Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5436

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
29-12-2017
Zaaknummer
23-005007-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak terzake medeplegen voorbereiding liquidatie. Veroordeling voor voorbereiding van brandstichting en wapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-005007-15

datum uitspraak: 27 december 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-730046-15 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland Noord, Unit Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 april 2016, 11 december 2017 en 13 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 06 juni 2015 te Amsterdam en/of Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf van moord en/of doodslag en/of opzettelijke vrijheidsberoving en/of diefstal met geweld en/of afpersing in vereniging bedoeld in de artikelen 289 c.q. 287 c.q. 282 c.q. 312 c.q. 317 jo 47 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval een misdrijf waarop een gevangenisstraf van tenminste 8 jaren is gesteld, opzettelijk

a. a) een (gestolen) personenauto (merk: BMW) en/of

b) drie, in elk geval een of meer, (automatische) (vuur)wapen(s) (te weten een (doorgeladen) pistool (merk: Crvena Zastava) en/of een geluidsdemper (behorende bij de Crvena Zastava) en/of een (halfgeladen) volautomatisch aanvalsgeweer (merk: Zastava, systeem AK-47) en /of een (doorgeladen) revolver (merk: Smith&Wesson)) en/of

c) acht, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber 7.65mm) en/of (in voornoemde Crvena Zastava) zes, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber 7.65mm) en/of (in voornoemde Smith&Wesson) zes, althans een of meer patro(o)n(en) (7.65mm) en/of acht, althans een of meer patro(o)n(en) (geschikt om verschoten te worden met het pistool van het merk Crvena Zastava, model 70) en/of (een patroonmagazijn, bestemd voor een Zavstava, systeem AK-47, met daarin) twintig, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber 7,62 x 39 mm) en/of

d) een kogelwerend vest en/of

e) twee, althans een of meer flessen (met daarin benzine, althans enige ontvlambare vloeistof) en/of

f) een aansteker en/of

g) een rol wc-papier en/of

h) een of meer paar (donkerkleurige) handschoen(en) en/of

i. i) een of meer (donkerkleurig(e)) kledingstuk(ken)

bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

2:
hij op of omstreeks 06 juni 2015, te Amsterdam en/of Zaandam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting (als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht) in/aan een (gestolen) BMW, althans een personenauto, opzettelijk

a. a) twee, althans een of meer flessen (met daarin benzine, althans enig ontvlambare vloeistof) en/of

b) een aansteker en/of

c) een rol wc-papier

heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf;

3:
hij op of omstreeks 06 juni 2015 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meerdere vuurwapen(s) van categorie II en/of III voorhanden heeft gehad, te weten

a)een (half geladen) volautomatisch aanvalsgeweer (merk Zastava, systeem AK-47)) en/of

b)een (doorgeladen) pistool (merk Crvena Zastava, model 70)) en/of

c)een geluidsdemper (behorende bij de Crvena Zastava) en/of

d)een doorgeladen revolver (merk Smith& Wesson) en/of munitie van categorie III, te weten

e)(een patroonmagazijn, bestemd voor een Crvenna Zastava, met daarin) acht, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber 7.65mm) en/of

f)(in voornoemde Crvena Zastava) zes, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber 7.65mm) en/of

g)(in voornoemde Smith&Wesson) zes, althans een of meer patro(o)n(en) (7.65mm) en/of

h) acht, althans een of meer patro(o)n(en) (geschikt om verschoten te worden met het pistool van het merk Crvena Zastava, model 70) en/of

i. i) (een patroonmagazijn, bestemd voor een Zastava, systeem AK-47, met daarin) twintig, althans een of meer patro(o)n(en) (kaliber 7,62 x 39 mm);

4 primair:
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 03 juni 2015 tot en met 04 juni 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een motorvoertuig, te weten een BMW (met kenteken [kenteken]) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte;
4 subsidiair:
hij op een of meer tijdstip(en) in of omstreeks de periode van 03 juni 2015 tot en met 06 juni 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederlands, (telkens) tezamen en in verenging met (een) ander(en), althans alleen, een personenauto (te weten een BMW met kenteken [kenteken]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die voornoemde BMW wist, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof;

5:
hij op of omstreeks 07 juni 2015 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een vuurwapen van categorie III, te weten

- een pistool (merk Glock) en/of

munitie van categorie III, te weten

- dertien (13), althans een of meer patro(o)n(en)(kaliber.38 Special), voorhanden heeft gehad.

