Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5273

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2017
Datum publicatie
12-01-2018
Zaaknummer
200.036.000/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Verwijzing naar eerdere jurisprudentie. Geen onaanvaardbaar zware financiële last. Als uitgangspunt geldt dat de kosten van kinderopvang niet als bijzondere last in de hofformule worden meegenomen. Afnemer moet een derde deel van de restschuld betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.036.000/ 01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam: 846589 / DX EXPL 07-272

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 19 december 2017

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Dexia en [geïntimeerde] genoemd.

Dexia is bij dagvaarding van 30 december 2008 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), die tussen partijen zijn gewezen op 22 oktober 2008 en op 7 mei 2008, onder bovengenoemd zaak- en rolnummer.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord in principaal appel, memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte tot wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel;

- akte, met één productie;

- antwoordakte.

Vervolgens is arrest gevraagd.

Bij tussenarrest van 4 oktober 2016 is een regiecomparitie gelast voor 188 verschillende Dexia-zaken waarin de problematiek van de onaanvaardbaar zware financiële last aan de orde is. Deze comparitie heeft op 12 december 2016 plaatsgevonden.

Na de comparitie heeft het hof bepaald dat in de Dexia-zaken waarin geen tussenpersoon of cliëntenremisier betrokken was, waaronder de onderhavige zaak, zal worden voortgeprocedeerd in de stand waarin deze zaken zich bevonden voordat deze werden aangehouden. Omdat in onderhavige zaak arrest was gevraagd, is de zaak naar de rol verwezen voor arrest.

Dexia heeft in dit geding geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - primair: de (reconventionele) vordering van Dexia van € 6.630,18 alsnog zal toewijzen, met rente en subsidiair: [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van € 2.144,32, met rente en primair en subsidiair: de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en hem zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen Dexia ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hem heeft voldaan, met rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, met nakosten en rente.

[geïntimeerde] heeft in principaal appel geconcludeerd dat het hof Dexia niet ontvankelijk zal verklaren, althans de grieven zal verwerpen, met veroordeling van Dexia in de kosten van het principaal appel.

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen (behoudens de daarbij uitgesproken proceskostenveroordeling) en - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - voor recht zal verklaren, primair dat het beroep op dwaling c.q. bedrog gegrond is, subsidiair dat Dexia jegens [geïntimeerde] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld door hem de leaseovereenkomsten te doen aangaan zonder voldoende informatie te verstrekken over de aan die overeenkomsten inherente beleggingstechnische tekortkomingen en door de waarschuwings- en informatieplicht met betrekking tot de inleg en de restschuld en de financiële positie niet te respecteren, en meer subsidiair dat [geïntimeerde] de overeenkomsten terecht wegens wanprestatie heeft ontbonden, steeds met veroordeling van Dexia om aan [geïntimeerde] te voldoen al hetgeen [geïntimeerde] onder de leaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald, met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van elk van de betalingen en met veroordeling van Dexia in de kosten van het incidenteel appel.

In het incidenteel hoger beroep heeft Dexia geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde] niet ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, althans de grieven zal verwerpen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in appel - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis van 22 oktober 2008 onder 1.1 tot en met 1.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

[geïntimeerde] is de volgende leaseovereenkomsten aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia (hierna: Dexia):

Contractnr.

Datum

Naam overeenkomst

Looptijd

Leasesom

Termijnbedrag

[contractnummer 1]

14-3-1998

WinstVerDrieDubbelaar

36 mnd

€ 12.046,97

€ 64,77 p/mnd

[contractnummer 2]

14-3-1998

WinstVerDrieDubbelaar

36 mnd

€ 4.015,71

€ 21,59 p/mnd

[contractnummer 3]

3-4-1998

Koersleasen

120 mnd

€ 37.273,14

€ 180,65 p/mnd

2.2

De leaseovereenkomsten zijn (tussentijds) beëindigd. De eindafrekeningen van de leaseovereenkomsten met de naam WinstVerDrieDubbelaar van 13 maart 2001 vermelden een positief resultaat van respectievelijk € 471,12 en € 257,15. De eindafrekening van de leaseovereenkomst met de naam Koersleasen van 9 juni 2005 vermeldt een negatief resultaat van € 6.728,46. [geïntimeerde] heeft het laatstgenoemde bedrag niet aan Dexia voldaan.

