Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5398

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
27-12-2017
Zaaknummer
23-001420-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaak Teberio. Veroordeeld voor medeplegen witwassen en deelname aan een criminele organisatie.

Vrijspraak overtreding van artikel 2:3a Wft; alleen geld in ontvangst genomen, geen bewijs dat geld zou worden overgemaakt. Vrijspraak art 3 lid 1 Wgt; geldtransacties niet bedrijfsmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001420-12

datum uitspraak: 21 december 2017

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2012 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers

13-520125-09 en 13-710081-10 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1968] ,

geen bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

[adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 2015, 19 september 2016, 21 september 2016, 29 september 2016, 29 maart 2017, 4 oktober 2017, 6 oktober 2017, 11 oktober 2017, 12 oktober 2017, 14 november 2017, 22 november 2017 en 12 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 13-520125-09:

1. primair:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 april 2009 tot en met 27 januari 2010 te Amsterdam en/of te Beverwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) telkens een of meer (grote) (contante) geldbedrag(en), te weten (ongeveer 1.265.892,00, althans

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 672.575,00 (Zaaksdossier 05, pagina's 90-100), en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 277.500,00 (Zaaksdossier 05, pagina 100), en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 200.000,00 (zijnde een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 25 januari 2010) (Zaaksdossier 05, pagina's 171-178), en/of

- een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 11 januari 2010 om 16:06-16:12 uur (Zaaksdossier 05, pagina's 223-228), en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 115.817,00, althans enig geldbedrag (Zaaksdossier 06)

(telkens) die/dat geldbedrag(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of daarvan gebruik heeft/hebben gemaakt en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet, terwijl hij, verdachte, (telkens) wist dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;


1. subsidiair:
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 april 2009 tot en met 27 januari 2010 te Amsterdam en/of te Beverwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) telkens een of meer (grote) (contante) geldbedrag(en), te weten (ongeveer 1.265.892,00, althans

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 672.575,00 (Zaaksdossier 05, pagina's 90-100), en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 277.500,00 (Zaaksdossier 05, pagina 100), en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 200.000,00 (zijnde een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 25 januari 2010) (Zaaksdossier 05, pagina's 171-178),; en/of

- een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 11 januari 2010 om 16:06-16:12 uur (Zaaksdossier 05, pagina's 223-228), en/of;

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 115.817,00, althans enig geldbedrag (Zaaksdossier 06)

(telkens) die/dat geldbedrag(en) heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of daarvan gebruik heeft/hebben gemaakt en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet, terwijl hij, verdachte, (telkens) redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

en/of

[bedrijf] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 april 2009 tot en met 27 januari 2010 te Amsterdam en/of te Beverwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van witwassen, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) telkens een of meer (grote) (contante) geldbedrag(en), te weten (ongeveer 1.265.892,00, althans

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 672.575,00 (Zaaksdossier 05, pagina's 90-100), en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 277.500,00 (Zaaksdossier 05, pagina 100), en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 200.000,00 (zijnde een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 25 januari 2010) (Zaaksdossier 05, pagina's 171-178),; en/of

- een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 11 januari 2010 om 16:06-16:12 uur (Zaaksdossier 05, pagina's 223-228), en/of;

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 115.817,00, althans enig geldbedrag (Zaaksdossier 06)

(telkens) die/dat geldbedrag(en) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of daarvan gebruik heeft gemaakt en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl [bedrijf] (telkens) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander(en) telkens opdracht heeft gegeven en/of feitelijk heeft leiding gegeven.

Zaak met parketnummer 13-710081-10 (gevoegd):

1. primair:
hij in of omstreeks de periode van 26 april 2009 tot en met 27 januari 2010 te Amsterdam en/of te Beverwijk, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [K.A.] en/of [A.H.] en/of [A.S.] en/of [G.L.] en/of [bedrijf] en/of één of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- witwassen van vermogensbestanddelen, te weten het verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen en/of op voorraad hebben van (grote) contante geldbedragen uit misdrijf afkomstig (artikel 420ter/bis Wetboek van Strafrecht), en/of

- opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 1 en 3 Wet inzake de Geldtransactiekantoren juncto artikel 1, 2 en 6 Wet op de Economische Delicten, en/of

- opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2:3a Wet op het Financieel Toezicht juncto 1, 2 en 6 Wet op de Economische Delicten, en/of

- valsheid in geschrift, te weten het in strijd met de waarheid opmaken en/of vervalsen van facturen en de (kas)administratie inclusief gegevensdrager(s) (artikel 225 Wetboek van Strafrecht)

terwijl hij, verdachte, van deze organisatie oprichter en/of leider en/of bestuurder was, althans binnen deze organisatie een leidinggevende rol heeft vervuld;

2 primair:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 26 april 2009 tot en met 27 januari 2010, te Amsterdam en/of te Beverwijk, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens), opzettelijk als geldtransactiekantoor als bedoeld in artikel 1 van de Wet inzake de Geldtransactiekantoren, werkzaam is geweest, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) beroepsmatig en/of bedrijfsmatig ten behoeve van en/of op verzoek van één of meer (onbekend gebleven) ander(en) één of meer (contante) geldtransactie(s) uitgevoerd, te weten

- een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 11 januari 2010 om 16:06-16:12 uur (Zaaksdossier 05, pagina's 223-228);

2 subsidiair:
[bedrijf] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 26 april 2009 tot en met 27 januari 2010, te Amsterdam en/of te Beverwijk, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens), opzettelijk als geldtransactiekantoor als bedoeld in artikel 1 van de Wet inzake de Geldtransactiekantoren, werkzaam is geweest, immers heeft/hebben [bedrijf] en/of zijn mededader(s) beroepsmatig en/of bedrijfsmatig ten behoeve van één of meer (onbekend gebleven) ander(en) één of meer (contante) geldtransactie(s) uitgevoerd, te weten

- een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 11 januari 2010 om 16:06-16:12 uur (Zaaksdossier 05, pagina's 223-228)

terwijl hij, verdachte, tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht heeft gegeven en/of feitelijk heeft leiding gegeven;

3 primair:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 26 april 2009 tot en met 27 januari 2010, te Amsterdam en/of te Beverwijk, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten behoeve van en/of op verzoek van begunstigde(n) en/of betaler(s) [1] en/of [2] en/of [A.H.] en/of [S.B.] en/of [K.C.] en/of één of meer (onbekend gebleven) ander(en) één of meer (contante) geldtransactie(s) en/of (één of meer (contante) geldtransfer(s)

- uitgevoerd en/of

- voor rekening van één of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) ontvangen en/of

- aan één of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) beschikbaar gesteld en/of

- voor één of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) gehouden, te weten

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 672.575,00 (Zaaksdossier 05, pagina 90-100), en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 200.000,00 (zijnde een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 25 januari 2010) (Zaaksdossier 05, pagina's 175-178), en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 115.817,00, althans enig geldbedrag (Zaaksdossier 06);

3 subsidiair:
[bedrijf] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 26 april 2009 tot en met 27 januari 2010, te Amsterdam en/of te Beverwijk, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend als bedoeld in artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het Financieel Toezicht, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten behoeve van en/of op verzoek van begunstigde(n) en/of betaler [1] en/of [2] en/of [A.H.] en/of [S.B.] en/of [K.C.] en/of één of meer (onbekend gebleven) ander(en) één of meer (contante) geldtransactie(s) en/of één of meer (contante) geldtransfer(s)

- uitgevoerd en/of

- voor rekening van een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) ontvangen en/of

- aan een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) beschikbaar gesteld en/of

- voor een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) gehouden, te weten

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 672.575,00 (Zaaksdossier 05, pagina 90-100), en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 200.000,00 (zijnde een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 25 januari 2010) (Zaaksdossier 05, pagina's 175-178), en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 115.817,00, althans enig geldbedrag (Zaaksdossier 06)

terwijl hij, verdachte, tot (het) vorenstaande feit(en) opdracht heeft gegeven en/of feitelijk heeft leiding gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem is ten laste gelegd van, kort gezegd, het onder (13/520125-09) 1 primair, tweede gedachtestreepje, (tevens) ten laste gelegde gewoontewitwassen van een geldbedrag van € 277.500,- en vierde gedachtestreepje, (tevens) ten laste gelegde gewoontewitwassen van een geldbedrag op 11 januari 2010. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en andere beslissingen komt en een andere bewijsconstructie hanteert.

Inleiding

In het vervolg van dit arrest zullen de verdachte en de gelijktijdig terechtstaande verdachten [K.A.] , [A.S.] , [G.L.] en [A.H.] ook wel alleen met hun achternaam, bijnaam dan wel (voor)naam worden aangeduid.

[K.A.] was bestuurder/enig aandeelhouder van beheermaatschappij [bedrijf 2] [verdachte] was bestuurder/enig aandeelhouder van beheermaatschappij [bedrijf 3]

Deze beheermaatschappijen waren bestuurder van beheermaatschappij [bedrijf 4] is enig aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ).

De bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] , gevestigd in Amsterdam aan de [adres 2] , bestonden uit de groot- en kleinhandel in telefoonkaarten. [K.A.] en [verdachte] hadden ook de daadwerkelijke leiding over [bedrijf] .

[R.S.] was werkzaam bij [bedrijf] en stond onder andere namens [bedrijf] op de Beverwijkse Bazaar.

Op 26 april 2009 hebben verbalisanten in Beverwijk bij een op grond van de Wet op de Accijns uitgevoerde controle in een op naam van [bedrijf] bestaande bestelauto een bedrag van € 152.200,- aan contanten aangetroffen, alsmede verkoopbonnen van 25 april 2009 en 26 april 2009, met een totaaltelling ter hoogte van € 36.518,-.

Bij de doorzoeking bij [bedrijf] op voornoemd adres werd op 27 april 2010 een bedrag van € 944.267,50 aan contanten in beslag genomen. Een gedeelte van dit geld € 672.575,- werd buiten de kluis aangetroffen. Op deze dag zijn eveneens camerabeelden (van de in het pand aanwezige camera’s) in beslag genomen.

[G.L.] is enig bestuurder/aandeelhouder van Houdstermaatschappij [bedrijf 5] Deze houdstermaatschappij is weer enig bestuurder/aandeelhouder van [bedrijf 6] .

[bedrijf 6] . distribueerde telefoonkaarten van Lycatel en GT mobile. [bedrijf 6] . leverde internationale belkaarten aan [bedrijf] .

[A.S.] , de neef van [K.A.] , die de bijnaam [bijnaam] heeft, was in ieder geval in januari 2010 (bijna) dagelijks werkzaam bij [bedrijf] . Hij had de sleutel van [bedrijf] , opende de zaak en kon het alarm uitzetten.

[A.H.] heeft verklaard dat hij in het kader van Wahala bankieren op 8 januari 2010, 22 januari 2010 en 25 januari 2010 geld heeft laten afgeven bij [bedrijf] . Er is bij deze verdachte een document (een memoboekje) gelijkend op een administratie aangetroffen met daarin namen en bedragen.

Witwassen

Onder feit 1 primair is aan [verdachte] c.s. het medeplegen van gewoontewitwassen van vijf bedragen/transacties tenlastegelegd. Dezelfde bedragen/transacties zijn ook onder 1 subsidiair tenlastegelegd als medeplegen van witwassen en/of feitelijk leidinggeven aan dan wel opdrachtgeven tot witwassen door [bedrijf] . Het hof zal eerst bespreken of bewezen kan worden of ten aanzien van de bedragen/transacties kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van medeplegen en vervolgens afsluitend de vraag beantwoorden of de bewezenverklaarde transacties tezamen beschouwd gewoontewitwassen opleveren.

De verdediging heeft voor alle witwasfeiten vrijspraak bepleit en heeft, kort gezegd, aangevoerd dat zich geen direct bewijs in het dossier bevindt dat de geldbedragen waarmee [bedrijf] handelde van misdrijf afkomstig waren. [verdachte] heeft vervolgens een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken verklaring gegeven over de herkomst van de contante gelden.

Het hof overweegt als volgt.

Toetsingskader

Bij de beoordeling van de tenlastegelegde witwasfeiten stelt het hof het volgende voorop.

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval als zich hier voordoet, waarin geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is, het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel “afkomstig uit enig misdrijf” bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie zicht te bieden op het bewijs waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid.

De toetsing door de zittingsrechter dient daarbij de volgende stappen te doorlopen.

Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp. Zo een verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.

Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek (na kennisneming van het dossier) is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Het hof zal ook het onderhavige verwijt aan de hand van dit toetsingskader beoordelen.

Vermoeden van witwassen

Het hof stelt op basis van de hiervoor onder bewijsmiddelen weergegeven redengevende feiten en omstandigheden, in onderling samenhang bezien, het volgende vast.

In de periode van 26 april 2009 tot en met 27 januari 2010 heeft een groep natuurlijke personen - die leiding gaven aan dan wel werkzaam waren bij [bedrijf] - de beschikking gehad over - in chronologische volgorde - de volgende grote contante geldbedragen:

a) op zondag 26 april 2009 is in een bestelbus van [bedrijf] die wegreed bij de Beverwijkse Bazaar een bedrag van € 152.200,- aangetroffen. Dit bedrag bestond mede uit coupures van € 500,- die in het normale betalingsverkeer zeldzaam zijn. De bestuurder, de heer [R.S.] , heeft verklaard dat het geld afkomstig is uit de verkoop op de zwarte markt in Beverwijk, maar een bedrag van € 115.817,- wordt niet door verkoopbonnen gedekt. [R.S.] die op die in het weekend in de verkoopstand van [bedrijf] op de Beverwijkse Bazaar had gestaan kon niet duidelijk benoemen waar dit geld vandaan kwam en verklaarde daarover wisselend;

b) op 17 november 2009 is vanaf het adres van [bedrijf] een bedrag van € 100.000,- in contante coupures meegegeven aan [J.M.] . [J.M.] verklaarde dat hij het geld van [K.A.] had ontvangen, terwijl [K.A.] heeft verklaard dat het geld niet van hem afkomstig was. Naast het feit dat [J.M.] heeft verklaard dat het bedrag van [K.A.] afkomstig is, is bij [J.M.] een briefje aangetroffen met daarop het telefoonnummer van [K.A.] ;

c) op 8 januari 2010 (€ 60.000,-), 22 januari 2010 (€ 20.000,-) en 25 januari (€ 200.000,-) zijn in het bedrijfspand van [bedrijf] contante geldbedragen in ontvangst genomen van (medewerkers van) [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7] ). De transacties van 8 januari 2010 en 22 januari 2010 zijn bij de verdachte niet tenlastegelegd;

d) op 27 januari 2010 heeft [bedrijf] een bedrag van € 950.560,50 in contante coupures in het bedrijfspand aan de [adres 2] voorhanden gehad: € 277.500,- in de kluis en € 673.067,50 in twee kartonnen dozen buiten de kluisruimte. Dit laatste bedrag buiten de kluis is bij een doorzoeking gevonden in twee dozen, tussen andere opgestapelde dozen. De dozen met het geld waren anders afgesloten dan andere dozen, namelijk met breed bruin plakband. In de dozen zaten pakketjes T-mobile prepaidkaarten en onder deze pakketjes lagen bundels geld. In het pand (een voormalig bankfiliaal) zijn meerdere kluizen aanwezig en het is dan opmerkelijk dat zo’n groot geldbedrag buiten de kluis ligt.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Van de verdachte mag derhalve worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de (legale) herkomst van het geld.

Hierna worden de verschillende geldbedragen en de al dan niet gegeven verklaringen over de herkomst van het geld - voor zover aan het oordeel van het hof zijn onderworpen - afzonderlijk besproken.

(a) Met betrekking tot de transactie van 26 april 2009 (Beverwijkse Bazaar)

Verklaring herkomst geld

De verdediging heeft bepleit dat [verdachte] geen enkele bemoeienis had met de verkoop op de Beverwijkse bazaar en om deze reden dan ook niet op de hoogte was van het verschil in kas. Dat [verdachte] contact heeft opgenomen met [R.S.] is logisch, nu [verdachte] als zijnde de werkgever had vernomen dat zijn werknemer was aangehouden.

Door de advocaat-generaal is gerequireerd tot integrale bewezenverklaring van dit feit. Met betrekking tot de motivering heeft hij zich aangesloten bij de bewijsmotivering van de rechtbank, inhoudende dat geen sprake is van een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet als hoogst ongeloofwaardig aan te merken verklaring. De verklaring van [G.L.] acht de advocaat-generaal niet geloofwaardig.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Hoewel [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij (slechts) ‘heeft gehoord’ dat een deel van het geld van de Beverwijkse Bazaar van [G.L.] was, heeft hij bij de politie in enige mate het verhaal van [G.L.] (Z5 379) bevestigd. Het hof zal daarom de verklaring van [G.L.] bespreken.

[G.L.] stelt eigenaar te zijn van het geld dat niet door de verkoopbonnen werd gedekt. Hij heeft verklaard dat hij in totaal € 100.000,- heeft laten afleveren bij de kraam van [bedrijf] op de markt in Beverwijk om te kunnen deelnemen aan een actie die Lycatel, een aanbieder van telefoonkaarten, dat weekend hield.

Het hof acht (evenals de rechtbank) deze verklaring niet geloofwaardig en overweegt daartoe als volgt.