Het hof heeft gesignaleerd dat in het onder 3 ten laste gelegde in plaats van “een of meerdere (vuur)wapen(s) en/of munitie van categorie I, II en/of III” is opgenomen “een of meerdere vuurwapen(s) van categorie II en/of III”. Het hof houdt dit voor een kennelijke misslag, mede gelet de omstandigheid dat onder a) tot en met i) ook een geluiddemper en munitie zijn opgenomen. Het hof leest dit deel van de tenlastelegging daarom verbeterd. Deze verbetering is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist. De verdachte wordt daardoor in zijn verdediging niet geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een ander oordeel omtrent de bewijsvraag en tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Overwegingen omtrent de bewijsvraag aangaande het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben

gemaakt aan het voorbereiden van moord, meer bepaald van een liquidatie (het onder 1 ten laste gelegde), en het voorbereiden van brandstichting (het onder 2 ten laste gelegde). Daartoe is aangevoerd dat hetgeen zich op 6 juni 2015 heeft voorgedaan, mede gezien hetgeen bekend is omtrent de modus operandi bij liquidaties, past bij een voorbereiding van een liquidatie, die heeft gespeeld tegen de achtergrond van rivaliserende groepen [het hof begrijpt: een groep rondom [naam 1], hierna te noemen: de [naam 1], en een groep rondom [naam 2], hierna te noemen: de [naam 2]]. In dit verband is er onder andere op gewezen dat de shisha lounge ‘[naam 3]’ (hierna ook: [naam 3]) een ontmoetingsplek is voor personen uit die laatste groep. Het door de verdachte gepresenteerde scenario omtrent een wapenlevering dient als ongeloofwaardig bestempeld te worden. Nu de gebleken feiten en omstandigheden voorts niet wijzen op een vermogensdelict of een ontvoering kan het niet anders zijn dan dat de beide verdachten de misdrijven moord en brandstichting hebben voorbereid.

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat het opzet van de verdachte gericht is geweest op het voorbereiden van een moord; dat uit een samenstel van de relevante bevindingen kan worden afgeleid dat de twee verdachten met criminele motieven op de [adres 1] aanwezig zijn geweest is daartoe onvoldoende. Er kan immers ook sprake zijn geweest van een observatie, voorbereidingshandelingen terzake vrijheidsberoving, diefstal met geweld of afpersing, bedreiging of (zware) mishandeling of een plan tot overdracht van wapens. Er is geen bewijsmiddel dat tussen de mogelijke scenario’s discrimineert. Daarbij komt dat verschillende resultaten uit het opsporingsonderzoek contra-indicaties voor het kunnen aannemen van voorbereidingshandelingen voor een liquidatie naar voren zijn gekomen. De stellingen dat:

( a) de plek aan de [adres 1] waarop de auto waarin de verdachten waren gezeten was geparkeerd te koppelen is aan [naam 3];

( b) het niet anders kan zijn dat één van de bezoekers van [naam 3] – in het bijzonder de inzittende(n) van de nabij [naam 3] geparkeerde zwarte BMW – het beoogde doelwit moet zijn geweest en

( c) de verdachte kan worden gelinkt aan de [naam 1]

zijn speculatief en ongefundeerd.

Niet kan worden vastgesteld dat de verdachte en [medeverdachte 1] vanuit de positie waar zijn hun auto hadden geparkeerd de zwarte BMW in de gaten hielden. Voor zover die vaststelling voor de bewijsvoering van belang wordt geacht heeft de raadsvrouw het hof verzocht een schouw te doen plaatsvinden, opdat kan worden vastgesteld hoe de desbetreffende zichtlijn liep. Om voornoemde redenen heeft de raadsvrouw verzocht de verdachte vrij te spreken van het onder 1 ten laste gelegde. Van het onder 2 ten laste gelegde dient de verdachte volgens de raadsvrouw eveneens te worden vrijgesproken, omdat de verdachte in voorkomend geval voornemens was de auto op een ‘veilige plaats’ in brand te steken, zonder gemeen gevaar voor goederen of personen te veroorzaken.

Het oordeel van het hof

Juridisch kader

Het in dezen van belang zijnde artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) houdt onder meer in:

“1. Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.

2. Het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld wordt bij voorbereiding met de helft verminderd.

3. Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.”

Voor een bewezenverklaring van een op het eerste artikellid toegesneden tenlastelegging is noodzakelijk dat (met een voldoende mate van bepaaldheid) vast komt te staan op welk soort misdrijf met een strafmaximum van acht jaren de voorbereidingshandelingen die een verdachte worden verweten waren gericht (vgl. HR 17 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4200 en HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179). Dit is van belang, omdat de strafmaxima van het tweede en derde lid zijn gerelateerd aan het maximum van de op het voorbereide misdrijf gestelde hoofdstraffen (zie ook: HR 20 oktober 1998, NJ 1999/64).

Vaststelling van feiten

In het onderhavige geval neemt het hof op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep de volgende gang van zaken als vaststaand aan.

