Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5424

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-12-2017
Datum publicatie
29-12-2017
Zaaknummer
23-004595-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het belemmeren van de ambtshandelingen van een politie¬ambtenaar die de verdachte bekeurde. De verdachte heeft zich niets aangetrokken van het herhaald verzoek van die politieambtenaar om op te houden met van zeer nabij filmen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004595-16

datum uitspraak: 27 december 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 2 december 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-188372-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 december 2017.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 13 september 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, opzettelijk enige handeling, gedaan door een ambtenaar, [slachtoffer 1] (hoofdagent van politie Noord-Holland), belast met de uitoefening van enig toezicht (belast met toezicht in de wijk Poelenburg in Zaandam) en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, te weten het uitschrijven van een bekeuring vanwege onnodig claxonneren op basis van artikel 28 RVV 1990, heeft belet, belemmerd en/of verijdeld, door zijn mobiele telefoon op enkele centimeters afstand van het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] te houden en/of ondanks vorderingen door voornoemde [slachtoffer 1] om te stoppen, aanhoudend en/of continue zijn mobiele telefoon op korte afstand bleef houden van het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1];

2:
hij op of omstreeks 13 september 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, toen de aldaar dienstdoende [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] (beiden hoofdagent van politie Noord-Holland), verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau Zaandijk, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig - kennelijke kracht op zijn armen te zetten en te trachten zijn armen bij zijn lichaam te houden en/of - (te trachten) zich in een andere richting te bewegen dan die waarin de opsporingsambtenaren hem trachtten te bewegen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 13 september 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, opzettelijk enige handeling, gedaan door een ambtenaar, [slachtoffer 1] (hoofdagent van politie Noord-Holland), belast met de uitoefening van toezicht in de wijk Poelenburg in Zaandam en belast met het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, te weten het uitschrijven van een bekeuring vanwege onnodig claxonneren op basis van artikel 28 RVV 1990, heeft belemmerd, door, ondanks vorderingen door voornoemde [slachtoffer 1] om te stoppen, aanhoudend zijn mobiele telefoon op korte afstand van het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] te houden;

2:
hij op 13 september 2016 te Zaandam, gemeente Zaanstad, toen de aldaar dienstdoende [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (beiden hoofdagent van politie Noord-Holland), verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen, teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten het politiebureau Zaandijk, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig kracht op zijn armen te zetten en te trachten zijn armen bij zijn lichaam te houden en (te trachten) zich in een andere richting te bewegen dan die waarin de opsporingsambtenaren hem trachtten te bewegen.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

1. Een proces verbaal met nummer PL1100-2016205778-2 van 14 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde hoofdagenten van politie, Eenheid Noord-Holland, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (doorgenummerde pagina’s 3-5).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):

Op 13 september 2016, waren wij, verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], in uniform gekleed en belast met toezicht in de wijk Poelenburg in Zaandam, gemeente Zaanstad. Omstreeks 19.19 uur reden wij vanaf de [plaats] te Zaandam weg in ons dienstvoertuig. Om de parkeerplaats te verlaten moet men een fietspad kruisen. Nadat wij dit fietspad hadden gekruist, zagen wij in tegenovergestelde richting een snorfietser onze kant op rijden. Wij zagen en hoorden dat de genoemde snorfietser ons aan bleef kijken en vervolgens de claxon van de snorfiets gebruikte en ons hierna langdurig aan bleef kijken.

