, zodat die geen soelaas kan bieden in de ontstane situatie. [A] betwist dat partijen zijn overeengekomen hun samenwerking per 1 juli 2017 te beëindigen. De statuten van ProSolar voorzien in een uitgebreide blokkeringsregeling, waarvan vaststaat dat de aandeelhoudsters die niet hebben toegepast. Van “beëindiging van de samenwerking” kan daarom niet worden gesproken: beide “partners” zijn nog altijd aandeelhoudster. Dit terwijl enig bestuurder Bloomboom er ter zitting, in de persoon van haar bestuurder [B] , blijk van heeft gegeven de implicaties daarvan niet te overzien. Bloomboom handelt thans, na haar fysieke vertrek met medeneming van de computerserver en de gehele administratie, als ware zij enig aandeelhoudster van ProSolar, zonder zich enige rekenschap te geven van de positie van [A] .

3.10

De Ondernemingskamer zal een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van ProSolar vanaf 1 januari 2017 bevelen. De aan te wijzen onderzoeker zal ook aandacht kunnen besteden aan de overige hierboven weergegeven geschilpunten, te weten de verdere vervulling van de bestuurstaken (3.1 onder c, d en g) en de samenstelling van de management fee (3.1 onder f), tot zijn onderzoeksterrein mogen rekenen, indien hem dit wenselijk voorkomt.

3.11

De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van ProSolar, zoals die blijkt uit de voorgaande overwegingen noopt tot het treffen van de navolgende onmiddellijke voorzieningen. Zij zal Bloomboom schorsen als bestuurder van ProSolar en in haar plaats de hierna te noemen persoon tot bestuurder benoemen. Deze bestuurder zal zich bij de uitoefening van zijn bestuurstaak bij ProSolar naar eigen inzicht kunnen doen bijstaan door Bloomboom op door hem te bepalen, nader te stellen voorwaarden. De Ondernemingskamer ziet tevens aanleiding om de aandelen die Bloomboom in ProSolar houdt – met uitzondering van één aandeel – ten titel van beheer aan een door haar te benoemen beheerder over te dragen.

3.12

De te benoemen bestuurder mag het bovendien tot zijn taak rekenen een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven.

3.13

De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen bestuurder en beheerder ten laste brengen van ProSolar.

3.14

De Ondernemingskamer zal de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog aanhouden, opdat kan worden bezien of reeds door de te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder der partijen of de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder of beheerder kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.

3.15

De Ondernemingskamer zal Bloomboom als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van ProSolar Installatietechniek B.V., gevestigd te Poeldijk, over de periode vanaf 1 januari 2017;

benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;

stelt het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vast op € 20.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van ProSolar Installatietechniek B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;

benoemt mr. A.J. Wolfs tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;

schorst, bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, met ingang van heden Bloomboom B.V. als bestuurder van ProSolar Installatietechniek B.V.;

benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding mr. P.W. Schreurs te Eindhoven tot bestuurder van ProSolar Installatietechniek B.V.;

bepaalt vooralsnog voor de duur van het geding dat de aandelen van Bloomboom B.V. in ProSolar Installatietechniek B.V. – met uitzondering van één aandeel – ten titel van beheer met ingang van heden zijn overgedragen aan mr. P.J. Colijn te Uitwijk;

bepaalt dat het salaris en de kosten van de bestuurder en van de beheerder van aandelen ten laste komen van ProSolar Installatietechniek B.V. en bepaalt dat ProSolar Installatietechniek B.V. voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder en beheerder zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van hun werkzaamheden;

veroordeelt Bloomboom B.V. in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van [A] begroot op € 3.398;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, prof. dr. M.N. Hoogendoorn RA en dr. P.M. Verboom, raden, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Govers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 22 december 2017.