Ongeveer een week vóór 6 juni 2015 heeft de verdachte [medeverdachte 1] gevraagd om een klus voor hem te doen. Die klus bestond (in ieder geval) uit het ophalen van een auto en het optreden als chauffeur. Daarbij heeft de verdachte tegen [medeverdachte 1] gezegd: ‘Denk er over na, je hebt een kind’. [medeverdachte 1] vond het ‘cool’ en stemde in. Vervolgens heeft de verdachte [medeverdachte 1] geïnstrueerd om bij de klus donkere kleding te dragen en handschoenen mee te nemen; hij heeft [medeverdachte 1] (kennelijk daartoe) handschoenen gegeven. In de vroegste uren van 6 juni 2015 is de verdachte in verband met die klus in zijn Volkswagen (VW) Golf naar de woning van [medeverdachte 1] in Zaandam gereden. [medeverdachte 1] was op dat moment conform de instructies geheel in het zwart gekleed. Hij droeg onder andere een kogelwerend vest en een shirt waarmee het gezicht kon worden bedekt, alsook handschoenen. Ook de verdachte was geheel in het zwart gekleed, beschikte over een capuchon en had handschoenen bij zich, dit terwijl het die nacht niet koud was. De verdachte zei tegen [medeverdachte 1] dat zij de auto [het hof begrijpt: de op te halen auto] ‘weg moesten doen’ en dat hij – de verdachte – de auto ‘in de fik zou gooien’. De verdachte vroeg [medeverdachte 1] een wc-rol en een aansteker mee te nemen, maar zijn telefoon thuis te laten, aan welke verzoeken [medeverdachte 1] gevolg heeft gegeven. [medeverdachte 1] had geen geld, bankpas of identiteitsbewijs bij zich. Omstreeks 02.00 uur zijn de verdachte (in zijn VW Golf) en [medeverdachte 1] (in een VW Up) richting Amsterdam gereden. Aangekomen op de [adres 2] in Amsterdam Osdorp – op zeer korte afstand van het ouderlijk huis en de woning van de broer van de verdachte aan de Tussen Meer – heeft [medeverdachte 1] zijn VW Up geparkeerd en zijn [medeverdachte 1] en de verdachte in de VW Golf met de verdachte als bestuurder gereden naar de [adres 3], gelegen achter Winkelcentrum Akerpoort, alwaar [medeverdachte 1] werd afgezet bij een aldaar geparkeerd staande, grijze BMW 3-serie die gestolen bleek te zijn. Die BMW (hierna ook: de gestolen BMW) was voorzien van een getinte achterruit en getinte achterste zijruiten en daarin bevonden zich twee flessen met benzine.

Het voertuig was daar geplaatst op verzoek van de verdachte, die wist dat deze auto gestolen was en op de hoogte was van de flessen met benzine die zich in de auto bevonden. De verdachte heeft [medeverdachte 1] op dat laatste nog met zoveel woorden geattendeerd. Het voertuig was niet afgesloten; de sleutel bevond zich in het contactslot. De verdachte had toen een sporttas in camouflagekleuren bij zich die hij in de gestolen BMW legde. Later is gebleken dat de verdachte die nacht ook een plastic tas van Albert Heijn bij zich heeft gehad. [medeverdachte 1] nam vervolgens als bestuurder plaats in die BMW en reed daarmee naar de [adres 10], gelegen aan de voorzijde van genoemd winkelcentrum, alwaar de verdachte zijn VW Golf inmiddels had geparkeerd en stond te wachten. Nadat de verdachte aan de achterzijde van de gestolen BMW was ingestapt reed het tweetal te 02.41.13 uur via de [adres 4] naar de [adres 5]. Daarbij gaf de verdachte [medeverdachte 1] instructies over de te volgen route. Om 02.43 uur draaide de BMW vanaf de [adres 5] de [adres 6] op en reed naar de [adres 1]. In een bocht van die laatste weg werd de gestolen BMW geparkeerd en bleef daar geruime tijd geparkeerd staan. Om 02.42 uur parkeerde een donkerkleurige BMW 5-serie, waarvan gevoeglijk mag worden aangenomen dat deze vanuit dezelfde richting als de gestolen BMW is komen aanrijden en om 02.41.28 vanuit de [adres 5] de [adres 6] is opgedraaid, schuin tegenover [naam 3] nabij de kruising met de [adres 1] op de [adres 6]. [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]), de bestuurder van deze auto, en zijn passagier [naam 4] (hierna: [naam 4]) zijn vervolgens uitgestapt en [naam 3] binnen gegaan. Om 03.41 uur verlieten [medeverdachte 2] en [naam 4] de shisha lounge en namen afscheid van elkaar, waarna [medeverdachte 2] alleen naar de BMW 5-serie liep en om 03.42 uur wegreed over de [adres 6] in de richting van de [adres 5]. Rond diezelfde tijd reed de gestolen BMW met daarin opnieuw [medeverdachte 1] als bestuurder en de verdachte als passagier op de achterbank via de [adres 7] naar de [adres 6] om bij de kruising bij de [adres 8]/[adres 6] een U-bocht te maken. Inmiddels had het voertuig van [medeverdachte 2] bij de kruising [adres 6]/[adres 5] halt gehouden voor een stopstreep in een vak voor linksafslaand verkeer, terwijl het voor die richting bestemde verkeerslicht rood licht uitstraalde. Luttele momenten later, om 03.43 uur, reed de gestolen BMW op de – nog stilstaande – BMW 5-serie af.