Wij verbalisanten hebben vervolgens genoemd voertuig gevolgd teneinde hem te verbaliseren voor onnodig claxonneren. Wij zagen dat de bestuurder van de snorfiets direct van zijn snorfiets afstapte. Wij zagen dat hij met versnelde pas op ons af kwam lopen. Wij hoorden hem zeggen: “Wat is er nou, wat doe ik verkeerd.”. Wij zagen dat hij hevige armgebaren maakte toen hij dit zei. Ik, verbalisant [slachtoffer 1], vorderde van de bestuurder ter inzage zijn rijbewijs. Wij zagen dat de bestuurder was genaamd [verdachte], [geboortedatum] te [geboorteplaats]. Ik, [slachtoffer 1], deelde [verdachte] mee dat hij een bekeuring kreeg voor het onnodig claxonneren. Wij hoorden [verdachte] vervolgens zeggen: “Nee man, echt niet, als je mij een boete geeft zal je nog wel zien.”. Wij zagen vervolgens dat [verdachte] een mobiele telefoon uit zijn zak haalde. Wij zagen dat hij een applicatie opende op zijn telefoon. Ik, verbalisant [slachtoffer 2] herkende de applicatie als Snapchat, een applicatie waarmee je direct foto’s en video’s kan delen met andere gebruikers. Wij zagen op het beeldscherm van zijn mobiele telefoon dat [verdachte] camerabeelden wilde opnemen. Wij zagen dat hij zijn arm strekte en op een halve meter van verbalisant [slachtoffer 1] ging staan. Wij zagen dat de voorste camera van de telefoon geactiveerd was. Wij zagen dat verbalisant [slachtoffer 1] en [verdachte] samen in het scherm van de telefoon verschenen. Ik, verbalisant [slachtoffer 2], zag dat in het telefoonscherm een rood rondje verscheen. Ik weet dat het rode rondje betekent dat er dan via de applicatie Snapchat een video wordt opgenomen. Ik hoorde [verdachte] zeggen in de camera: “Ik word hier nu aangehouden en krijg een bekeuring van de politie.” Ik zag dat verbalisant [slachtoffer 1] hierop 2 passen naar achteren deed en zei: “Ik wil niet op de film, hou op met filmen.” Ik zag terwijl hij dit deed hij zijn hoofd van de camera weg draaide. Ik zag dat [verdachte] de camera met het hoofd van verbalisant [slachtoffer 1] zijn hoofd mee bewoog. Ik zag dat [verdachte] vervolgens de camera op mij bewoog. Ik heb mij vervolgens ook een paar passen uit de richting van de camera bewogen. Ik draaide ook mijn hoofd weg en zei tegen [verdachte] dat hij moest stoppen met filmen en dat ik niet gefilmd wilde worden. Ik weet dat een filmpje van Snapchat maximaal 10 seconden kan duren. Hierdoor stopte hij op dat moment met filmen. Wij zagen dat [verdachte] ongeveer 15 seconden daarna volledig gefocust was op zijn telefoon en ook handelingen pleegde op zijn telefoon. Ik, verbalisant [slachtoffer 1], ben op dat moment verder gegaan met het uitschrijven op van de bekeuring op mijn diestelefoon. Wij zagen dat [verdachte] zijn telefoon voor het gezicht van verbalisant [slachtoffer 1] hield. Wij zagen dat [verdachte] de telefoon ongeveer op 20 centimeter afstand van het gezicht van verbalisant [slachtoffer 1] hield. Wij zagen dat de camera op de achterkant van de telefoon gericht was naar het gezicht van verbalisant [slachtoffer 1]. Ik, verbalisant [slachtoffer 2], zag in het scherm van de telefoon dat [verdachte] opnieuw aan het filmen was. Ik herkende aan het scherm dat hij dit keer aan het filmen was via de applicatie van de camera zelf. Hierdoor zou [verdachte] een langer filmpje kunnen opnemen. Wij hoorde [verdachte] zeggen: “Ik word hier nu aangehouden en krijg een bekeuring van de politie” of woorden van gelijke strekking. Ik, verbalisant [slachtoffer 1], voelde mij opgedrongen doordat hij de camera zo dicht bij mijn hoofd hield. De camera werd zo dichtbij gehouden dat de camera hoe dan ook in mijn gezichtsveld stond. Ik werd hierdoor belemmerd in het uitschrijven van de bon. Ik deelde [verdachte] mede dat ik het niet op prijs stelde als hij mij filmde en vroeg hem vervolgens daarmee te stoppen. Wij hoorden [verdachte] vragen of zeggen: “Zeg mij waarom ik een bekeuring krijg, waarom dan, kijk mensen, waarom dan?” of woorden van gelijke strekking. Wij hoorden hem zeggen: “Ik word hier nu aangehouden en ik krijg een boete voor claxonneren.” Ik, [slachtoffer 1], deelde [verdachte] mede dat ik met hem in gesprek wilde gaan en het hem wilde uitleggen als hij zou stoppen met filmen. Wij zagen en hoorden dat [verdachte] zijn telefoon continue op zeer korte afstand hield van verbalisant [slachtoffer 1]. Ik, verbalisant [slachtoffer 1], ervoer na de waarschuwingen nog steeds belemmering in het uitschrijven van de bon. Ik kon mij dusdanig slecht concentreren door de aanwezigheid van de telefoon in nabijheid van mijn gezicht en het onophoudelijk geroep van verdachte [verdachte]. Wij weten dat er in Poelenburg en door geheel Nederland agenten op deze opdringerige en intimiderende manier worden gefilmd met als doel de politie belachelijk maken en te belemmeren in de uitvoerig van hun handelingen. Deze filmpjes worden vervolgens gedeeld op de social media. [verdachte] had genoeg ruimte om passen naar achteren te maken en op een gepaste afstand te filmen. Wij zagen dat [verdachte] zijn camera richtte op het gezicht verbalisant [slachtoffer 2]. Wij zagen dat dit ongeveer 40 centimeter afstand was van haar gezicht. Ik, verbalisant [slachtoffer 2], was op de moment bezig met het kenteken te controleren van de snorfiets. Ik voelde mij door het gedrag van [verdachte] mij opgedrongen en geïntimideerd. Door dat [verdachte] zich zo aan mij opdrong kon ik mij niet focussen op het kenteken van de snorfiets. Ik heb [verdachte] vervolgens gewaarschuwd dat hij zich onnodig aan het opdringen was en als hij zo door zou gaan dan zouden we hem aanhouden. Wij zagen vervolgens dat [verdachte] de camera weer richtte op verbalisant [slachtoffer 1]. Wij zagen dat [verdachte] de camera op ongeveer 30 centimeter afstand hield van het gezicht van collega [slachtoffer 1]. Ik, verbalisant [slachtoffer 1] kon hierdoor mij wederom niet concentreren op het invullen van de bon. Wij hebben [verdachte] vervolgens aangehouden ter zake beletten of belemmeren. Wij pakten vervolgens [verdachte] vast en deelden hem mede dat hij was aangehouden. Wij zagen en voelden dat [verdachte] kennelijk kracht op zijn armen zette en zijn armen bij zijn lichaam trachtte te houden. Wij hebben de verdachte meerdere malen getracht te bewegen richting ons dienstvoertuig waarna wij voelden dat hij zich in tegenovergestelde richting trachtte te bewegen. Vervolgens hebben wij met assistentie van tevens ter plaatse politiecollega’s, verdachte [verdachte] de transportboeien aangelegd en hem overgebracht naar het politiebureau te Zaandijk ter geleiding voor een hulpofficier van justitie.