Ten eerste wordt dit verhaal niet bevestigd door de bestuurder van het busje, [R.S.] die samen met een collega de winkel op de markt bemant en die het geld die zondag ook heeft ingepakt. [R.S.] heeft in eerste instantie verklaard dat [bedrijf] in dat weekend een hogere omzet dan gebruikelijk heeft gehaald. Hij maakt daarbij geen melding van een (vooruit)betaling van € 100.000,- van [G.L.] / [bedrijf 6] voor een actie van Lycatel. Als [R.S.] in het verhoor wordt voorgehouden dat de verkoopbonnen opgeteld slechts tot een bedrag van € 36.518,- leiden, verklaart hij eerst dat mogelijk iemand een bedrag heeft voorgeschoten en vervolgens dat hij vermoedt dat er toch een klant is geweest die op zondag 10.000 telefoonkaarten heeft gekocht (Z5 425). Pas de volgende dag verklaart hij dat het zou kunnen dat [bedrijf 6] een groot bedrag heeft voorgeschoten, maar dat hij dat niet weet.

Het hof acht volstrekt ongeloofwaardig dat een betaling van deze omvang zo achteloos (en ook zonder enige vastlegging) bij de weekendopbrengst zou zijn gevoegd en dat de verantwoordelijke voor de winkel en het daarop volgende transport van het geld (die het geld ook zelf heeft ingepakt, van klanten in verschillende zakjes) zich de dag daarna niet meer kan herinneren dat hij dit geld van [bedrijf 6] heeft ontvangen of dat dit geld dat weekend/die zondag namens [bedrijf 6] is afgegeven.

Daar komt bij dat [R.S.] op 30 april 2010, na zijn vrijlating, heeft gebeld met NN-man (Z6 089-092). In dit telefoongesprek zegt [R.S.] dat ze alle dozen hebben gezien en dat hij de geplakte doos moest openen en dat ‘ze’ het geld hebben gezien. [R.S.] heeft gezegd dat het de omzet van Beverwijk was maar ‘ze’ hem niet wilde geloven. [R.S.] zegt: “[…] het geld is een probleem. Ze geloofden mij niet. Ik heb ook geen bonnen Ik heb wel bewijs voor de verkoop in Beverwijk. Voor extra geld die ik heb ontvangen heb ik geen bonnen. Ze hebben een bon nodig van wie, hoeveel bedrag en waarvoor heb je gekregen. Als ik dit heb dan is er geen probleem.

NNman: Voor de volgende keer moeten wij gewoon zo doen. Dan is het makkelijk toch.

[R.S.] : Ja, wij moeten eigenlijk twee personen handtekening vragen. […] Kunnen ze laten ons met rust.”

Na dit gesprek ontvangt de FIOD via de advocaat van [bedrijf] een e-mail van [G.L.] waarin staat dat medewerkers van zijn bedrijf € 100.000,- hebben afgeleverd bij [bedrijf] op de Beverwijkse Bazaar.

Ten tweede heeft ook [G.L.] zelf op dit punt geen duidelijke en consistente verklaring gegeven. Aanvankelijk verklaart hij dat € 62.000,- uit de kas komt en dat € 38.000,- bij afnemers zou zijn opgehaald. Deze verklaring wijzigt hij in een later verhoor. Hij zegt dan dat een deel van het geld (€ 52.000,-) afkomstig zou zijn van ene [M] uit Italië en het restant afkomstig is van [S.S.] (een werknemer van [bedrijf 6] ).

De genoemde [M] is in de verklaring van [G.L.] eerst een koerier die het geld in Italië heeft gecollecteerd en daarna in een sealbag bij [G.L.] heeft afgeleverd (Z5 445). Later verklaart [G.L.] echter dat [M] een Italiaanse afnemer is en dat twee andere mannen het geld hebben gebracht (Z5 454). Desgevraagd kan hij niet zeggen hoe [M] verder heet, en evenmin wat het bedrijf is van deze man en wat het adres is. Administratieve vastlegging van de transactie ontbreekt. Enig aanknopingspunt om deze verklaring te kunnen verifiëren, wordt dus niet gegeven.

Gezien het voorgaande wordt de verklaring van [G.L.] en daarmee de verklaring van verdachte over de herkomst van het geld als volstrekt ongeloofwaardig ter zijde gesteld.

Nu het hof van oordeel is dat de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, terwijl slechts een volstrekt ongeloofwaardige verklaring voor de (legale) herkomst van het geld is gegeven, acht het hof bewezen dat het bedrag van € 115.817,00 van misdrijf afkomstig is.

Daderschap [bedrijf]

Een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,

c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,

d) de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Het hof is van oordeel dat de gedraging aan [bedrijf] kan worden toegerekend en overweegt in dat verband dat:

- de bestelbus waarin het bedrag op 26 april 2009 werd vervoerd behoorde toe aan [bedrijf] ;

- de bestelbus werd bestuurd door een medewerker van [bedrijf] ;

- het bedrag van € 115.817,- dat niet door verkoopbonnen werd gedekt werd vervoerd tezamen met de verkoopopbrengst van [bedrijf] die was behaald op de Beverwijkse Bazaar;

- de aangehouden bestuurder van de bus, [R.S.] , direct na zijn vrijlating (29-04-2009, 18:33:49 uur, ZD6, p. 81) contact heeft met [K.A.] over de inbeslagname van het geld.

Dat [R.S.] in het gesprek van 18:33:49 uur contact heeft met [K.A.] leidt het hof af uit gebelde telefoonnummer [#976] (ZD 6, p. 081), dat [K.A.] in zijn verhoor opgeeft als zijn telefoonnummer (verhoor [K.A.] , 28-1-2010, ZD6, p. 184). Verder spreekt [R.S.] in het gesprek af dat ‘NN’ de reservesleutel zou komen brengen, terwijl [R.S.] in een ander, direct daarop volgend, telefoongesprek om 18:37:25 uur (ZD6, p. 083) zegt dat hij met [K.A.] (het hof begrijpt [K.A.] ) heeft gesproken en dat die de reservesleutel komt brengen.

Het hof is oordeel dat bewezen is dat [bedrijf] zich ten aanzien van het bedrag van € 115.817,- heeft schuldig gemaakt aan het verwerven en voorhanden hebben van een voorwerp afkomstig uit enig misdrijf (witwassen), strafbaar gesteld in artikel 420bis lid 1 onder b Sr.

Vrijspraak medeplegen verdachte [verdachte]

Ten aanzien van de vraag of de verdachte ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde kan worden gezien als medepleger van het witwassen van dit geldbedrag, overweegt het hof als volgt.

In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Het hof is van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van witwassen, nu op basis van de stukken onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om tot bewijs van medeplegen te kunnen komen. Zo is het hof niet gebleken van enige nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met [bedrijf] en [R.S.] ten aanzien van het transport van de € 115.817,- .

Opdracht geven of feitelijk leidinggeven door verdachte (feit 1 subsidiair)

Ten aanzien van het (onder 1 subsidiair) tenlastegelegde feitelijk leidinggeven door de verdachte aan het door [bedrijf] gepleegde strafbare feit overweegt het hof als volgt.

Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat [bedrijf] een strafbaar feit heeft begaan. Nu het hof dit heeft vastgesteld kan de vraag aan de orde komen of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. Onder omstandigheden kan (ook) een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen vervolgens achterwege laat.

Zoals hiervoor opgemerkt waren de verdachten [K.A.] en [verdachte] via hun beheermaatschappijen formeel bestuurder van [bedrijf] en waren zij ook degenen die daadwerkelijk leidinggaven aan het bedrijf [bedrijf] .

Verder leidt het hof uit het telefoongesprek dat [R.S.] na zijn vrijlating voert met [K.A.] dat [K.A.] wetenschap had van het vervoer van de doos met het daarin liggende geld, nu hij in het gesprek zelf over de doos begint (Z6 p. 082).

Gespreksgegevens : 996511-09 002 290059551

Tijdstip: 29-04-2009 18:33:49 uur In/uit: U

Met nummer : 31- [#976]

Beller : [R.S.]

Gebelde : NN Man 5976

NN man: Hebben ze gezegd dat je alleen de kaarten kan meenemen?

[R.S.] (sh): Ja. Ik mag alleen de auto meenemen.

NN man: Hoe zit het met de kaarten?

[R.S.] (sh): Een aantal kaarten liggen in de auto.

NN man: Hebben ze een doos gepakt?

[R.S.] (sh): Ze hebben een doos meegenomen.

NN man: Ja goed

[R.S.] (sh): Ik kan over het geld aan hen vragen. Ik heb daarover niet met hen gesproken.

Het hof kan op grond van bovengenoemd telefoongesprek echter niet vaststellen dat [verdachte] (voor de aanhouding) vooraf wetenschap had van het extra bedrag van € 115.817,- dat naast de reguliere verkoopopbrengst in de doos werd vervoerd. Evenmin bevat het dossier aanwijzingen dat de verdachte, door eerdere transporten of anderszins op de hoogte was van eerder verrichte soortgelijke transporten binnen het bedrijf. Dat [K.A.] samen met [verdachte] op [R.S.] zou hebben zitten wachten om de gelden in ontvangst te nemen leidt niet tot een ander oordeel, nu ook hieruit niet kan worden afgeleid dat [K.A.] en [verdachte] wetenschap hadden van het extra bedrag van € 115.817,-. Het hof acht daarom niet bewezen dat verdachte [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven aan het witwassen door [bedrijf] van het bedrag van € 115.817,-.