3 Beoordeling

3.1

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [geïntimeerde] heeft tijdig een opt out-verklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst hem niet bindt.

3.2

De in eerste aanleg door [geïntimeerde] in conventie ingestelde vorderingen strekken er
- kort weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang - toe voor recht te verklaren dat de leaseovereenkomsten zijn vernietigd, ontbonden, althans dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en dat Dexia hetgeen [geïntimeerde] op grond van de leaseovereenkomsten aan Dexia heeft betaald dient terug te betalen, met rente.

3.3

In reconventie heeft Dexia in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 6.630,18, zijnde de restschuld van de leaseovereenkomst genaamd Koersleasen verminderd met een aan [geïntimeerde] toekomend bedrag, met rente.

3.4

De kantonrechter heeft Dexia in het bestreden vonnis, voor zover in hoger beroep van belang, veroordeeld in totaal € 7.406,52, met rente, aan [geïntimeerde] te betalen. De reconventionele vordering van Dexia is door de kantonrechter afgewezen. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen partijen met hun grieven op.


Toetsingskader

3.5

De onderhavige zaak betreft een effectenleasezaak. Voor de behandeling en beslissing van effectenleasezaken waarop de WCAM-overeenkomst niet van toepassing is heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 5 juni 2009 (De Treek/Dexia (ECLI:NL:HR:2009:BH2815), Levob/Bolle c.s. (ECLI:NL:HR:2009:BH2811) en Stichting GeSp/Aegon (ECLI:NL:HR:2009:BH2822)) algemene maatstaven en beoordelingskaders ontwikkeld. Vervolgens heeft dit hof op 1 december 2009 vier zogenoemde richtinggevende arresten gewezen (Dexia/Van der Heijden (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4978), Dexia/Bouwhuis (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4981), Dexia/Madarie (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4982) en Dexia/Wijbenga (ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4983), waarbij is voortgebouwd op de uitgangspunten en het beoordelingskader blijkend uit de overwegingen en de beslissingen van de Hoge Raad in zijn arresten van 5 juni 2009. Aan de arresten van het hof is een breed gevoerd debat vooraf gegaan, waarin Dexia en belangenbehartigers van groepen van afnemers uitvoerig hun standpunten naar voren hebben gebracht. Tegen twee arresten van
1 december 2009 is beroep ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft bij arresten van 29 april 2011 (Van der Heijden/Dexia (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) en Bouwhuis/Dexia (ECLI:NL:HR:2011:BP4012) het beroep tegen die arresten verworpen.

3.6

Vervolgens heeft dit hof in de zaken die hebben geleid tot de arresten van
1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135 en 1136) ten aanzien van onder meer
(i) beleggingstechnische gebreken, (ii) dwaling, (iii) bedrog, (iv) misbruik van omstandigheden en (v) eigen schuld, alles afwegende, onvoldoende gegronde redenen aanwezig geacht om terug te komen op eerdere jurisprudentie. Met die eerdere jurisprudentie doelt het hof in het bijzonder op de hiervoor genoemde richtinggevende arresten van dit hof van 1 december 2009.

3.7

Het onderhavige hoger beroep dient tegen de achtergrond van (onder meer) deze rechtspraak te worden beoordeeld.

Beleggingstechnische gebreken, dwaling en bedrog

3.8

Vaste rechtspraak is dat het beroep op dwaling en bedrog van een afnemer van de producten van Dexia moet worden afgewezen. Uit hetgeen [geïntimeerde] ten aanzien van beleggingstechnische gebreken, dwaling en bedrog naar voren brengt, blijkt niet dat zijn zaak op die punten verschilt van de zaken die in de arresten van dit hof van 1 april 2014 voorlagen. Hetgeen daaromtrent in die arresten is overwogen, geldt ook in onderhavige zaak. Ook overigens heeft [geïntimeerde] geen argumenten aangedragen die in het voorliggende geval tot een ander oordeel kunnen leiden. Grief 1 in incidenteel appel faalt dan ook in zoverre. Het voorgaande leidt er voorts toe dat de primaire vordering van [geïntimeerde] in incidenteel appel zal worden afgewezen.

