Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5325

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
200.219.927/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Beschikking
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking. Verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van Engelse arbitrale vonnissen. Bevoegdheid. Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:3755.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2018/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.219.927/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/607025 / KG RK 16-799

beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 december 2017

inzake

de rechtspersoon naar buitenlands recht

FINCANTIERI S.p.A.,

gevestigd te Triëst, Italië,

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in (voorwaardelijk) incidenteel appel,

advocaat: mr. A.I.M. van Mierlo te Rotterdam,

en

de rechtspersoon naar buitenlands recht

SERENA EQUITY LIMITED,

gevestigd te Road Town, Britse Maagdeneilanden,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in (voorwaardelijk) incidenteel appel,

advocaat: mr. A.A.H.J. Huizing te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Fincantieri en Serena genoemd.

Fincantieri is bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 21 juli 2017, in hoger beroep gekomen van de beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter) van 23 mei 2017, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer gegeven tussen Serena als verzoekster en Fincantieri als verweerster.

Het beroepschrift bevat vijf grieven. In het beroepschrift heeft Fincantieri verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het door Serena verzochte verlof tot erkenning en tenuitvoerlegging van de in de beschikking genoemde, tussen Serena en Fincantieri gewezen arbitrale vonnissen af te wijzen, met veroordeling van Serena in de kosten van beide instanties, met rente.

Serena heeft een incidenteel verzoekschrift, tevens verweerschrift in principaal appel en voorwaardelijk beroepschrift in incidenteel appel, met producties ingediend, ontvangen door het hof op 7 september 2017. In het verweerschrift in principaal appel heeft Serena geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair, Fincantieri niet-ontvankelijk zal verklaren in haar hoger beroep, althans dit ongegrond zal verklaren, met veroordeling van Financtieri in de kosten van het hoger beroep, alsmede te bepalen dat de voorwaarde tot zekerheidstelling verbonden aan de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking is vervallen en dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan en, subsidiair, te beschikken dat genoemde voorwaarde moet worden opgeheven. In (voorwaardelijk) incidenteel appel heeft Serena verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voorzover het betreft de eerdergenoemde voorwaarde tot zekerheidstelling, en opnieuw rechtdoende bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, Serena verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van de genoemde arbitrale vonnissen, met veroordeling van Fincantieri in de kosten van beide instanties.

In het incidentele verzoekschrift heeft Serena verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair, Fincantieri niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, met veroordeling van Fincantieri in de kosten van deze procedure, alsmede te bepalen dat de voorwaarde tot zekerheidstelling verbonden aan de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de bestreden beschikking is vervallen en dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Subsidiair heeft Serena verzocht de genoemde voorwaarde tot zekerheidstelling op te heffen voor de duur van het geding.

In het verweerschrift in het incident, met producties, ingekomen op 22 september 2017 ter griffie van het hof, heeft Fincantieri geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele verzoeken van Serena, met veroordeling van Serena in de kosten van het incident.

Het hof heeft een mondelinge behandeling gelast die heeft plaatsgevonden op 8 november 2017. Met instemming van partijen is deze mondelinge behandeling uitsluitend gewijd aan de bespreking van de vraag of Fincantieri ontvankelijk is in haar hoger beroep. Bij die gelegenheid werd Fincantieri bijgestaan door mrs. K.J. Krzeminski en I.J. Rozendal, advocaten te Rotterdam. Serena werd bijgestaan door mr. Huizing voornoemd en mr. D.B. le Poole, advocaat te Amsterdam. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en is uitspraak bepaald op heden.

2 Beoordeling

In het incident

2.1

Het gaat in deze zaak, samengevat en voor zover in dit incident van belang, om

het volgende:

2.1.1

Op 15 april 2016 heeft Serena een verzoekschrift ingediend bij dit hof strekkende tot verlening van verlof tot tenuitvoerlegging van de tussen partijen gewezen arbitrale vonnissen, een ander als genoemd in dat verzoekschrift.

2.1.2

Bij brief van 26 april 2016 heeft (de griffie van) het hof het verzoekschrift doorgeleid naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam.

2.1.3

De voorzieningenrechter heeft de behandeling van de zaak op zich

genomen en een mondelinge behandeling gehouden op 11 januari 2017.