(c) de ‘ [bedrijf 7] - transactie op 25 januari 2010 (€ 200.000,-)

Verklaring herkomst geld

De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat uit de camerabeelden (het hof begrijpt: van 25 januari 2010) blijkt dat [A.S.] een stapel pakt en op de geldtelmachine plaatst. [verdachte] komt pas later in beeld. [verdachte] heeft de twee heren, die naar later bleek de € 200.000.- bij zich hadden, te woord gestaan. Een van de heren vertelde dat het geld bestemd was voor telefoons en dat [K.A.] hiervan op de hoogte was. [verdachte] heeft de winkel verlaten en wist niet waarvan het geld afkomstig was. Er is geen bewijs dat [verdachte] wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig was. Ook is er geen sprake van medeplegen van witwassen van dit bedrag, nu [verdachte] geen wetenschap had van de delictueuze gedraging.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] voor wat betreft de € 200.000,- op 25 januari 2010 geen verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld en dat [S.B.] een volstrekt ongeloofwaardige verklaring heeft gegeven.

Ook ten aanzien van deze transactie is er sprake van witwassen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de camerabeelden blijkt, aldus het proces-verbaal van het uitkijken van de camerabeelden, dat op 25 januari 2010 een geldbedrag door [I] en [K.C.] in een plastic tas is afgeleverd bij [bedrijf] . Geld dat vervolgens door [verdachte] en [A.S.] is geteld.

[S.B.] heeft op 2 december 2010 verklaard dat geldbedragen van € 60.000,- op 8 januari 2010, € 20.000,- op 22 januari 2010 en € 200.000,- op 25 januari 2010 naar [bedrijf] zijn gebracht. Het geld zou een betaling ‘buiten de boeken om’ vormen, bedoeld ter betaling van telefoons die zonder facturen en papieren waren geleverd vanuit Engeland. De betalingen konden niet via de bank. Het geld moest naar ‘ [A.H.] ’ worden gebracht. Het waren geen officiële betalingen met facturen. Met [A.H.] bedoelt [S.B.] [A.H.] . Het hof stelt op basis van de verklaring van [S.B.] , de verzender van het geld, vast dat het geld afkomstig is van een (fiscaal) misdrijf.

Uit het dossier blijkt dat [verdachte] het geldbedrag van € 200.000,- in ontvangst heeft genomen en heeft geteld. Het hof is van oordeel dat [verdachte] door zo’n groot contant geldbedrag vanuit plastic Albert Heijn tassen in ontvangst te nemen zonder daar vragen over te stellen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit geld van een misdrijf afkomstig is, waarbij overigens kan worden opgemerkt dat tot op de dag van vandaag niet naar voren is gebracht voor wie het/de in ontvangst genomen geld(en) uiteindelijk bestemd was c.q. waren.

(d) Met betrekking tot het geld dat is aangetroffen op het bedrijfsadres van [bedrijf] .

Bij de doorzoeking van het bedrijfsadres van [bedrijf] is € 950.567,- aan contant geld aangetroffen. Een gedeelte daarvan ad € 277.500,- is in de kluisruimte aangetroffen. Behalve genoemd geldbedrag in de kluis is ook een geldbedrag ad € 673.067,- aangetroffen buiten de kluisruimte.

De rechtbank heeft ten aanzien van het geldbedrag dat is aangetroffen in de kluisruimte (onder (e) op pagina 24 van het vonnis) overwogen dat niet valt uit te sluiten dat dit geld volledig uit opbrengsten van [bedrijf] bestond zodat niet kan worden gezegd dat het niet anders kan zijn dat dit geld van misdrijf afkomstig is. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook (in zoverre) vrij en het hof zal - zoals hiervóór al weergegeven - de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze vrijspraak.

Verklaring herkomst geld

In hoger beroep is op dit onderdeel verweer gevoerd inhoudende - in de kern genomen - dat het buiten de kluis aangetroffen geld evenzeer aan [bedrijf] toebehoort, en bestemd was om (op korte termijn) betaald te worden aan Lycatel, maar dat uit veiligheidsoverwegingen er voor gekozen was dit deel van het geld niet in maar buiten de kluizen te bewaren.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het geld dat buiten de kluis is aangetroffen geen concrete, min of meer verifieerbare verklaring is gegeven. [verdachte] heeft in het geheel geen verklaring gegeven. [K.A.] heeft uiteindelijk aangegeven dat dit geld uit reguliere bedrijfsvoering afkomstig was, maar uit de inbeslaggenomen administratie blijkt dit niet volgens de advocaat-generaal. Ook uit de Iruppu-bestanden was dit bedrag niet te destilleren. De verklaring van [J] - de boekhouder van [bedrijf] - dat het aangetroffen geld buiten de kluis wel een legale verklaring heeft, is op niets gebaseerd. [K.A.] was, tezamen met [verdachte] feitelijk verantwoordelijk voor [bedrijf] , waar het geld is aangetroffen. [verdachte] en [K.A.] hebben daarmee de verboden gedraging aanvaard en zij dienen te worden veroordeeld voor het feitelijk leidinggeven aan het door [bedrijf] gepleegde witwassen van deze gelden, aldus de advocaat-generaal. De advocaat-generaal gaat uit van een bedrag € 659.515,-, nu dit bedrag in dozen is aangetroffen. Van het geld dat niet in de dozen is aangetroffen (€ 10.735,- bij de balie en € 2.817,50 op een werkplek), kan gesteld worden dat dit mogelijk uit reguliere handel afkomstig is.

Het hof overweegt als volgt.

De rechtbank heeft onder (d) van onderdeel 4.2. Aanwijzingen voor witwassen van het vonnis ten aanzien van het geldbedrag dat is aangetroffen op het bedrijfsadres van [bedrijf] buiten de kluis overwogen:

- Het geld was verstopt in een stapel kartonnen dozen en was nog eens extra verhuld door een bovenlaag met telefoonkaarten.

- Geen duidelijke of gegronde reden is gegeven of te bedenken waarom dit geld op die plek werd bewaard, terwijl het pand van [bedrijf] - een voormalig kantoor van de bank Fortis - over voldoende kluiscapaciteit beschikte.

- Diverse medewerkers van [bedrijf] , maar ook de beide leidinggevenden (verdachte en [K.A.] ), hebben verklaard dat het contante geld van [bedrijf] in de kluis werd opgeslagen en niet op een andere plek (4.6 t/m 4.9).

- Volgens berekeningen van een ambtenaar van de Belastingdienst moet het kassaldo op die dag veel lager zijn geweest. De aanwezigheid van deze grote hoeveelheid geld is dus niet te verklaren (4.5)

en komt tot het oordeel dat dit bijdraagt aan het vermoeden dat sprake is van witwasactiviteiten.

Onder (d) van het onderdeel 4.3. dat ziet op de door [K.A.] en [verdachte] afgelegde verklaring overweegt de rechtbank voorts dat:

Vaststaat dat een grote hoeveelheid contant geld buiten de kluis is aangetroffen. Het geld was op heimelijke wijze verstopt en verpakt. Uit de boekhouding van [bedrijf] kan de aanwezigheid van dit geldbedrag niet worden verklaard. De twee hoofdverantwoordelijken bij [bedrijf] , [K.A.] en verdachte, hebben hiervoor evenmin een verklaring kunnen geven. [K.A.] verklaart weliswaar dat het bedrag buiten de kluis apart was gezet, omdat het was bedoeld voor de aankoop van Lycatelkaarten. Hij kan echter desgevraagd niet zeggen om welk bedrag het ging. Evenmin kan hij een gegronde reden geven waarom voor aankomende transacties bestemde bedragen niet op een aparte plaats in de kluis konden worden bewaard (Z5 355).

[verdachte] verklaart stellig dat buiten de kluis geen geld werd bewaard (zie 4.8). Als hij wordt geconfronteerd met de aanwezigheid van het hiervoor genoemde geldbedrag buiten de kluis, beroept hij zich op zijn zwijgrecht (Z5 400)

en komt vervolgens tot het oordeel dat er geen concrete, verifieerbare en op voorhand niet als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken verklaring over de herkomst van het geld is gegeven, zodat het niet anders kan zijn dan dat deze gelden uit misdrijf afkomstig zijn.

Het hof volgt deze overwegingen en maakt dit oordeel tot het zijne. Het in hoger beroep gevoerde verweer leidt, zoals hierna zal worden uiteengezet, niet tot een ander oordeel. De verweren zoals gevoerd in de hoger beroepen van [verdachte] en [K.A.] zal het hof, vanwege de onderlinge samenhang en gedeeltelijke overlapping, gezamenlijk behandelen.

De verdediging stelt allereerst dat uit veiligheidsoverwegingen er voor is gekozen een gedeelte van het kasgeld buiten de kluis, maar in een ‘beveiligde ruimte’ te bewaren. Het geld was daartoe verpakt in dozen, afgedekt met oude telefoonkaarten. De verdachte vond het gevaarlijk ‘om al het geld bij elkaar in één kluis te bewaren’.