2. Een proces verbaal met nummer PL1100-2016205778-6 van 13 september 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar Y. Goet (doorgenummerde pagina 10 tot en met 13).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 september 2016 door de opsporingsambtenaar aan de verdachte gestelde vragen (V) en in antwoord daarop (A) de tegenover die opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van de verdachte:

V: Je bent aangehouden voor belemmeren van een politieagent. Wat kan je hierover verklaren?

A: Ik reed op mijn scooter en zag allemaal politie op de weg bij de wijk Poelenburg staan. Ik claxonneerde. Ik claxonneerde wederom. Ik kreeg een stopteken. Ik werd aangesproken door een politiemedewerker. Ik hoorde hem zeggen dat hij mij een boete wou geven voor onnodig claxonneren. Ik pakte mijn telefoon. Ik ging filmen. Ik kreeg een woordenwisseling met de agent. Hij zei dat ik normaal moest doen en dat ik anders werd aangehouden. Ik werkte in het begin niet mee aan mijn aanhouding. Ik ging tegenstribbelen. Ik was gefrustreerd omdat ik een bekeuring kreeg.

3. De eigen waarneming van het hof op de terechtzitting van 18 december 2017.

Deze waarneming behelst dat op filmpjes die de verdachte met behulp van een mobiele telefoon aan het hof heeft getoond te zien c.q. te horen is dat dat de gezichten van de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beeldvullend in beeld komen, terwijl de verdachte doorlopend op opgewonden toon vragen stelt en opmerkingen maakt, en dat de verdachte doorgaat met het op deze wijze filmen ondanks het aan hem door de politieambtenaren gerichte herhaald verzoek daarmee te stoppen.

4. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep van 18 december 2017.

Deze verklaring houdt, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, in:

Het lijkt inderdaad alsof ik op een afstand van 10 centimeter film.

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn – ook in hun onderdelen – telkens gebezigd tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben.

Nadere bewijsoverwegingen naar aanleiding van gevoerde verweren

t.a.v. het onder 1 ten laste gelegde

De verdachte heeft betoogd dat hij de mobiele telefoon waarmee hij heeft gefilmd steeds op minimaal ongeveer een meter afstand van de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gehouden, zodat hij hen niet heeft belemmerd in de uitvoering van hun werkzaamheden. Met het idee dit betoog te ondersteunen, heeft de verdediging de gemaakte filmpjes ter terechtzitting in hoger beroep aan het hof getoond.

