Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:538

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
23-09-2019
Zaaknummer
200.194.164/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg pensioenreglement. Begrip ‘deelnemer’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2019-0994
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.194.164/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 4482728 CV EXPL 15-25862

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 februari 2017 (bij vervroeging)

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. G.C.G. Raymakers te Helmond,

tegen

SRLEV N.V.,

gevestigd te Alkmaar,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en SRLEV genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 15 juni 2016 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 1 april 2016, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en SRLEV als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord.

Daarna is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog (i) voor recht zal verklaren dat [appellant] vanaf 28 november 2008 aanspraak heeft op vrijstelling van premiebetaling vanwege arbeidsongeschiktheid, (ii) voor recht zal verklaren dat [appellant] vanaf 28 november 2008 aanspraak heeft op het arbeidsongeschiktheidspensioen en (iii) voor recht zal verklaren dat [appellant] vanaf 28 november 2008 aanspraak heeft op WAO-hiaat pensioen, met veroordeling van SRLEV in de kosten van het geding in beide instanties.

SRLEV heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] met veroordeling van [appellant] - naar het hof begrijpt - in de kosten van het geding in hoger beroep.

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter] heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.6 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. [appellant] heeft in grief 1 aangevoerd dat de door hem gestelde feiten te summier zijn weergegeven. Voor zover nodig komt het hof hier op terug. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

[appellant] is op 1 november 2005 een arbeidsovereenkomst voor de duur van

een jaar aangegaan met UPS Supplies Chain Solutions B.V. (verder: UPS). Deze

overeenkomst is één keer verlengd voor een jaar en dus geëindigd op 31 oktober

2007.

2.2

De arbeidsovereenkomst vermeldt onder meer: “Werkgever heeft een pensioen voorziening getroffen waaraan werknemer deelneemt indien en voor zover hij aan de voorwaarden daartoe voldoet. Voor de pensioenrechten en het moment waarop deze rechten voor een werknemer ontstaan wordt verwezen naar artikel 3 van het voor de werknemer geldende pensioenreglement waarvan de werknemer bij indiensttreding een exemplaar ontvangt.”

2.3

Van de arbeidsovereenkomst maken deel uit Secundaire Arbeidsvoorwaarden UPS SCS (NL) B.V.

Hierin is onder meer vermeld:

“PENSIOEN/ VERZEKERING WAO-HIAAT EN WAO-EXCEDENT

a. a) WWL zegt aan iedere deelnemer een pensioen toe waarbij een pensioenkapitaal bij leven wordt verzekerd op grond van het beschikbare premiestelsel een en ander zoals is vastgelegd in het geldende betreffende pensioenreglement. (...)

b) Deelnemer aan de pensioenregeling is de werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd dan wel met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd indien de betreffende werknemer op grond van de arbeidsovereenkomst minimaal gedurende een jaar werkzaam is geweest bij WWL.

Op eerste verzoek van werknemer stelt WWL een exemplaar van dit

pensioenreglement ter beschikking aan werknemer.”

2.4

Het Pensioenreglement 2002 vermeldt onder meer:

Artikel 1 — Definities

(...)

Deelnemer: de werknemer, die een dienstverband is aangegaan met de

werkgever;

Gewezen deelnemer: de werknemer wiens deelnemerschap anders dan door overlijden, of door het bereiken van de pensioendatum is beëindigd en die aanspraken heeft jegens de verzekeraar.

(...)

Artikel 12 – Arbeidsongeschiktheidspensioen

(…)

Het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt, met inachtneming van het gestelde in artikel “Erkenning arbeidsongeschiktheid en toekenning prestaties” uitgekeerd indien en zolang de deelnemer recht heeft op een uitkering uit hoofde van de WAO doch uiterlijk tot de pensioendatum.

Artikel 17 - Erkenning arbeidsongeschiktheid en toekenning prestaties

(1) Onder toekenning van de prestaties bij arbeidsongeschiktheid wordt verstaan,

indien en voor zover van toepassing, het verlenen van vrijstelling van

premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid, het uitkeren van arbeidsongeschiktheidspensioen en/of het uitkeren van WAO-hiaatpensioen.

(…)

De verzekeraar erkent de gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de

deelnemer indien en zolang de deelnemer recht heeft op een WAO-uitkering,

doch uiterlijk tot de pensioendatum.