Het hof verwerpt dit verweer. [bedrijf] is gevestigd in een pand dat voorheen door de Fortisbank in gebruik was als bankkantoor. Uit het proces-verbaal van de doorzoeking blijkt dat zich aan de achterzijde van het pand een ‘inloopkluis’of ‘prefabkluis’ (of ‘kluisruimte’ zoals [verdachte] het omschrijft) bevindt, een kamer van 4 bij 6 meter met daarin 5 kluizen (kluiskasten). Deze inloopkluis is afgesloten met een codeslot.

In het pand bevindt zich voorts een voorraadruimte (door [K.A.] omschreven als ‘ons voorraadhok’) met daarin een kluis. Naast deze kluis bevonden zich de twee kartonnen dozen, met daarin genoemd geldbedrag ad € 659.515,- en in de dozen afgedekt met gebruikte telefoonkaarten. Anders dan door de verdediging gesteld bevond het geld zich dus niet in een beveiligde ruimte, terwijl het voormalig bankkantoor daar wel de beschikking over had. Hoewel dat voor de hand ligt, is er evenmin voor gekozen het geldbedrag in de in de voorraadruimte aanwezige kluis te doen (terwijl deze kluis naast de dozen stond) die minder eenvoudig is te openen of mee te nemen (zoals een doos onder de arm) en meer bescherming biedt bij bijvoorbeeld brand. Uit deze wijze van opslaan blijkt niet van gehanteerde veiligheidsoverwegingen.

Het hof merkt voorts op dat beide verdachten in eerste instantie hebben ontkend dat er bij [bedrijf] geld buiten de kluis werd bewaard en pas later deze verklaring hebben gewijzigd, terwijl niet valt aan te nemen dat een dergelijk substantieel geldbedrag over het hoofd is gezien.

De verdediging stelt voorts dat het grote bedrag aan contant geld verklaard kan worden uit voorgenomen betalingen aan leverancier Lycatel. Het kassaldo was opgelopen omdat de betalingen gedurende enige tijd waren opgeschort, op verzoek van Lycatel (totdat Lycatel over een nieuwe bankrekening beschikte) vanwege een zakelijk geschil tussen Lycatel en T-Mobile, en om gebruik te kunnen maken van ‘astronomische aanbiedingen’ van Lycatel.

Het hof verwerpt ook dit (pas op een laat moment naar voren gebrachte) verweer. Betalingen aan Lycatel vonden plaats door afgifte van het contante geld aan een door Lycatel gestuurde geldwagen van Brinks, zo blijkt uit verklaringen van [verdachte] , [K.A.] en hun boekhouder [J] . Daarbij valt niet in te zien dat een grote onderneming als Lycatel bij een zakelijk geschil met een derde partij, een omvangrijk bedrag aan te ontvangen geldbedragen onder debiteur [bedrijf] zou laten. Veeleer ligt voor de hand dat Lycatel dan (zoals gebruikelijk) Brinks zou sturen om de verschuldigde bedragen eerder en bij Brinks veilig te stellen.

Het verweer vindt ook geen steun in het dossier. Bij aanvang van het boekjaar (zo blijkt uit de door [J] opgestelde jaarrekening) staat er geen schuld aan Lycatel open. In de periode tussen 1 januari 2010 en de doorzoeking op 27 januari 2010 worden in het geheel geen betalingen verricht aan Lycatel. De (blote) stelling van [verdachte] ter zitting van het hof – dat de betalingen aan Lycatel ‘een week’ werd opgeschort – vindt dan ook geen steun in de administratie: er is geen opschorting en geen hervatting.

Uit het kasboek blijkt wel van betalingen aan LycaMobile. Indien en voorzover Lycatel gelijk moet worden gesteld aan LycaMobile, leidt dit niet tot een ander oordeel. Immers, in genoemde periode met 21 werkdagen werden er op 18 dagen betalingen gedaan aan LycaMobile, als laatste nog op negen werkdagen voorafgaand aan de doorzoeking, zodat er ook ten aanzien van LycaMobile geen sprake is van opschorten van betaling.

Door de verdediging zijn evenmin stukken overgelegd, waaruit het verzoek van Lycatel (tot opschorten van de betalingen) zou kunnen blijken. De in het dossier opgenomen kopie van een brief van 15 april 2010 van de advocaat van Lycatel aan een onderneming in Rotterdam, biedt daarvoor geen aanknopingspunten.

Anders dan de verdediging stelt kunnen (voorgenomen, dan wel even achtergehouden) betalingen aan Lycatel dan ook geen verklaring zijn voor de aanwezigheid van het hoge bedrag aan contant geld op het bedrijfsadres van [bedrijf] .

De verdediging stelt verder dat (afgezien van de omvang en de wijze van bewaren) het buiten de kluis aangetroffen geld net als het in de kluis aangetroffen geld tot het reguliere bedrijfsvermogen (werkkapitaal) van [bedrijf] behoort waarmee (in totaal) € 950.567,50 aan kasgeld aanwezig was. Dit verweer treft evenmin doel.

Het hof merkt daartoe allereerst op dat het administratief kassaldo per 27 januari 2010 volgens het ‘Wekelijkse kasboek’ € 1.071.902,- bedraagt terwijl een (in hoger beroep) door (de hierna te noemen) [consultant] overgelegde versie van het ‘Wekelijkse kasboek’ € 904.693,- vermeldt als kassaldo. Beide saldi komen niet overeen met het daadwerkelijk aangetroffen contante geld.

Het hof verwijst vervolgens naar het onderzoek van [verbalisant] , controlemedewerker van de Belastingdienst te Amsterdam naar de administratie van [bedrijf] . Het onderzoek had (blijkens de rapportage van 17 juni 2010, dossier p. 0807 ev.) in eerste instantie betrekking op de fysieke administratieve bescheiden (inclusief het ‘Wekelijkse kasboek’, vastgelegd in ‘Cash book’ 2009 en 2010) zoals op 27 januari 2010 aangetroffen op het bedrijfsadres en op het adres van de fiscaal adviseur. Vanaf 16 maart 2010 kreeg [verbalisant] eveneens de beschikking over digitale administratie waaronder de ‘Iruppu’ bestanden.

In het rapport concludeert [verbalisant] dat het ‘Wekelijkse kasboek’ gebreken vertoont hetgeen (bij voldoende fiscaal belang) had kunnen leiden tot verwerping van deze kasadministratie als basis voor de winstberekening. Het bevat over beide jaren zodanige fouten dat het niet bruikbaar is als kasboek.

Met het beschikbaar krijgen op 16 maart 2010 van aanvullende informatie heeft [verbalisant] het onderzoek uitgebreid met de zogeheten ‘Iruppu’ bestanden alsmede de bestanden ‘Sales report’ (een soort verkoopboek), ‘Factuur Cal’ (specificatie omzet groothandel) en ‘Facktuur Boek’ (specificaties en kopieën van facturen). Hij heeft (ook) deze bestanden inhoudelijk beoordeeld alsmede ze in onderling verband bezien per 31 oktober 2009 (een dag die in alle genoemde bestanden voorkomt). Ook het ‘Wekelijkse kasboek’ is daarbij betrokken. [verbalisant] stelt vast dat de Iruppu-bestanden de werkelijke ontvangsten en de werkelijke uitgaven op de betreffende dag verantwoorden. In het ‘Wekelijkse kasboek’ daarentegen zijn niet alle uitgaven opgenomen en is de omzet opgenomen in plaats van de ontvangsten, zodat het (nog afgezien van overige fouten) geen betrouwbare voorstelling geeft van de kaspositie. [verbalisant] concludeert dat de Iruppu-bestanden dan ook een reëler beeld geven van de feitelijke kaspositie per een bepaalde datum en merkt Iruppu dan ook aan als de feitelijke kasadministratie. Volgens Iruppu zou het kassaldo op 27 januari 2010 € 261.666,- bedragen, waaruit [verbalisant] afleidt dat dat het buiten de kluis aangetroffen contante geld geen betrekking lijkt te hebben op gelden uit de reguliere bedrijfsvoering.

Gelet op de analyse van [verbalisant] (en zijn grondige verslaggeving dienaangaande) alsmede de omstandigheid dat het bij de doorzoeking op 27 januari 2010 aangetroffen geld (ad € 277.500,-) zodanig dicht ligt bij het volgens Iruppu aanwezige kasgeld, volgt het hof [verbalisant] in zijn conclusie dat het buiten de kluis aangetroffen geld klaarblijkelijk niet voortkomt uit (reguliere) bedrijfsactiviteiten van [bedrijf] .