Op de door de verdediging getoonde filmpjes heeft het hof waargenomen dat de gezichten van de betrokken politieambtenaren beeldvullend in beeld komen, terwijl de verdachte doorlopend op opgewonden toon vragen stelt en opmerkingen maakt, en dat de verdachte doorgaat met het op deze wijze filmen ondanks het aan hem door de politieambtenaren gerichte herhaald verzoek daarmee te stoppen. Deze waarnemingen bieden steun aan het proces-verbaal van de politieambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (doorgenummerde p. 3-4). Dat proces-verbaal houdt onder meer in dat de verdachte zich aan hen opdrong, en – onderwijl opmerkingen makend van de strekking ‘Zeg mij waarom ik een bekeuring krijg, waarom dan, kijk mensen, waarom dan?’ – de mobiele telefoon waarmee hij filmde op zeer korte afstand van hun gezichten hield, waardoor [slachtoffer 1] werd belemmerd in de uitvoering van zijn werkzaamheden. Het hof onderschrijft de stelling van de verdachte ter terechtzitting “dat het inderdaad lijkt alsof ik op tien centimeter afstand film”, maar acht de juistheid van zijn stelling dat “dat komt omdat het beeld is ingezoomd” niet aannemelijk; die laatste stelling is niet onderbouwd, is niet reeds betrokken toen de verdachte kort na zijn aanhouding door de politie is gehoord (p. 13) en vindt ook overigens geen weerklank in het procesdossier.

Het verweer van de verdachte wordt verworpen.

t.a.v. het onder 2 ten laste gelegde

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet op het plegen van wederspannigheid heeft gehad, omdat de verdachte zo veel mogelijk zijn medewerking heeft verleend. Dit verweer wordt door het hof verworpen, omdat het, gelet op de inhoud van de onder 1 en 2 opgenomen bewijsmiddelen, feitelijke grondslag mist.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar belast met het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, belemmeren.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 400, subsidiair 8 dagen hechtenis, waarvan

€ 200, subsidiair 4 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft zich bij wijze van strafmaatverweer op het standpunt gesteld dat de verdachte een voorwaardelijke geldboete moet worden opgelegd en heeft aangevoerd dat de verdachte niet naar de wijk Poelenburg is gekomen om de confrontatie bij de politie op te zoeken; hij was op het verkeerde tijdstip op de verkeerde plaats. Ook is erop gewezen dat de verdachte als jeugdleider bij een voetbalvereniging een voorbeeldfunctie heeft en hij zich daarnaar wil gedragen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het belemmeren van de ambtshandelingen van een politieambtenaar die de verdachte bekeurde. De verdachte heeft zich niets aangetrokken van het herhaald verzoek van die politieambtenaar om op te houden met het zich opdringen en van zeer nabij filmen. Ook heeft de verdachte zich verzet tegen zijn aanhouding die daarop volgde. Dergelijk gedrag getuigt van gebrek aan respect voor het openbaar gezag, kan aan dat gezag afbreuk doen en bemoeilijkt het werk van de politie op volstrekt onnodige wijze.

Op de ter terechtzitting in hoger beroep getoonde, door de verdachte gemaakte filmpjes heeft het hof ook waargenomen dat de verdachte – die heeft verklaard zijn vader altijd met ‘u’ aan te spreken – tijdens zijn hiervoor omschreven gedrag de politieambtenaren op zijn opgewonden toon consequent met “je” en “jij” aanspreekt en kennelijk denigrerend de vrouwelijke politieambtenaar ook met “lieve schat” aanspreekt.

Naar de opvatting van het hof gaat het al met al om gedrag dat niet alleen strafbaar is, maar waarvoor de verdachte, die te kennen heeft gegeven een rolmodel te willen zijn voor de plaatselijke jeugd, zich ook overigens diep zou moeten schamen. Door dit beeldmateriaal aan het hof te laten zien met het doel zijn hoger beroep kracht bij te zetten, heeft de verdachte er blijk van gegeven niet te beseffen hoe kwalijk zijn gedrag is. Mede in dit licht is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met de door de politierechter gekozen en door de advocaat-generaal geëiste strafsoort en er geen aanleiding bestaat om (een deel van) de op te leggen straf in voorwaardelijke vorm te gieten.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57, 180 en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 25 (vijfentwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 12 (twaalf) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Plaisier, mr. J.J.I. de Jong en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van D.J. Herbrink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 december 2017.

De voorzitter en de oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.