(…)

Artikel 18 – Vrijstelling van premiebetaling wegens arbeidsongeschiktheid

  • -

    Zolang de deelnemer arbeidsongeschikt is, doch uiterlijk tot de pensioendatum, verleent de verzekeraar, met inachtneming van het gestelde in artikel “Erkenning arbeidsongeschiktheid en toekenning prestaties”, vrijstelling van premiebetaling.

  • -

    (…)

Artikel 20 – Waarde-overdracht

  • -

    De (gewezen) deelnemer heeft het recht (…).

  • -

    Tevens heeft de (gewezen) deelnemer het recht (…).

Artikel 21 - Rechten bij beëindiging van het dienstverband

(1) Indien het dienstverband tussen een deelnemer en de werkgever anders dan door overlijden of bereiken van de pensioendatum wordt beëindigd behoudt de deelnemer een premievrije aanspraak op ouderdomspensioen en of nabestaandenpensioen dat ingaat bij overlijden van de deelnemer op of na de pensioendatum. De overige pensioenaanspraken komen te vervallen.

Voor wat betreft de gegevens die voor de vaststelling van de (pensioen)aanspraken van belang zijn, wordt uitgegaan van die gegevens, zoals deze gelden op de laatste peildatum voorafgaande aan de datum waarop het dienstverband wordt beëindigd.

(…)

Als het dienstverband is beëindigd nadat de deelnemer arbeidsongeschikt is

volgens artikel “Erkenning arbeidsongeschiktheid en toekenning prestaties”,

geldt lid 3 van artikel “(Pensioen)toezegging” en lid 4 van artikel “Vrijstelling

van premie betaling wegens arbeidsongeschiktheid”.

2.5

Het Pensioenreglement 2007 vermeldt onder meer:

Artikel 1 – Definities

(…)

Deelnemer: de persoon die een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht heeft met de werkgever met uitzondering van de directeur-grootaandeelhouder;

(…)

2.6

Op 28 november 2006 is [appellant] arbeidsongeschikt geworden.

2.7

Met ingang van 25 november 2008 is [appellant] - na bezwaar tegen een eerdere

beslissing - voor 80-l00 % arbeidsongeschikt verklaard voor de WIA.

3 Beoordeling

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg een verklaring voor recht gevorderd overeenkomend met zijn vordering in hoger beroep. Nadat SRLEV hiertegen verweer had gevoerd heeft de kantonrechter de vordering afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter heeft hiertoe het volgende overwogen.

“5. [appellant] legt aan zijn vorderingen het pensioenreglement ten grondslag zoals dat gold ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst. Partijen verschillen van mening over de uitleg van dat reglement.

6. Bij die uitleg komt het aan op de bewoordingen van het pensioenreglement, gelezen in het licht van de gehele tekst. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit artikel 17 lid 3 van het pensioenreglement, in samenhang met de definitie van de term

“deelnemer”, dat [appellant] werknemer van UPS moest zijn op het moment dat hij recht kreeg op een WAO-uitkering (waaronder onbetwist na wetswijziging een WIA

uitkering moet worden verstaan) om in aanmerking te komen voor de door hem

genoemde voorzieningen. Aan dat vereiste is niet voldaan, nu [appellant] reeds uit dienst was op het moment de hij recht kreeg op een WIA-uitkering.

7. Voor een andere uitleg zoals door [appellant] bepleit zijn in het pensioenreglement geen aanknopingspunten te vinden. Met name het systeem waarbij eerst de aanspraak op een uitkering wordt vastgesteld en gescheiden daarvan een ingangsdatum van de uitkering, is hier niet terug te vinden. Evenmin is sprake van onduidelijkheid. De rechtspraak waarnaar [appellant] verwijst, ziet om die reden dan ook niet op vergelijkbare gevallen.

8. Reeds hieruit volgt dat de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar zijn. De vraag of het pensioenreglement waarop hij zich beroept van toepassing is - dit wordt door Zwitserleven (handelsnaam van SRLEV, toevoeging hof) betwist — behoeft dan ook geen beantwoording.”