Door de verdediging is ingebracht een rapport van [consultant] van 27 maart 2017 (hierna: [consultant] ). [consultant] bespreekt daarin allereerst de bevindingen van Lamten aanzien van gebreken in het ‘Wekelijkse kasboek’. Het betreft verklaringen van [consultant] voor correctieboekingen (zoals het achteraf alsnog boeken van omzet), maar daarmee bevestigt [consultant] de door [verbalisant] geconstateerde fouten alsmede het gevolg dat op genoemde dagen het kassaldo onjuist is en daardoor niet getoetst kon worden aan het fysiek aanwezige kasgeld. Dat geldt te meer voor het tweede door [verbalisant] genoemde gebrek (het op 17 november 2009 boeken van twaalf Z-afslagen die betrekking hebben op andere data waardoor de kassaldi op deze dagen onjuist zijn) dat door [consultant] niet inhoudelijk wordt besproken.

[consultant] gaat er van uit dat [verbalisant] gebruik heeft gemaakt van het op het bedrijfsadres aangetroffen ‘Wekelijkse kasboek’ terwijl hij het (door adviseur [J] gecorrigeerde) bij [J] aangetroffen ‘Wekelijkse kasboek’ had moeten hanteren. In het dossier zijn daarvoor geen aanwijzingen te vinden, de door [consultant] overgelegde bijlagen, zijn daarvoor geen onderbouwing. In bijlage 6 (een bladzijde uit het volgens [consultant] door de adviseur [J] bijgehouden kasboek) wordt bijvoorbeeld voor de dag van de doorzoeking een ander kassaldo vermeld dan het door [J] zelf genoemde kassaldo. Een zelfde verschil treft het hof aan in het kassaldo ultimo 2009 in de door [consultant] gehanteerde bijlage, en de door [J] opgestelde jaarrekening. Wat daar verder van zij, ook [consultant] (zoals hiervóór al opgemerkt) onderkent dat er in de kasadministratie fouten zijn gemaakt die hebben geleid tot het op meerdere dagen opnemen van onjuiste kassaldi.

[consultant] citeert bepaalde positief geformuleerde passages uit het rapport [verbalisant] en probeert daar aansluiting bij te vinden, maar miskent (daarmee) dat [verbalisant] eenduidig concludeert dat het ‘Wekelijkse kasboek’ geen betrouwbare voorstelling geeft van de kaspositie van [bedrijf] . De enkele omstandigheid dat [verbalisant] vervolgens het ‘Wekelijkse kasboek’ (ondanks de geconstateerde fouten) na aanpassingen hanteert als basis voor een reconstructie doet aan die conclusie niet af.

Op basis van het voorgaande oordeelt het hof dat de rapportage van [consultant] geen ander licht werpt op de rapportage van [verbalisant] en er geen reden is de conclusie van [verbalisant] (dat het buiten de kluis aangetroffen contante geld geen relatie heeft met de reguliere bedrijfsvoering van [bedrijf] ) terzijde te schuiven.

De opmerking van de verdediging: ‘Uit de administratie van [verbalisant] blijkt ook dat het kassaldo van [bedrijf] op 26 januari 2010 in overeenstemming is met die van 27 januari 2010’ kan het hof niet volgen.

Zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, begrijpt het hof het belang noch de strekking van deze opmerking.

De stelling van de verdediging dat ook [J] bevestigt dat het geld afkomstig was uit de normale bedrijfsvoering, treft geen doel. [J] verklaart dat hij uitging van de hem overhandigde Excell bestanden, geen controle uitvoerde, en (alleen) boekte wat hem werd aangeleverd.

Volgens [J] werd het kasgeld ook nooit geteld, terwijl dat wel zou moeten gebeuren.

Samengevat, de aanwezigheid van een substantieel bedrag aan contant geld, op een ongebruikelijke plaats opgeborgen (in een kartonnen doos, terwijl een kluis(ruimte) beschikbaar is) terwijl de verdachten bij hun eerste verhoor hebben ontkend dat buiten de kluis contant geld werd bewaard, leidt tot een vermoeden van witwassen. De verklaring van de verdachten - pas op een zeer laat tijdstip naar voren gebracht - voor het op deze wijze voorhanden hebben van een groot bedrag aan contanten is - voor zover al verifieerbaar - deels aantoonbaar onjuist en vindt voor het overige geen steun in de stukken van het dossier.

Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen van witwassen van de € 659.515,- in de twee dozen in de voorraadruimte.

gewoontewitwassen

Het hof veroordeelt de verdachte voor het witwassen van de € 659.515,- buiten de kluis en het bedrag van € 200.000,- op 25 januari 2010. Voor de overige tenlastegelegde witwashandelingen is de verdachte vrijgesproken. Het hof is van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 13-520126-09 onder 1 bewezen verklaarde feit daarmee niet als gewoontewitwassen dient te worden gekwalificeerd.

Feit 2: Overtreding van artikel 3 lid 1 Wet inzake de geldtransactiekantoren (Wgt)

De raadsman van [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig de ingelaste pleitnota – het verweer gevoerd – kort weergegeven – dat de verdachte niet bedrijfsmatig als geldtransactiekantoor werkzaam is geweest. Op de camerabeelden is te zien dat [verdachte] op één dag geld gewisseld heeft. Derhalve is de raadsman van mening dat het hof niet tot bewezenverklaring van dit feit kan komen.

Door de advocaat-generaal is gerequireerd tot bewezenverklaring van dit feit. Met betrekking tot de motivering heeft hij zich aangesloten bij de bewijsmotivering van de rechtbank, inhoudende dat de personen binnen [bedrijf] zich meermalen hebben bezig gehouden met geldtransacties; zij hebben bankbiljetten van kleine coupures gewisseld tegen bankbiljetten van grote coupures.

Het hof overweegt hierover als volgt.

Artikel 3 lid 1 Wgt verbiedt het als geldtransactiekantoor werkzaam zijn. Een geldtransactiekantoor is in artikel 1 sub a van diezelfde wet gedefinieerd als de natuurlijke persoon of rechtspersoon (..) die beroepsmatig of bedrijfsmatig ten behoeve of op verzoek van een derde geldtransacties uitvoert (..).

Een geldtransactie is onder meer het wisselen van munten of bankbiljetten (artikel 1 sub c onder 1 Wgt).

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat personen binnen [bedrijf] zich in ieder geval tweemaal hebben bezig gehouden met geldtransacties van bovengenoemde aard. Zij hebben bankbiljetten van kleine coupures gewisseld tegen bankbiljetten van grote coupures.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of [verdachte] (feit 2 primair) of [bedrijf] (feit 2 subsidiair) de geldtransacties bedrijfsmatig heeft uitgevoerd. Het hof overweegt dat aan de term ‘bedrijfsmatig’ in ieder geval de betekenis toekomt van ‘geregeld en stelselmatig’, zoals uit de jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2001:AB0740) kan worden opgemaakt.

Nu op de beschikbare camerabeelden (slechts) te zien is dat in een periode van drie weken, twee maal bankbiljetten van kleine coupures gewisseld werden tegen bankbiljetten van grote coupures, en [verdachte] daar éénmaal bij aanwezig is geweest, kan naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] of [bedrijf] bedrijfsmatig geldtransacties heeft uitgevoerd. Daartoe acht het hof dit bewijs te mager. Het hof zal de verdachte vrijspreken van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Feit 3: Overtreding van artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht (Wft)

Aan [verdachte] wordt - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - onder 3 primair in essentie verweten dat - hij tezamen in vereniging met anderen - zonder vergunning betaaldiensten heeft verricht door geldtransacties en/of geldtransfers uit te voeren en/of gelden heeft ontvangen en/of beschikbaar gesteld en/of gehouden, namelijk geldbedragen van € 672.575,-, € 200.000,- en € 115.817,-. Subsidiair wordt hem het feitelijk leiding geven hieraan verweten.

Artikel 2:3a lid 1 van de Wet op het financieel toezicht (“Wft”) verbiedt het zonder vergunning van de Nederlandsche Bank uitoefenen van het bedrijf van betaaldienstverlener. De Wft onderscheidt in dit verband zeven soorten betaaldiensten (omschreven in de bijlage bij de Europese richtlijn voor betaaldiensten 2007/64/EG), waaronder geldtransfers, namelijk:

Van het verlenen van de dienst ‘geldtransfer’ is sprake als, zonder dat een rekening wordt geopend, van een betaler geld wordt ontvangen met als enig doel het daarmee corresponderende bedrag over te maken rechtstreeks aan een begunstigde dan wel aan een andere betalingsdienstverlener die de gelden aan de uiteindelijk begunstigde uitkeert.

Geldtransfers (of moneytransfers) worden in de praktijk vooral verleend ten behoeve van het overmaken van geld naar begunstigden in het buitenland, met name naar landen met een minder ontwikkeld banksysteem en waar het gebruik van bankrekeningen minder voorkomt. Ook voor onverwachte spoedbetalingen wordt wel van geldtransfers gebruik gemaakt.

Het feitelijk handelen van [verdachte] en anderen binnen [bedrijf] behelst eenvoudig gezegd niet veel meer dan het in ontvangst nemen van gelden van [S.B.] , [K.C.] en/of [I] dan wel het in ontvangst nemen van gelden (Beverwijkse Bazaar), alsmede het beschikbaar stellen van gelden aan [J.M.] .

