Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5477

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
23-001002-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging. Belediging ambtenaar in functie. Verweer 344 lid 2 Sv geen origineel document (digitale kopie) verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001002-17

datum uitspraak: 17 oktober 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 16 maart 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-192844-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 oktober 2017.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw mr. M.S. Gerson, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 20 september 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk een ambtenaar, de aldaar dienstdoende en/of in uniform geklede surveillant van politie te Amsterdam, [naam], gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: zielig kutwijf, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bespreking van ter terechtzitting gevoerde verweren

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte nimmer de woorden ‘zielig kutwijf’ heeft gezegd en dat er onvoldoende bewijs is om tot een veroordeling te komen nu het proces-verbaal van bevindingen van de betrokken verbalisant van 20 september 2016 geen origineel document betreft waardoor het niet de bijzondere bewijskracht van artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering toekomt.

Het hof overweegt als volgt.

Het verweer dat het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam] van 20 september 2016 geen origineel document betreft wordt verworpen. Het dossier, waarin het betreffende proces-verbaal is opgenomen, betreft een digitaal afschrift dat is voorzien van een gekwalificeerde elektronische handtekening waarin is opgenomen dat het geschrift een identieke weergave en kopie is van het originele document. Derhalve is het onderhavige proces-verbaal van bevindingen een gewaarmerkt elektronisch processtuk en daarmee gelijkgesteld -ook wat betreft de bewijswaarde- aan het originele papieren proces-verbaal.

Voor wat betreft de feitelijke gang van zaken gaat het hof uit van hetgeen is vastgelegd in meergenoemd ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam]. Het hof ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid daarvan. De enkele betwisting van de verdachte dat zij de woorden ‘zielig kutwijf’ heeft gezegd is daartoe onvoldoende. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor de suggestie van de verdachte dat zij mogelijk verkeerd is verstaan door de verbalisant, of dat deze de woorden verkeerd heeft genoteerd. Ook dit verweer wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 20 september 2016 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, de aldaar dienstdoende en in uniform geklede surveillant van politie te Amsterdam, [naam], gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar de woorden toe te voegen: zielig kutwijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200,00 subsidiair 4 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200,00 subsidiair 4 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van haar bediening. Dit getuigt van onbeheerst gedrag en gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Het hof neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat het incident op straat heeft plaatsgevonden en omstanders aanwezig waren. De verdachte heeft het gezag van de politie ondermijnd en de ambtenaar in haar eer en goede naam aangetast.

Ten voordele van de verdachte weegt het hof mee dat de verdachte blijkens een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 27 september 2017 niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Voorts lijkt het er op dat de verdachte zich eenmalig heeft laten meeslepen door haar emoties in het gevoel dat zij niet rechtvaardig werd behandeld door de opsporingsambtenaar.

Het hof acht, alles afwegende, een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L.M. van der Voet, mr. C.N. Dalebout en mr. G.M. Boekhoudt in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 oktober 2017.

[.......]

.