2.1.4

Bij beschikking van 23 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter Serena verlof verleend tot tenuitvoerlegging van de in het dictum genoemde arbitrale vonnissen en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard onder de voorwaarde van het stellen van zekerheid door Serena ten behoeve van Fincantieri.

2.1.5

Bij beroepschrift van 21 juli 2017 is Fincantieri tegen deze beschikking

opgekomen bij het hof.

2.2

Serena heeft - samengevat - betoogd dat Fincantieri niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij geen rechtsmiddel (beroep in cassatie) heeft gericht tegen de verwijzingsbeslissing van het hof van 26 april 2016 op de voet van artikel 75, lid 1, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en - uitgaande van de regels terzake van tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen zoals die luiden met ingang van 1 januari 2015 - ook geen rechtsmiddel (beroep in cassatie) heeft gericht tegen de beschikking van 23 mei 2017. Voorts meent Serena dat voor doorbreking van het appelverbod in casu geen grond is.

2.3

Fincantieri heeft hiertegen - samengevat - het volgende aangevoerd. De (informele) verwijzing door het hof kan niet worden gezien als een beschikking als bedoeld in artikel 75, lid 1, Rv, zodat daartegen ook geen beroep in cassatie openstond. Daarbij komt dat die mogelijkheid ook feitelijk niet bestond omdat Fincantieri pas na het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 75, lid 1, Rv van het bestaan van de verwijzing kennis nam, aldus Fincantieri. In het geval dat moet worden uitgegaan van het vóór 1 januari 2015 geldende recht terzake van arbitrage betekent dit volgens Fincantieri dat het hof bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen op grond van artikel 1076 lid 6 (oud) jo. artikel 989 lid 2 Rv. Indien en voorzover moet worden uitgegaan van het recht zoals dat ná 1 januari 2015 luidt, dan is het hof de absoluut bevoegde rechter om in (eerste) feitelijke instantie van deze zaak kennis te nemen op grond van artikel 1076 lid 6 Rv.

2.4

Vooropgesteld moet worden dat op de onderhavige zaak de regeling terzake van de tenuitvoerlegging van arbitrale vonnissen van toepassing is zoals die geldt sinds

1 januari 2015 nu het verzoekschrift bij het hof is ingediend op 15 april 2016. Partijen verschillen hierover ook niet van mening. Het na 1 januari 2015 geldende recht schrijft dwingend voor dat de behandeling van dergelijke verzoeken uitsluitend is voorbehouden aan het gerechtshof als feitelijke instantie. Dit maakt dat het gerechtshof absoluut bevoegd is kennis te nemen van het verzoek van Serena. Het doorgeleiden van het verzoekschrift naar de voorzieningenrechter berust dan ook op een omissie. Deze handeling waarvan is komen vast te staan dat die niet is gecommuniceerd met partijen, is geen verwijzing in de zin van artikel 73 Rv. De brief van 26 april 2016 is immers geen eindvonnis of eindbeschikking die door een rechter is gewezen of gegeven zoals artikel 73 Rv vereist. Het vorenstaande betekent dat de voorzieningenrechter ten onrechte de zaak heeft behandeld en beslist. Dit brengt mee dat de incidentele verzoeken van Serena moeten worden afgewezen. De onderhavige procedure zal inhoudelijk worden gevoerd voor dit hof op de voet van artikel 1076 lid 6 Rv, dat wil zeggen volgens het sinds 1 januari 2015 geldende recht. Omwille van de proceseconomie zullen het verzoekschrift van 15 april 2016 van Serena en de door haar genomen memorie van antwoord tezamen worden aangemerkt als een verzoekschrift ter inleiding van de procedure bij dit hof. Het verweerschrift en de memorie van grieven van Fincantieri zullen worden beschouwd als verweerschrift in bedoelde procedure.

2.5

De zaak zal worden voortgezet met een mondelinge behandeling in de hoofdzaak.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident

wijst de incidentele verzoeken van Serena af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de eindbeslissing in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

beveelt de oproeping van partijen tegen een nog nader te bepalen zitting;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. D. Kingma, M.L.D. Akkaya en F.J. Verbeek en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 december 2017.