Toen de gestolen BMW het voertuig van [medeverdachte 2] tot op ongeveer 15 meter was genaderd sprong het rode licht op groen, waarna het laatste voertuig zich in beweging zette om de [adres 5] in te draaien en de gestolen BMW hard afremde om vervolgens achter de BMW 5-serie de [adres 5] in te rijden.

Om 03.45 uur reed de BMW 5-serie het [adres 9] op, op een afstand van minder dan 3 meter gevolgd door de gestolen BMW. Inmiddels reed een als zodanig herkenbaar politievoertuig achter de gestolen BMW aan. De verdachte, die dat voertuig had opgemerkt, maande [medeverdachte 1] de auto te stoppen, waarna [medeverdachte 1] het voertuig op het [adres 9] aan de rechterzijde van de weg tot stilstand bracht. Daarna is de verdachte uitgestapt en wel op het moment dat het politievoertuig het [adres 9] op kwam rijden en schuin achter die BMW tot stilstand werd gebracht. De verdachte liep hierop op nonchalante wijze over het trottoir langs het politievoertuig en zette nadat hij deze was gepasseerd een sprint in. [medeverdachte 1] bleef zitten in de gestolen BMW en werd aangehouden op verdenking van de diefstal of de heling van die auto. De politieambtenaren troffen daarna op de bijrijdersstoel de sporttas aan. Daarin bleek zich (in een gele rugtas) een volautomatisch aanvalsgeweer (een ‘Kalasjnikov’) te bevinden dat half geladen was. Achter de bijrijdersstoel werd – op de vloer – de tas van Albert Heijn aangetroffen. Daarin bevonden zich onder andere een doorgeladen pistool waarop een geluiddemper was gemonteerd en een revolver dat was geladen met zes patronen. De wapens konden naar behoren functioneren.

Gevolgtrekkingen

Uit het voorgaande leidt het hof met overtuiging af dat de verdachten de bewuste nacht op pad zijn

gegaan met criminele plannen, waarbij mogelijk door enige daarbij betrokkene zeer ernstig geweld zou worden gepleegd. Anders dan de verdediging staat voor het hof verder ook buiten redelijke twijfel vast dat [medeverdachte 2] (of de persoon voor wie [medeverdachte 2] werd aangezien) in die criminele plannen een rol speelde. Het hof gaat er namelijk vanuit dat de verdachten

( a) de BMW van [medeverdachte 2] tot in de directe nabijheid van de parkeerplek op de [adres 6] hebben gevolgd,

( b) op de [adres 1] – een zijstraat van de [adres 6] – hebben gewacht totdat [medeverdachte 2] vertrok,

( c) het er enigerlei wijze toe hebben geleid dat zij onverwijld van diens (aanstaande) vertrek op de hoogte zijn geraakt en

( d) achter de BMW van [medeverdachte 2] zijn aangereden en zich vervolgens de nodige moeite hebben getroost om op die BMW, die aanvankelijk enige voorsprong op het voertuig van de verdachten had opgebouwd, te achterhalen c.q. bij te houden.

Hierbij is mede in aanmerking genomen dat [medeverdachte 1], gevraagd naar de reden van de aanwezigheid van de beide verdachten op de [adres 1], heeft verklaard dat de verdachte hem heeft gezegd dat er op iemand
– een persoon – gepost moest worden. Aan de latere verklaring van [medeverdachte 1], kort gezegd inhoudende dat het slechts zijn eigen invulling is geweest dat zij ‘iemand gingen checken’, hecht het hof geen geloof, nu [medeverdachte 1] er voor die tijd bij herhaling gewag van heeft gemaakt dat hij een dergelijk doel uit de mond van de verdachte heeft vernomen.

De centrale vraag waarvoor het hof zich gesteld ziet is of (met een voldoende mate van bepaaldheid) kan worden vastgesteld wat de misdadige plannen waren waarin [medeverdachte 2] figureerde.