3.2

[appellant] keert zich tegen het bestreden vonnis met vijf grieven. Grief I heeft, zoals overwogen, betrekking op de door de kantonrechter weergegeven feiten. Met grief II voert [appellant] aan dat de kantonrechter een onjuiste uitleg geeft aan het Pensioenreglement 2002, dat de kantonrechter voor de uitleg van het Pensioenreglement 2002 ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de bepalingen in het Pensioenreglement 2007, dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat onbetwist is dat onder het begrip ‘WAO uitkering’ zoals opgenomen in het Pensioenreglement 2002 ‘WIA uitkering’ moet worden verstaan, dat de kantonrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de contra proferentem regel en ten onrechte geen rekening heeft gehouden met [appellant] argument dat hij, indien de uitleg van SRLEV zou worden gevolgd, in een rechtsvacuüm terecht komt. Met grief III betoogt [appellant] dat de kantonrechter heeft overwogen dat hij een uitleg zou voorstaan die een onderscheid maakt tussen het ontstaan van de aanspraak op een uitkering en de ingangsdatum van de uitkering. Grief IV houdt in dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft beoordeeld welk pensioenreglement op [appellant] van toepassing is. Grief V ziet op de proceskostenveroordeling.

3.3

Het hof heeft hierboven de relevante feiten en omstandigheden vermeld en daarbij ook enkele door de kantonrechter niet expliciet genoemde feiten en omstandigheden genoemd, waarvan [appellant] in beroep heeft betoogd die van belang te achten. [appellant] heeft voor het overige onvoldoende belang bij zijn grief I.

3.4

De grieven II, III en IV lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij komen er in wezen op neer dat de letterlijke tekst van het Pensioenreglement 2002 duidelijk is en wel in de door hem bepleite zin. Voor zover de letterlijke tekst van het Pensioenreglement 2002 onvoldoende duidelijk zou zijn om toewijzing van zijn vorderingen rechtstreeks op te baseren, leidt een redelijke uitleg van het reglement in zijn visie tot die uitkomst, waarbij rekening moet worden gehouden met de contra proferentem regel, als ook met de nadien in het Pensioenreglement 2007 aangebrachte wijzigingen. De uitleg van het Pensioenreglement 2002 die [appellant] bepleit is dat, om voor premievrijstelling, toekenning van een arbeidsongeschiktheidspensioen en van een WAO-hiaatpensioen (hierna: de arbeidsongeschiktheidsrechten) in aanmerking te komen, het voldoende is dat men werknemer was op het moment dat de arbeidsongeschiktheid intrad, voor [appellant] derhalve op 28 november 2006. SRLEV daarentegen voert aan dat in zowel het Pensioenreglement 2002 als het Pensioenreglement 2007 is vermeld dat men, om die rechten te hebben, op het moment van ingang van de WAO- respectievelijk de WIA-uitkering, dus na afloop van de voor die wetten geldende wachttijd, nog deelnemer en dus werknemer diende te zijn.

3.5

[appellant] heeft zijn vordering zowel in eerste aanleg als in hoger beroep er op gebaseerd dat op hem (uitsluitend) het Pensioenreglement 2002 van toepassing is. Indien zou blijken dat hij op grond van dat pensioenreglement de gevorderde arbeidsongeschiktheidsrechten niet heeft, behoeft niet apart getoetst te worden of hij op grond van het Pensioenreglement 2007 die arbeidsongeschiktheidsrechten zou hebben: de toepasselijkheid van dat laatste pensioenreglement vormt immers niet de grondslag van zijn vordering.

3.6

Als uitgangspunt voor de uitleg van de bepalingen van het onderhavige Pensioenreglement 2002 geldt dat in beginsel de bewoordingen daarvan gelezen in het licht van de gehele tekst van dat reglement, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin het reglement is gesteld. Daarbij kan acht worden geslagen op de elders in het reglement gebruikte formuleringen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zich zelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Het betreft immers een reglement bij de totstandkoming waarvan [appellant] niet betrokken is geweest en welk reglement bedoeld is ten opzichte van derden te werken.

3.7

[appellant] legt aan zijn vordering ten grondslag, dat op hem (uitsluitend) het Pensioenreglement 2002 van toepassing is. Het hof zal daarom beoordelen of dit reglement [appellant] deze rechten verschaft.

