Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5433

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
200.200.490/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; enquêterecht; vergoeding van de onderzoeker

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2018/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.200.490/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 22 december 2017

inzake

[A] ,

wonende te [....] ,

VERZOEKER,

advocaat: mr. M.C. Schepel, kantoorhoudende te Den Haag,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] ,

gevestigd te [....] ,

VERWEERSTER,

advocaat: voorheen mr. H.J.M. van Schie, kantoorhoudende te Haarlem, thans geen,

e n t e g e n

1 [C] ,

2. [D],

beiden wonende te [....] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[E] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[F] ,

beide gevestigd te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

verschenen in persoon.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zullen partijen, belanghebbenden en andere (rechts)personen (ook) als volgt worden aangeduid:

  • -

    verweerster met DPB;

  • -

    [C] met [C] ;

  • -

    [F] met PPB.

1.2

Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 16 en 18 mei 2017 en 27 november 2017 in de zaak met zaaknummer 200.200.490/01 OK en de beschikking van de raadsheer-commissaris van 25 oktober 2017 in de zaak met zaaknummer 200.200.490/02 OK.

1.3

Bij de beschikking van 16 mei 2017 heeft de Ondernemingskamer – voor zover thans van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van DPB over de periode vanaf 1 januari 2014, een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon benoemd teneinde het onderzoek te verrichten, het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 35.000, de verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen, en bepaald dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van DPB. Tevens is bij die beschikking mr. A.J. Wolfs benoemd tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW.

Bij de beschikking van 18 mei 2017 is mr. F.D. Stibbe te Amsterdam (hierna: de onderzoeker) aangewezen als onderzoeker zoals bedoeld in de beschikking van 16 mei 2017.

1.4

Op 22 november 2017 heeft de onderzoeker het verslag met bijlagen van het in 1.3 bedoelde onderzoek aan de Ondernemingskamer doen toekomen.

1.5

Met het oog op de vaststelling van diens vergoeding heeft de onderzoeker in de begeleidende brief bij het onderzoeksverslag, met specificatie van de aan het onderzoek bestede uren, de Ondernemingskamer verzocht de kosten voor het onderzoek te bepalen op € 35.000, vermeerderen met BTW.

1.6

Bij de beschikking van 27 november 2017 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het in 1.4 bedoelde verslag met bijlagen ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden. Tevens zijn partijen daarbij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de door de Ondernemingskamer te bepalen vergoeding van de onderzoeker, onder aanhouding van iedere beslissing daarover.

1.7

Naar aanleiding van de in 1.6 genoemde geboden gelegenheid, heeft de Ondernemingskamer op 7 december 2017 een aan de raadsheer-commissaris van de Ondernemingskamer gerichte brief ontvangen van PPB en [C] .

2 De gronden van de beslissing

Tegen het door de onderzoeker gedeclareerde bedrag aan onderzoekskosten zijn bezwaren aangevoerd in de in 1.7 genoemde brief. PPB en [C] hebben daarbij verzocht de declaratie van de onderzoeker af te wijzen in verband met de slechte kwaliteit van het onderzoek en de rapportage alsmede de urenverantwoording. De Ondernemingskamer overweegt hierover als volgt. Voor zover de onderzoeker in zijn urenspecificatie bepaalde uren niet heeft gefactureerd dan wel een lager uurtarief heeft gehanteerd dan het in diens onderzoeksopzet van 22 mei 2017 genoemde uurtarief van € 375, ziet de Ondernemingskamer niet in wat daaraan bezwaarlijk is. De overige in de brief genoemde bezwaren kunnen evenmin tot het oordeel leiden dat de onderzoekskosten vastgesteld behoren te worden op een lager bedrag dan € 35.000, te vermeerderen met btw. Dit bedrag, dat gelijk is aan het door de Ondernemingskamer bij haar beschikking van 16 mei 2017 gepaalde onderzoeksbudget, komt de Ondernemingskamer ook niet onredelijk voor. De Ondernemingskamer zal de vergoeding van de onderzoeker overeenkomstig artikel 2:350 lid 3 (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20id909d9174010088634e4eeaeadf8fb658?idp=LegalIntelligence) BW dan ook bepalen als hierna te vermelden.

3 De beslissing

De Ondernemingskamer:

bepaalt de vergoeding van de onderzoeker op € 35.000, de daarover verschuldigde omzetbelasting daarin niet begrepen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.C. Makkink, voorzitter, mr. M.M.M. Tillema en mr. A.J. Wolfs, raadsheren, en drs. P.R. Baart en W. Wind, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 22 december 2017.