Dit kan niet worden gekwalificeerd worden als het verrichten van een betaaldienst in de zin van de Wft, en evenmin als het verrichten van een van de overige soorten betaaldiensten, omdat niet bewezen kan worden dat de ontvangen geldbedragen rechtstreeks zouden worden overgemaakt naar een begunstigde.

Het hof is van oordeel, zoals door de advocaat-generaal is gevorderd en door de verdediging is bepleit

- hoewel op andere gronden - dat het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat [verdachte] daarvan dient te worden vrijgesproken.

Criminele organisatie

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het deelnemen aan de tenlastegelegde criminele organisatie. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het samenwerkingsverband tussen [verdachte] en één of meer gesprekspartners ten aanzien van verschillende transacties, niet duurzaam en gestructureerd van aard is geweest. De tenlastegelegde feiten betreffen een contant geldbedrag in het pand, alsmede drie transacties van geldbedragen, allen begaan in januari 2010. Vóór januari 2010 zijn geen aanwijzingen van strafbare feiten. Daarmee is niet voldaan aan de invulling van het begrip duurzaam. Subsidiair stelt de raadsman dat de duurzaamheid strekt van 11 januari tot en met 25/27 januari 2010. Verder stelt de verdediging dat er onvoldoende bewijs is voor een gestructureerd crimineel samenwerkingsverband, er is slechts sprake van een gewoon bedrijf en in die hoedanigheid hebben mensen samengewerkt.

Door de advocaat-generaal is gerequireerd tot integrale bewezenverklaring van het deelnemen aan een criminele organisatie. Met betrekking tot de motivering heeft de advocaat-generaal zich aangesloten bij de bewijsmotivering van de rechtbank, inhoudende dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat een groepering bestaande uit de (mede)verdachte(n) zich over langere periode heeft bezig gehouden met het plegen van witwassen en overtreding van de financiële toezichtwetgeving; deze personen ter voltooiing van deze strafbare feiten zowel onderling als met derden nauw en bewust hebben samengewerkt; dat elk van die verdachten in de totstandkoming van de strafbare feiten een bepaald aandeel heeft gehad en daaruit een bepaalde rolverdeling naar voren komt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake, als is voldaan aan het vereiste van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het genoemde oogmerk. Voor strafbare deelname is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid, in de zin van voorwaardelijk opzet, weet dat er een organisatie bestaat en dat die organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat een betrokkene enige vorm van opzet heeft gehad op concrete door de criminele organisatie beoogde misdrijven, zolang de betrokkene maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Evenmin is vereist dat de betrokkene daadwerkelijk heeft deelgenomen aan (alle) gepleegde misdrijven, noch dat hij heeft samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie.

Aan de verdachte is tenlastegelegd – zakelijk weergegeven – dat hij in de periode van 26 april 2009 tot en met 27 januari 2010 heeft leidinggegeven aan een criminele organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [K.A.] en/of [A.H.] en/of [A.S.] en/of [G.L.] en/of [bedrijf] en/of één of meer anderen.

Partiele vrijspraak deelname [A.H.] en [A.S.]

Van deelname aan een crimineel samenwerkingsverband is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband. Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen dat [A.H.] tot het samenwerkingsverband behoorde, veeleer komt uit het dossier het beeld naar voren dat [A.H.] iemand was waar zaken/transacties mee werden verricht. Ten aanzien van [A.S.] is het hof niet overtuigd van het feit dat hij wetenschap, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet heeft van het bestaan van de criminele organisatie en dat die organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De rol van [G.L.] en [bedrijf] in de criminele organisatie komt bij het witwassen aan de orde.

Oogmerk plegen van misdrijven

De criminele organisatie had volgens de tenlastelegging - zakelijk weergegeven - het oogmerk tot het plegen van de volgende misdrijven:

a. overtreding van artikel 3 lid 1 de Wet inzake de Geldtransactiekantoren;

b. overtreding van artikel 2:3a van de Wet op het Financieel Toezicht;

c.1. valsheid in geschrift, bestaande uit opmaken en/of vervalsen van facturen en

c.2 valsheid in geschrift, bestaande uit opmaken en/of vervalsen van de (kas)administratie;

d. witwassen.

ad. (a) en (b.) Partiële vrijspraak oogmerk misdrijf Wgt en Wft

Nu niet bewezen wordt geacht dat [K.A.] , [verdachte] en [G.L.] overtredingen van artikel 2:3a van de Wft en artikel 3 lid 1 van de Wgt hebben begaan, kan niet bewezen worden dat de bedoelde organisatie tot oogmerk had het plegen van deze misdrijven.

Ad c1. Partiele vrijspraak valsheid in geschrift valse factuur

Dat de criminele organisatie mede tot oogmerk had het vervaardigen van valse facturen kan evenmin worden bewezen. Weliswaar heeft [A.S.] op enig moment een valse factuur opgemaakt, maar het hof is van oordeel dat deze op verzoek van een klant opgemaakte valse factuur onvoldoende is dit tevens als een van de doelen van de organisatie te beschouwen.

Ad c2. Partiële vrijspraak vervalsen kasadministratie

Dat de criminele organisatie tevens tot oogmerk had het vervalsen van de kasadministratie achtte de rechtbank niet bewezen. De advocaat-generaal heeft bewezenverklaring gevorderd van het vervalsen van de kasadministratie, maar merkt in zijn requisitoir niet veel meer op dan dat het ‘hier witwassen met als dekmantel een reguliere onderneming betreft’ en dat dat ‘in zijn algemeenheid gepaard gaat met valsheid in geschrifte’.

Wat onder ‘de kasadministratie’ moet worden begrepen is in de tenlastelegging niet gepreciseerd.

Het dossier bevat zo begrijpt het hof twee ‘kasadministraties’. De door boekhouder [J] bijgehouden (officiële) kasadministratie van [bedrijf] en de door [G.L.] bijgehouden ‘Irrupu-bestanden’, in de ogen van het Openbaar Ministerie, een soort schaduwboekhouding.

Ten aanzien van de officiële kasadministratie van boekhouder [J] acht het hof de advocaat-generaal aangevoerde argumenten onvoldoende overtuigend. Waar de advocaat-generaal er kennelijk vanuit gaat dat het hier ‘witwassen met als dekmantel een reguliere onderneming betreft’ valt op dat de witgewassen gelden bij [bedrijf] juist niet in de officiële administratie zijn verwerkt. Hoe het niet opnemen van de witwasgelden in de administratie kan leiden tot het vervalsen van de officiële kasadministratie van [bedrijf] is door de advocaat-generaal niet uitgewerkt en voor het hof niet duidelijk. Het hof acht dan ook niet bewezen dat het oogmerk van de criminele administratie mede omvatte het valselijk opmaken van de officiële, door [J] bijgehouden, kasadministratie.

Ten aanzien van de ‘Irrupu-bestanden’ overweegt het hof – uitgaande van de stelling van het Openbaar Ministerie dat de Iruppu-bestanden een schaduwboekhouding vormen voor het bijhouden van witwasactiviteiten – als volgt.

Artikel 225 Sr. luidt:

Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

Uit de wetgeschiedenis blijkt dat het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken, het oogmerk van misleiding doelbewustheid met betrekking tot het gebruiken of het doen gebruiken van het valse/vervalste geschrift als echt en onvervalst behelst. Oogmerk van misleiding betekent dat er derden in het spel moeten zijn, die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Het hof acht niet bewezen dat de ‘criminele schaduwboekhouding’ werd bijgehouden teneinde deze tegenover derden te gebruiken. Daarvoor is in het dossier geen enkele aanwijzing aanwezig. Voor zover de Irrupu-bestanden een valsheid bevat met het oogmerk een van de andere deelnemers aan de criminele organisatie te misleiden, kan deze misleiding niet kwalificeren als misdrijf waarop de criminele organisatie het oogmerk heeft gehad.

Het hof acht dan ook niet bewezen dat het oogmerk van de criminele organisatie mede omvatte het valselijk opmaken van de Iruppu-bestanden.

Ad. d. Witwassen

In de tenlastelegging is opgenomen dat de criminele organisatie tot doel had het witwassen van vermogensbestanddelen, te weten het verwerven en/of voorhanden hebben en/of overdragen en/of op voorraad hebben van (grote) contante geldbedragen uit misdrijf afkomstig (artikel 420ter/bis Wetboek van Strafrecht). De tenlastelegging is daarmee toegesneden op overtreding van artikel 420bis lid 1 onder b. Niet ten laste is gelegd overtreding van 420bis lid 1 onder a, het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing van een voorwerp, dan wel het verbergen of verhullen wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.

Uit de bewijsmiddelen is in de onderhavige zaak het volgende naar voren gekomen.