Daarbij onderkent het hof zonder meer dat het wapentuig dat de verdachten met zich voerden bij uitstek geschikt is om een ander om het leven te brengen, al dan niet bij wijze van liquidatie, alsook dat het soort wapens dat de verdachten met zich voerden, een automatisch aanvalsgeweer en een pistool met geluiddemper, in het verleden bij liquidaties zijn gehanteerd. Bovendien kan een uitdossing als die van de verdachten en het gebruik van een gestolen en deels geblindeerd voertuig eraan bijdragen dat het achterhalen van de identiteit van de pleger(s) van zo’n aanslag wordt bemoeilijkt. Ook is het een gegeven dat (vlucht)auto’s die bij eerdere liquidaties zijn gebruikt daarna in brand zijn gestoken.

Ten bewijze van de stelling dat het in deze zaak ook daadwerkelijk is gegaan om een plan een ander te liquideren heeft het openbaar ministerie, zo begrijpt het hof, willen betogen dat het incident van 6 juni 2015 kan worden geplaatst in de context van een ‘liquidatiegolf’ die het gevolg is van een vete in de (Amsterdamse) criminele onderwereld tussen de [naam 2] en de [naam 1], mede omdat de verdachten kunnen worden gelinkt aan de tweede groep en de door [medeverdachte 2] bezochte shisha lounge [naam 3] een ontmoetingsplek is voor personen uit de eerstgenoemde groep.

Het hof stelt vast dat de verdachte in meerdere of mindere mate omging of bevriend was met personen die door de opsporing tot de ‘[naam 1]’ worden of werden gerekend, te weten de op 22 mei 2014 geliquideerde [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en de op 7 november 2015 geliquideerde [slachtoffer 4]. [medeverdachte 1] had (sporadisch) contact met [naam 5], de partner van de ex-vrouw van [medeverdachte 1], die ook tot die groep wordt gerekend. Eén en ander plaatst de verdachte en (in mindere mate) [medeverdachte 1] in een verdachte hoek, maar dat laat onverlet dat de beide verdachten hebben ontkend metterdaad deel uit te maken van die criminele groep en dat voor het tegendeel in het procesdossier geen solide aanknopingspunten kunnen worden gevonden. In zoverre is niet gebleken dat de verdachte en [medeverdachte 1] reden hadden om zich actief en op verstrekkende wijze met genoemde vete te bemoeien. Daarbij komt dat [medeverdachte 2], voor zover uit de voorliggende stukken kan blijken, niet kan worden gelieerd aan de [naam 2]. Tegen die achtergrond heeft het enkele feit dat [medeverdachte 2] een etablissement heeft bezocht dat ook wordt gefrequenteerd door leden van die laatste groep onvoldoende zeggingskracht.

Het voorgaande maakt dat de vete in de (Amsterdamse) criminele onderwereld geen of in elk geval in onvoldoende mate nadere duiding kan geven aan de gedragingen van [medeverdachte 1] en de verdachte van 6 juni 2015.

Op basis van de overige feiten en omstandigheden is voor het hof niet op voldoende overtuigende wijze komen vast te staan dat het criminele plan van de verdachten een moord of en doodslag – een liquidatie – omvatte. Dat oordeel berust op het volgende.

Allereerst hebben de verdachten stellig en consequent verklaard zich niet met een dergelijk ingrijpend delict te hebben beziggehouden. Hoewel het misschien bij een verdenking als onder 1 is ten laste gelegd geen verbazing mag wekken dat een verdachte een verklaring van die strekking aflegt, kan het hof daaraan niet zonder meer voorbij gaan. Daarnaast bevonden de vuurwapens die de verdachten bij zich hadden zich (bij het aantreffen daarvan) in een tas, het aanvalsgeweer zelfs in twee tassen, zodat niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat de verdachten die wapens voor onmiddellijk gebruik paraat hebben gehouden. Uit de resultaten van het verdere tactisch onderzoek en dat aan gegevensdragers en naar telefoonverkeersgegevens is geen informatie naar voren gekomen die op directe of indirecte wijze op levensbeëindiging gerichte plannen wijst. Voorts is niet gebleken dat de verdachten zich in het

verleden bereid hebben getoond om vuurwapens met het opzet of het risico op dodelijke afloop te gebruiken (vgl. HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3081). Verder kunnen andere scenario’s niet als (volstrekt) onaannemelijk terzijde worden geschoven. Een script waarin een ander zou worden gegijzeld, wederrechtelijk van de vrijheid zou worden beroofd, met gebruikmaking van de vuurwapens zou worden bedreigd of (al dan niet in de vorm van een ‘ripdeal’) zou worden afgeperst is niet onvoorstelbaar. Dat minder snel kan worden ingezien op welke wijze enkele gedragingen van de verdachten hebben kunnen bijdragen aan het welslagen van sommige van die vergrijpen (zoals het dragen van zwarte kleding in een scenario van wapenlevering), acht het hof in dat verband niet beslissend. Tegen die achtergrond kunnen de voorbereidingen om de gestolen BMW na gedane criminele zaken in brand te steken niet worden gezien als bewijzend voor het plannen en/of uitvoeren van een liquidatie, omdat die ook kunnen passen in een scenario waarin een ander ingrijpend delict zou worden begaan.