3.8

Volgens artikel 1 van het Pensioenreglement 2002 is deelnemer ‘de werknemer die een dienstverband is aangegaan met de werkgever’. Direct onder deze omschrijving wordt als ‘gewezen deelnemer’ gedefinieerd ‘de werknemer wiens deelnemerschap anders dan door overlijden, of door het bereiken van de pensioendatum is beëindigd en die aanspraken heeft jegens de verzekeraar’. SRLEV vat de definitie van deelnemer op als degene die een dienstverband ‘heeft’ met de werkgever. [appellant] wijst er op dat volgens de tekst van de definitie het voortduren van dat dienstverband niet is vereist: voldoende is dat er ooit een dienstverband is aangegaan; of dat dienstverband nog bestaat of niet maakt voor het deelnemerschap niet uit, aldus [appellant] . Het hof acht de uitleg die [appellant] aan het begrip ‘deelnemer’ geeft onaannemelijk. Zijn uitleg strookt niet met de definitie van gewezen deelnemer. Volgens het reglement is de gewezen deelnemer de werknemer wiens deelnemerschap (anders dan door overlijden, of door het bereiken van de pensioendatum) is beëindigd, en die aanspraken heeft jegens de verzekeraar (haakjes toegevoegd, hof). Hetgeen is weergegeven tussen haakjes doet zich in casu niet voor, want het dienstverband met [appellant] is niet geëindigd door overlijden of door het bereiken van de pensioendatum. Zijn dienstverband is echter wel beëindigd, en [appellant] heeft aanspraken jegens de verzekeraar, immers een premievrij pensioen. [appellant] is derhalve onmiskenbaar een gewezen deelnemer. Datzelfde geldt voor iedere werknemer van wie het dienstverband anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioenleeftijd is geëindigd. Nu [appellant] en al die anderen in een vergelijkbare positie, gewezen deelnemer zijn geworden, is onaannemelijk dat zij tegelijkertijd ook deelnemer zouden zijn gebleven. De toevoeging ‘gewezen’ sluit immers uit dat men tegelijkertijd ‘gewoon’ en ‘gewezen’ deelnemer’ is.

3.9

Het is derhalve aannemelijk dat met ‘deelnemer’ in de zin van het Pensioenreglement 2002 wordt bedoeld: degene die een dienstverband met de werkgever ‘heeft’. Artikel 17 lid 3 bepaalt dat (gehele of gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid alleen wordt erkend, wanneer men deelnemer is op het moment dat de WAO-uitkering ingaat, dat wil zeggen nadat de wachttijd van 52 weken na de uitval wegens ziekte is verstreken.

3.10

Deze uitleg strookt met het bepaalde in de artikelen 20 en artikel 21 van het pensioenreglement 2002. In artikel 20 wordt een waardeoverdracht toegekend aan ‘De (gewezen) deelnemer’, dat wil zeggen zowel aan de deelnemer als aan de gewezen deelnemer, indien en voor zover de in artikel 20 beschreven situatie zich voordoet. Artikel 20 maakt derhalve geen onderscheid tussen deelnemers en gewezen deelnemers waar het betreft de waardeoverdracht. In artikel 21 wordt wel een onderscheid gemaakt tussen deelnemers en gewezen deelnemers. Artikel 21 lid 1 bepaalt dat bij de beëindiging van het dienstverband tussen een deelnemer en een werkgever, de deelnemer een premievrije aanspraak op pensioen en op nabestaanden pensioen behoudt. De overige pensioenaanspraken vervallen. Artikel 21 lid 3 bepaalt voorts dat in de situatie dat het dienstverband is beëindigd nadat de deelnemer arbeidsongeschikt is geworden in de zin van artikel 17, de artikelen 3 lid 3 en 18 lid 4 (vrijstelling van premiebetaling wegens arbeidsongeschiktheid) van het reglement gelden. Artikel 17 lid 3 bepaalt dat de verzekeraar de gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van de deelnemer erkent indien en zolang de deelnemer recht heeft op een WAO-uitkering. De term ‘arbeidsongeschiktheid’ in de zin van artikel 21 duidt dus op arbeidsongeschiktheid na het verstrijken van de wachttijd voor de WAO, zoals overwogen 52 weken nadat de uitval wegens ziekte is ontstaan. Artikel 21 lid 3 kent rechten toe (een vrijstelling van premiebetaling) aan de deelnemer, van wie het dienstverband is beëindigd en die de genoemde wachttijd heeft doorlopen. Artikel 21 lid 3 sluit daarmee niet uit dat het dienstverband ook kan eindigen voordat deze wachttijd is doorlopen. In de lezing die [appellant] aan het begrip ‘deelnemer’ geeft is artikel 21 lid 3 overbodig, aangezien het volgens hem voor het deelnemerschap niet uitmaakt of het dienstverband is geëindigd of niet.