Gedurende de periode van – ten minste – 29 april 2009 tot en met 25 januari 2010 heeft een groep mensen rond [bedrijf] zich beziggehouden met witwassen in de zin van het verwerven en voorhanden hebben van contante geldbedragen afkomstig uit enig misdrijf (art. 420bis lid 1 onder b). De organisatie kende een grote mate van (criminele) professionaliteit. Onder de dekmantel van [bedrijf] , (tevens) een legaal telecombedrijf, werden grote sommen geld witgewassen door [K.A.] en [verdachte] .

Er werd door hen in telefoongesprekken gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik.

[K.A.] en [verdachte] hadden de feitelijke leiding over [bedrijf] . [K.A.] heeft witwashandelingen uitgevoerd door geld aan te nemen en met behulp van de geldmachine te tellen. Verder stond hij in contact met [A.H.] over de aan- en afvoer van gelden. Ook [verdachte] heeft van misdrijf afkomstige gelden aangenomen en geteld.

Voor beide personen, [K.A.] en [verdachte] en voor [bedrijf] komt het hof tot een bewezenverklaring voor deelname aan een criminele organisatie met als oogmerk het plegen van witwassen.

Partiële vrijspraak leidinggevende rol [K.A.] en [verdachte]

De rechtbank heeft niet overwogen waarom [verdachte] een leidinggevende rol binnen de criminele organisatie heeft vervuld. Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat [verdachte] leidinggever van [bedrijf] was, niet automatisch betekent dat hij een leidinggevende rol binnen de criminele organisatie had, ook niet nu [bedrijf] een dekmantel was voor het witwassen van gelden. Het hof is van oordeel dat [bedrijf] , [K.A.] en [verdachte] een criminele organisatie vormden. Onvoldoende is echter vast komen te staan dat [verdachte] binnen deze organisatie meer zeggenschap heeft gehad of andere leden van de organisatie dwingend heeft aangestuurd of gecontroleerd. Het hof zal [verdachte] dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

De rol van [G.L.] bij Beverwijk en de € 100.000,- van [J.M.]

Het hof is op grond van het handelen van [G.L.] met betrekking tot het geld aangetroffen in Beverwijk in de bestelbus van [bedrijf] , alsmede zijn handelen ten aanzien van de op 17 november 2009 onder [J.M.] in beslag genomen € 100.000,- waarbij in het bij [G.L.] aangetroffen Iruppu bestand als begunstigde van dit geld wordt genoemd [E.G.T.] , een bedrijf van [G.L.] , van oordeel dat [G.L.] na de inbeslagname van de twee geldbedragen een bijdrage heeft geleverd aan het verhullen van de werkelijke aard en herkomst van de in beslag genomen geldbedragen (art. 420bis lid 1 onder a). Het hof is echter van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat [G.L.] ten aanzien van de twee geldbedragen deze heeft verworven, voorhanden gehad, overdragen of omgezet of van de geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf (art. 420bis lid 1 onder b). Nu artikel 420bis lid 1 onder a niet in de tenlastelegging is vermeld als een van de misdrijven waarop de organisatie het oogmerk had levert de betrokkenheid van [G.L.] bij deze twee transporten geen strafbare deelname aan de criminele organisatie op.

De rol van [G.L.] ten aanzien van de Irrupu-bestanden

Bij [G.L.] zijn de zogenoemde Iruppu-bestanden aangetroffen. Deze Iruppu-bestanden werden door [J] , de officiële boekhouder van [bedrijf] , niet herkend. Volgens [verbalisant] , ambtenaar van de Belastingdienst, geven de Iruppu-bestanden een reëler beeld van de feitelijke kaspositie van [bedrijf] dan het wekelijkse kasboek. De gelden die tijdens de doorzoeking in de voorraadruimte zijn aangetroffen zijn niet in de Iruppu-bestanden opgenomen.

Verder heeft [G.L.] de bedrijfsstructuur van [bedrijf] opgezet; hij weet heel veel af van de gang van zaken van het bedrijf en hij stemde met [J] de administratieve zaken met betrekking tot [bedrijf] af.

Het hof is van oordeel dat een eventuele rol van de Iruppu-bestanden bij het witwassen van gelden onvoldoende uit het dossier naar voren komt. Niet blijkt dat de bestanden dienden om de witgewassen bedragen een legale herkomst te geven (ex. art. 420bis lid 1 onder a Sr., overigens niet tenlastegelegd), de bestanden werden immers niet aan ‘derden’ ter beschikking gesteld. Ook blijkt niet dat de Iruppu-bestanden dienden als boekhouding voor de contante geldbedragen die werden witgewassen. Het was niet de ‘witwas-administratie’; althans dat komt onvoldoende uit het dossier naar voren. Bij deze stand van zaken acht het hof een strafbare betrokkenheid van [G.L.] bij de criminele organisatie door het bijhouden van de Iruppu-bestanden niet bewezen.

Gelet op het vorengaande acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat [G.L.] een van de deelnemers was van de criminele organisatie die zich bezig hield met het witwassen van gelden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer

13-520125-09 primair en subsidiair en in de zaak met parketnummer 13-710081-10 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak met parketnummer 13-520125-09:

1. primair:
hij in de periode van 25 januari 2010 tot en met 27 januari 2010 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) telkens grote contante geldbedragen, te weten

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 659.515,00 (Zaaksdossier 05, pagina's 90-100), en/of

- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 200.000,00 (zijnde een geldbedrag afkomstig uit en/of verkregen door een contante geldtransactie de dato 25 januari 2010) (Zaaksdossier 05, pagina's 171-178), en/of

verworven en/of voorhanden gehad overgedragen, terwijl hij, verdachte, telkens wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

Zaak met parketnummer 13-710081-10 (gevoegd):

1:
hij in of omstreeks de periode van 26 april 2009 tot en met 27 januari 2010 te Amsterdam en Beverwijk, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, verdachte, en [K.A.] en [bedrijf] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

- witwassen van vermogensbestanddelen, te weten het verwerven en voorhanden hebben en overdragen en op voorraad hebben van (grote) contante geldbedragen uit misdrijf afkomstig (artikel 420ter/bis Wetboek van Strafrecht).

Hetgeen in de zaak met parketnummer 13-520125-09 primair en in de zaak met parketnummer 13-710081-10 onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak met parketnummer 13-520125-09 primair en subsidiair en in de zaak met parketnummer 13-710081-10 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak met parketnummer 13-520125-09 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het plegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 13-710081-10 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 13-520125-09 primair en in de zaak met parketnummer 13-710081-10 onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder (520125-09) feit 1 primair, en (710081-10) feit 1, feit 2 primair en feit 3 primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 (twintig) maanden met aftrek, waarvan 5 (vijf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd - daarbij rekening houdend met overschrijding van de redelijke termijn - dat de verdachte voor het onder (13-520125-09) primair en (13-710081-10) onder 1 en 2 primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 19 (negentien) maanden, waarvan 5 (vijf) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Bewezen is dat de verdachte verantwoordelijk is voor het witwassen van ruim € 800.000,-. Witwassen is een ernstig feit dat in niet te onderschatten mate bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit. Het leidt er immers toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna de pleger van het misdrijf vrijelijk over geld kan beschikken in de legale economie, zodat "misdaad loont".

De verdachte heeft deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich op grote schaal heeft bezig gehouden met voornoemde strafbare feiten. Voor deze activiteiten werd gebruik gemaakt van het pand van een handelsbedrijf dat zich bezig hield met de aan- en verkoop van telefoonkaarten. Doordat binnen dit bedrijf ook legale handel in telefoonkaarten werd bedreven, kon de illegale geldstroom beter verhuld worden.

Het hof hanteert als uitgangspunt voor de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf de door het LOVS in 2012 vastgestelde oriëntatiepunten die van toepassing zijn op fraudezaken. Hoewel het hof minder bewezen heeft geacht dan de rechtbank, is een gevangenisstraf die niet veel lager straf is dan door de rechtbank is opgelegd, in beginsel op zijn plaats.

Alles afwegende zou het hof in beginsel zijn gekomen tot oplegging van een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met aftrek van voorarrest, die gelet op de ernst van de feiten zeker passend en geboden mag worden geacht.

Verdachte heeft ruim zeven maanden in voorarrest gezeten. Nu het hoger beroep in deze zaak is ingesteld op 23 maart 2012 en het hof heden pas arrest wijst, houdt het hof rekening met het opgetreden tijdsverloop sinds de aanvang van de procedure en de aanzienlijke schending van de redelijke termijn. Het hof acht om die reden een strafvermindering op zijn plaats en zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, opleggen en de verdachte daarnaast veroordelen tot de maximale werkstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 47, 57, 140 en 420bis van het

Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder (13/520125-09) 1 primair, tweede gedachtestreepje en vierde gedachtestreepje.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-710081-10 onder 2 primair, 2 subsidiair, 3 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-520125-09 primair en in de zaak met parketnummer 13-710081-10 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-520125-09 primair en in de zaak met parketnummer 13-710081-10 onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart

de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. S. Clement en mr. A.M. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. M.C.W. van der Voort, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 december 2017. De oudste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.