Overigens merkt het hof nog op dat ingeval de verdachten van zins zijn geweest jegens een ander een ernstig (gewelds)delict te plegen, nog niet gezegd is dat [medeverdachte 2] het slachtoffer daarvan zou zijn geworden. Het is voorstelbaar dat bij de verdachten de verwachting leefde dat [medeverdachte 2] hen kon leiden naar een door hen gezocht persoon.

Het hof komt alles overziend tot de slotsom dat niet (met een voldoende mate van bepaaldheid) is komen vast komt te staan op welk soort misdrijf met een strafmaximum van acht jaren de voorbereidingshandelingen die de verdachte wordt verweten waren gericht, zodat hij moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Het standpunt van de raadsvrouw met betrekking tot het zicht vanuit de geparkeerde gestolen BMW op de zwarte BMW op de [adres 6] behoeft, gelet op het hiervoor overwogene, geen bespreking. Evenmin is aanleiding te beslissen op het voorwaardelijk verzoek een schouw te doen plaatsvinden, omdat de daaraan verbonden voorwaarde niet is vervuld.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, het verrichten van voorbereidingshandelingen voor een brandstichting, overweegt het hof het volgende.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof als vaststaand aan dat de verdachte en [medeverdachte 1] op enig moment – al dan niet na de succesvolle verwezenlijking van hun crimineel plan – van zins waren zich van de gestolen BMW te ontdoen door deze in brand te steken. Het aantreffen in die BMW van twee flessen met benzine in samenhang met de omstandigheid dat [medeverdachte 1] een wc-rol en een aansteker bij zich had gestoken spreekt in dit verband boekdelen. Bovendien hebben zowel de verdachte als [medeverdachte 1] verklaard dat de auto ‘in de fik zou worden gegooid/gestoken’. Weliswaar heeft de verdachte gesteld dat dit alleen zou gebeuren voor het geval er iets mis zou gaan rondom de door hem genoemde wapenoverdracht, maar het hof stelt dit gedeelte van zijn verklaring als ongeloofwaardig terzijde, omdat het niet strookt met de uitlating die hij op 6 juni 2015 in Zaandam over het wegdoen en ‘in de fik gooien’ van de auto tegenover [medeverdachte 1] heeft gedaan; daarin heeft de verdachte immers van een eventualiteit niet gerept. Het hof acht daarom bewezen dat het opzet van zowel de verdachte als [medeverdachte 1] was gericht op het in brand steken van de gestolen BMW en dat zij deze brandstichting gezamenlijk zouden uitvoeren.

Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of bij de voorgenomen brandstichting het opzet van de verdachte en [medeverdachte 1] tevens was gericht op het veroorzaken van gemeen gevaar voor goederen, in die zin dat dit opzet betrekking moet hebben op het naar algemene ervaringsregels voorzienbare gemeen gevaar voor goederen (vgl. HR 5 juni 2012 ECLI:NL:HR:2012:BW4230).1 Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Het is behoudens bijzondere omstandigheden, die hier niet zijn gebleken, voorzienbaar dat in een gestolen auto goederen aanwezig zijn die aan een ander (de eigenaar van de auto) toebehoren.

