Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5437

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
29-12-2017
Zaaknummer
23-005008-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bezit van een wapen en munitie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-005008-15

datum uitspraak: 27 december 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-730047-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2017 en 13 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 juni 2015 te Amsterdam in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

een vuurwapen van categorie III, te weten

- een pistool (merk Glock) en/of

een patroonmagazijn van categorie III, te weten

- een (gebogen) (10 schots) patroonmagazijn (bestemd voor pistoolmitrailleur Ceska Zbrojovka model Vz61 Skorpion)

en/of munitie van categorie III, te weten

- dertien (13), althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber.38 Special),

voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 juni 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met ander

- een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Glock) en

- munitie van categorie III, te weten patronen (kaliber.38 Special)

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Aangezien de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal op de voet van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan met de navolgende opgave van de bewijsmiddelen:

1. proces-verbaal van doorzoeking en inbeslagneming van 8 juni 2015 met proces-verbaalnummer 2015127256 en documentcode 5187021, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de bevoegde opsporingsambtenaar T-110 (doorgenummerde pagina 56 e.v.);

2. proces-verbaal ‘wapenonderzoek’ van 8 juni 2015 met registratienummer 2015127256, in de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant], materiedeskundige (vuur)wapens en munitie (doorgenummerde pagina 139 e.v.);

3. proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] van 8 juni 2015 met proces-verbaalnummer 2015127256 en documentcode 5186672, de wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend door de bevoegde opsporingsambtenaren [nummer 1] en [nummer 2] (doorgenummerde pagina 196 e.v.);

4. de verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting in hoger beroep van 11 december 2017.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

Straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

De raadsman heeft verzocht een straf op te leggen conform de eis van de advocaat-generaal. In dit verband is erop gewezen dat de verdachte zijn leven goed op orde heeft en een hernieuwde vrijheidsbeneming de verdachte mogelijk zijn baan zal kosten. De raadsman heeft voorts gesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is geschonden, nu de behandeling van de zaak in hoger beroep langer dan twee jaren heeft geduurd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met zijn broer een pistool en munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Het hof heeft gelet op de straf die voor het bezit van een pistool pleegt te worden opgelegd en die zijn weerslag heeft gevonden in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin wordt een gevangenisstraf van 3 maanden genoemd. Het hof neemt die straf tot uitgangspunt. Nu de verdachte het bewezene in vereniging heeft gepleegd en bovendien de beschikking had over munitie acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden op zijn plaats.

Gelet op de persoonlijke situatie van de verdachte, onder meer het feit dat hij een positieve gezinssituatie kent en een verantwoordelijke baan heeft, zal hem – wat het hof betreft: éénmalig – de kans worden gegund zijn leven op maatschappelijk betamelijke wijze voort te zetten en zich daarbij verre te houden van de criminele activiteiten van zijn broer. Het hof zal de verdachte daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die de reeds door hem in voorarrest doorgebrachte tijd overstijgt. In plaats daarvan zal een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf worden opgelegd. Gezien de ernst van de bewezen feiten zal het hof een hogere taakstraf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof stelt vast dat bij de berechting van de zaak in hoger beroep sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM van 17 dagen. Immers, de verdachte heeft op 10 december 2015 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 27 december 2017 uitspraak doet. Hierdoor is inbreuk gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM. Gelet evenwel op de beperkte omvang van de overschrijding zal het hof volstaan met de enkele constatering hiervan.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Maatregel

Het hof heeft in de zaken van het onderzoek Sulafat (de zaken van de verdachte en de onder de parketnummers 23-005007-15 en 23-005009-15 ingeschreven zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]) te beslissen over een hoeveelheid in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen. Het hof constateert dat door het openbaar ministerie bij de registratie van deze goederen, blijkens de door de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 december 2017 in de drie zaken overgelegde beslaglijsten, niet telkens de meest voor de hand liggende keuze lijkt te zijn gemaakt. Het hof zal over elk voorwerp een beslissing nemen in de zaak waarin dat het meest geëigend is en overweegt in de voorliggende zaak als volgt.

In de woning van de verdachte zijn (naar mag worden aangenomen: onder de verdachte) in beslag genomen een pistool (itemnummer: 4992138), een patroonmagazijn (itemnummer: 4992146) en munitie (itemnummer: 4992161). Nu het bewezenverklaarde met betrekking tot de als eerste en derde genoemde voorwerpen is begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet zullen zij worden onttrokken aan het verkeer. Ditzelfde lot treft het als tweede genoemde voorwerp, dat toebehoort aan [medeverdachte 1] (p. 207), omdat het bij gelegenheid van het opsporingsonderzoek naar de bewezen verklaarde feiten is aangetroffen, kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten en het van zodanig aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c en 36d, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een pistool (itemnummer: 4992138);

- een patroonmagazijn (itemnummer: 4992146);

- munitie (itemnummer: 4992161).

Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. G. Oldekamp en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 december 2017.

=[...]