3.11

Als deelnemer in de zin van het Pensioenreglement 2002 moet daarom, gelet op de in dat reglement gebruikte bepalingen, worden beschouwd de persoon die een arbeidsovereenkomst heeft met de werkgever. Nu deze uitkomst duidelijk voortvloeit uit de in het reglement gebruikte bepalingen, wordt aan toepassing van de contra proferentem regel niet toegekomen. De rechtspraak van de Hoge Raad waarnaar [appellant] verwijst ziet op andere situaties dan de onderhavige, zodat deze rechtspraak niet tot andere conclusies leidt.

3.12

[appellant] heeft er op gewezen dat het Pensioenreglement 2002 per 1 januari 2006 aangepast had moeten worden, omdat per die datum de WAO is vervangen door de WIA. SRLEV heeft hierop aangevoerd dat het Pensioenreglement 2002 vanaf 1 januari 2006 al werd uitgevoerd met inachtneming van de inwerkingtreding van de WIA. Het hof overweegt echter dat, ook wanneer de WAO vanaf 1 januari 2006 van kracht zou zijn gebleven, bij het einde van zijn dienstverband op 1 november 2007, de voor [appellant] geldende wachttijd van de WAO – die tot 28 november 2007 zou hebben gelopen - nog niet zou zijn verstreken. Dat betekent dat ook wanneer de WAO van kracht zou zijn gebleven, hij op het moment dat die wachttijd was verstreken geen deelnemer meer was in de zin van het reglement, en hem dus geen arbeidsongeschiktheidsrechten toekwamen. Door de afschaffing van de WAO en de invoering van de WIA is [appellant] dus niet in een nadeliger positie gekomen. Dat [appellant] als gevolg van de invoering van de WIA in een rechtsvacuüm terecht is gekomen, zoals hij stelt, is daarom onjuist.

3.13

[appellant] heeft aangevoerd dat de kantonrechter voor de uitleg van de relevante bepalingen in het Pensioenreglement 2002 ten onrechte geen acht heeft geslagen op de bepalingen in het Pensioenreglement 2007. In het Pensioenreglement 2007 is de deelnemer gedefinieerd als ‘de persoon die een arbeidsovereenkomst (…) heeft met de werkgever (…)’. Met [appellant] is het hof van oordeel dat deze definitie nog duidelijker dan het Pensioenreglement 2002 tot uitdrukking brengt dat het, om deelnemer te zijn, noodzakelijk is dat de dienstbetrekking met de werkgever (nog) bestaat. Zoals hierboven onder 3.11 is overwogen, leidt ook de uitleg van het Pensioenreglement 2002 er toe, dat die eis geldt. Dat de tekst van het Pensioenreglement 2007 daarover duidelijker is, maakt dit niet anders. Daarbij is van belang dat niet is gesteld of gebleken dat met het Pensioenreglement 2007 op dit punt een wijziging werd beoogd.

3.14

Artikel 18 van het Pensioenreglement kent rechten toe aan de deelnemer. Die rechten komen hem, als gevolg van de verwijzing naar artikel 17 lid 3, toe indien hij recht heeft, en dus krijgt, op een WAO-uitkering op het moment dat hij deelnemer is. Op het moment dat voor [appellant] de wachttijd van de WAO was verstreken, had hij geen dienstverband meer, en was hij dus geen deelnemer. [appellant] heeft daarom geen recht op premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid.

3.15

Wat betreft de verklaring voor recht tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidspensioen overweegt het volgt als volgt. Artikel 12 van het pensioenreglement 2002 handelt, blijkens de aanhef, over Arbeidsongeschiktheidspensioen. Lid 2 van dit artikel houdt in dat het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt uitgekeerd indien en zolang de deelnemer recht heeft op een uitkering uit hoofde van de WAO. Zoals hierboven is overwogen was [appellant] per einde wachttijd WAO geen deelnemer meer in de zin van het reglement.

3.16

Wat betreft de verklaring voor recht tot toekenning van een WAO-hiaat pensioen, is door SRLEV onweersproken gesteld dat het WAO-hiaat pensioen per 1 januari 2006, dat wil zeggen voorafgaand aan de uitval wegens ziekte van [appellant] , is komen te vervallen. Het hof volgt SRLEV hierin.

3.17

De conclusie is dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van SRLEV begroot op € 718,- aan verschotten en € 894,- voor salaris;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, D. Kingma en G.C. Boot en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2017.