Uit de inhoud van de processtukken, met name de foto’s van het interieur van de gestolen BMW, blijkt ook van dergelijke goederen (waaronder een hangertje en een goudkleurige tas). Het is zeer onaannemelijk dat de verdachten, alvorens de BMW in brand te steken, de hen niet toebehorende goederen in veiligheid zouden hebben gebracht. In zoverre zouden de verdachten naar het oordeel van het hof minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaarden dat bij het in brand steken van de BMW gemeen gevaar voor hen niet toebehorende goederen in de BMW werd veroorzaakt. Bovendien ligt het in de rede dat de verdachten zich na gedane criminele zaken met uiterste spoed van de gestolen BMW zouden hebben willen ontdoen en de BMW in brand zouden steken op een plaats waarvan zij zich weer snel zouden kunnen verwijderen. De verdachten hebben zich niet uitgelaten over de exacte plaats waar de brandstichting zou moeten gaan plaatsvinden, doch het hof gaat er op grond van het bovenstaande van uit dat dit in de buurt moet zijn geweest van een ander vervoermiddel. Het hof kent in dat verband betekenis toe aan de plaats waar de verdachten de eigen auto’s hadden geparkeerd, te weten in de [adres 2] en de [adres 10]. Beide straten zijn, zo is van algemene bekendheid, niet ver van elkaar gelegen in c.q. onmiddellijk nabij Osdorp, zijnde een woonwijk in Amsterdam. Dat strookt met de verklaring van de verdachte dat hij en [medeverdachte 1] terug naar Osdorp zouden gaan om de auto [het hof begrijpt: de gestolen BMW] te parkeren. Daarom kan als vaststaand worden aangenomen dat de verdachten van plan waren de BMW in Osdorp, in ieder geval binnen de bebouwde kom van Amsterdam, in brand te steken op een plaats waar geparkeerd kon worden. Het hof neemt voorts in aanmerking dat uit algemene ervaringsregels blijkt dat door een in brand staande auto – al dan niet door ontploffing van de inhoud van de brandstoftank – aanmerkelijke schade kan worden veroorzaakt aan zich in de directe omgeving bevindende (on)roerende goederen, daaronder begrepen andere geparkeerde auto’s en het wegdek waarop die auto zich bevindt.

Om deze redenen acht het hof het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen.

Overweging omtrent de bewijsvraag aangaande het onder 4 primair tenlastegelegde

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 4 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Nu de advocaat-generaal dit ook heeft gevorderd, terwijl dit eveneens is bepleit door de raadsvrouw, wordt dit oordeel niet nader gemotiveerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2:

hij op 6 juni 2015, te Amsterdam en Zaandam, tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het met een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten brandstichting (als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht) in een gestolen BMW, opzettelijk

a. a) twee flessen met daarin benzine en

b) een aansteker en

c) een rol wc-papier

voorhanden heeft gehad, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf;

3:

hij op 6 juni 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een wapen van categorie I, vuurwapens van categorie II en III en munitie van categorie II en III voorhanden heeft gehad, te weten

a. a) een half geladen volautomatisch aanvalsgeweer (merk Zastava, systeem AK-47) en

b) een doorgeladen pistool (merk Crvena Zastava, model 70) en

c) een geluiddemper (behorende bij de Crvena Zastava) en

d) een geladen revolver (merk Smith& Wesson) en munitie van categorie III, te weten

e) een patroonmagazijn, bestemd voor een Crvena Zastava, met daarin acht patronen (kaliber 7.65mm) en

f) in voornoemde Crvena Zastava patronen (kaliber 7.65mm) en

g) in voornoemde Smith&Wesson zes patronen (7.65mm) en

h) acht patronen geschikt om verschoten te worden met het pistool van het merk Crvena Zastava, model 70) en

i. i) een patroonmagazijn, bestemd voor een Zavstava, systeem AK-47, met daarin patronen (kaliber 7,62 x 39 mm);

4 subsidiair:

hij op 6 juni 2015 te Amsterdam, tezamen en in verenging met ander een personenauto (te weten een BMW met kenteken [kenteken]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die voornoemde BMW wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;


5:
hij op 7 juni 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk Glock), en munitie van categorie III, te weten patronen (kaliber.38 Special), voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 2, 3, 4 subsidiair en 5 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2, 3, 4 subsidiair en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van voorbereiding van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II en een vuurwapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 4 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzetheling.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III

en

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2, 3, 4 subsidiair en 5 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel en (overige) beslissingen omtrent het beslag

Hoofdstraf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3, 4 subsidiair en 5 bewezen verklaarde veroordeeld tot 8 jaren gevangenisstraf.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor dezelfde feiten zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de oplegging van straf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft samen met zijn mededader een grote hoeveelheid buitengewoon gevaarzettend wapentuig voorhanden gehad, bestaande uit een volautomatisch aanvalsgeweer, een pistool, een revolver en de bij de wapens behorende munitie. Het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Dit geldt temeer nu de verdachte deze vuurwapens heeft vervoerd en geruime tijd voorhanden heeft gehad op de openbare weg en de vuurwapens half geladen, geladen of doorgeladen waren.

Daarnaast heeft de verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan de heling van een BMW. Aldus heeft de verdachte een gebrek aan respect voor andermans eigendommen aan de dag gelegd en (mede) bijgedragen aan het in stand houden van de markt in gestolen voertuigen. De verdachte en de medeverdachte hebben die BMW, waarvan de ruiten aan de achterzijde waren voorzien van getint glas, gebruikt voor een gevaarlijke criminele ‘klus’, waarvan de aard niet precies is komen vast te staan. De verdachte en zijn medeverdachte hadden voorbereidingen getroffen om na die ‘klus’ de auto in brand te steken, het gemeen gevaar voor goederen dat de voorgenomen brandstichting zou veroorzaken

kennelijk voor lief nemend. Voor het hof staat vast dat de bewezenverklaarde vergrijpen op enigerlei wijze deel uit maakten van een groter geheel aan criminele activiteiten die de verdachte en de medeverdachte de bewuste nacht wilden ontplooien. Dit vormt een belangrijke strafverzwarende omstandigheid op grond waarvan voor het bewezenverklaarde een gevangenisstraf van aanzienlijke duur gerechtvaardigd wordt geacht. Daarbij komt nog dat de verdachte samen met zijn broer een pistool en munitie voorhanden heeft gehad in de woning van zijn broer, waar laatstgenoemde woonde met zijn vriendin en hun kind.

Bijzondere omstandigheden die in het voordeel van de verdachte moeten worden gewogen zijn niet aangevoerd noch aannemelijk geworden.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Deze straf is aanmerkelijk lager dan de straf die door de advocaat-generaal is geëist, omdat het hof het onder 1 ten laste gelegde – het vergrijp van de grootste ernst – niet bewezen acht.

Bijkomende straf, maatregel en (overige) beslagbeslissingen

Het hof heeft in de zaken van het onderzoek Sulafat (de zaken van de verdachte en de onder de parketnummers 23-005008-15 en 23-005009-15 ingeschreven zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]) te beslissen over een hoeveelheid in beslag genomen en nog niet teruggegeven goederen. Het hof constateert dat door het openbaar ministerie bij de registratie van deze goederen, blijkens de door de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 december 2017 in de drie zaken overgelegde beslaglijsten, niet telkens de meest voor de hand liggende keuze lijkt te zijn gemaakt. Het hof zal over elk voorwerp een beslissing nemen in de zaak waarin dat het meest geëigend is en overweegt in de voorliggende zaak als volgt.

In beslag genomen zijn een volautomatisch aanvalsgeweer, merk Zastava (itemnummer: 4991200), munitie (itemnummers: 4991205, 4991240, 4991250 en 4991254), een patroonhouder (itemnummer: 4991253), een pistool, merk Zastava (itemnummer: 4991237) en een revolver, merk Smith&Wesson (itemnummer: 4991248). Deze voorwerpen zijn aangetroffen in de gestolen BMW. Gebleken is dat deze de verdachte toebehoren (verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 20 april 2016). Nu het onder 3 ten laste gelegde met betrekking tot deze voorwerpen is begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet zullen zij worden onttrokken aan het verkeer.

De sporttas waarin zich het volautomatisch aanvalsgeweer bevond (itemnummer: 4991207) behoort de verdachte toe (p. 200 en verklaring verdachte ter terechtzitting van 26 november 2015). Nu het onder 3 ten laste gelegde met behulp van deze tas is begaan, zal het hof deze tas als bijkomende straf verbeurdverklaren.

In beslag genomen is een personenauto van het merk Volkswagen, type Golf (itemnummer: 4764860). Deze behoort de verdachte in eigendom toe (p. 202). Het hof ziet, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, onvoldoende termen om dit voertuig als bijkomende straf verbeurd te verklaren. Daarom zal de teruggave daarvan worden gelast aan degene die als redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, te weten de verdachte.

In beslag genomen is een imitatievuurwapen (itemnummer: 4991954). Deze behoort de verdachte toe (p. 313). Hoewel de verdachte niet in deze zaak ten laste is gelegd dat hij met betrekking tot dit voorwerp de Wet Wapens en Munitie heeft overtreden, is met betrekking tot dat imitatiewapen (mede gelet op p. 241) wel een strafbaar feit begaan. Waar het voorwerp voorts van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet zal het worden onttrokken aan het verkeer.

In beslag genomen is een geluiddemper (itemnummer: 4991244). Deze behoort de verdachte toe (verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 20 april 2016). Nu het onder 3 ten laste gelegde met betrekking tot dit voorwerp is begaan en het voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet zal het worden onttrokken aan het verkeer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 46, 47, 57, 157 en 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3, 4 subsidiair en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een sporttas (itemnummer: 4991207).

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een aanvalsgeweer (itemnummer: 4991200);

- munitie (itemnummers: 4991205, 4991240, 4991250 en 4991254);

- een patroonhouder (itemnummer: 4991253);

- een pistool (itemnummer: 4991237);

- een revolver (itemnummer: 4991248);
- een imitatievuurwapen (itemnummer: 4991954);
- een geluiddemper (itemnummer: 4991244).

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een personenauto van het merk Volkswagen en type Golf (itemnummer: 4764860).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. G. Oldekamp en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Metgod, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 december 2017.

[...]

1 [...]