Aankoop en behoud aandelen

3.9

Verder komt [geïntimeerde] met grief 1 in incidenteel appel nog op tegen het oordeel in het bestreden vonnis dat er onvoldoende reden is om te twijfelen aan de feitelijke verwerving van de effecten door Dexia. [geïntimeerde] stelt dat Dexia de aan hem in huurkoop verkochte aandelen niet heeft aangekocht en behouden en dat Dexia die dus ook niet op zijn naam heeft geadministreerd, wat zij op grond van de geldende regels en de contractuele bepalingen wel had moeten doen. Daarbij stelt hij zich op het standpunt dat aan de beschikking van het hof Amsterdam van 25 januari 2007 (waarin de WCAM-overeenkomst algemeen verbindend werd verklaard) in de onderhavige zaak geen werking toekomt en dat Dexia in de onderhavige procedure geen argumenten kan ontlenen aan het AFM-rapport. Op grond van de hierboven gestelde tekortkomingen aan de zijde van Dexia heeft [geïntimeerde] de leaseovereenkomsten bij memorie van antwoord in principaal appel, memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte tot wijziging van eis ontbonden.

3.10

Dexia heeft het standpunt van [geïntimeerde] bestreden.

3.11

In de WCAM-procedure lag de vraag voor of Dexia op de in de leaseovereenkomsten voorziene wijze ten behoeve van de afnemers aandelen heeft gekocht en behouden. De AFM heeft daar onder leiding van een door dit hof aangewezen raadsheer-commissaris (deskundigen)onderzoek naar verricht. Op basis daarvan is in de WCAM-beschikking vervolgens geoordeeld dat er onvoldoende reden is om de feitelijke verwerving en het daarop volgende behoud door Dexia van de effecten, die onderwerp zijn van de door Dexia gesloten leaseovereenkomsten, in twijfel te trekken. In onder andere de arresten van 29 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1523 en ECLI:NL:GHAMS:2014:1533) die zien op opt out- gevallen is dit hof tot eenzelfde oordeel gekomen. Het in de laatstgenoemde zaak tegen dat oordeel aangevoerde cassatiemiddel is door de Hoge Raad met toepassing van artikel 81 RO afgewezen (HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2822). [geïntimeerde] heeft in het onderhavige geding geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden. Dit leidt tot het oordeel dat grief 1 op dit punt eveneens faalt. Dit betekent dat ook de meer subsidiaire vordering van [geïntimeerde] zal worden afgewezen.

Zorgplicht

3.12

Uit de hiervoor onder het kopje ‘Toetsingskader’ genoemde arresten volgt dat op Dexia als professionele dienstverlener op het terrein van beleggingen in effecten en aanverwante financiële diensten jegens [geïntimeerde] als particuliere persoon met wie zij een leaseovereenkomst zal aangaan een bijzondere zorgplicht rust die ertoe strekt particuliere wederpartijen te beschermen tegen de gevaren van eigen lichtvaardigheid of gebrek aan inzicht. Op Dexia heeft een tweeledige zorgplicht gerust: een verplichting om degene met wie zij een leaseovereenkomst aanging, tevoren indringend en in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen voor het risico dat de verkoopopbrengst van de geleasde effecten bij (tussentijdse) beëindiging van de overeenkomst niet toereikend zou zijn voor de terugbetaling van het geleende bedrag, in welk geval een restschuld zou overblijven, alsmede een verplichting om alvorens de leaseovereenkomst aan te gaan inlichtingen in te winnen over de inkomens- en vermogenspositie van haar beoogde wedepartij teneinde na te gaan of deze naar redelijke verwachting de uit de overeenkomst voorvloeiende financiële verplichtingen zou kunnen dragen. De waarschuwingsplicht met betrekking tot het restschuldrisico en de verplichting inlichtingen in te winnen omtrent inkomen en vermogen van de potentiële particuliere afnemer hebben een algemeen karakter, dat in belangrijke mate is verbonden met de risicovolle aard van het effectenleaseproduct dat aan een breed publiek is aangeboden.

3.13

Dexia onderkent dat zij tekortgeschoten is in de nakoming van voormelde tweeledige zorgplicht. Daarmee staat vast dat Dexia jegens [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. Op grond van vaste jurisprudentie dient Dexia wegens de schending van de zorgplicht twee derde deel van de restschuld als schade aan de afnemer te vergoeden. Een derde deel van de restschuld blijft op grond van aan hem zelf toe te rekenen omstandigheden (eigen schuld) voor rekening van de afnemer. Als de overeenkomst van effectenlease bij het aangaan daarvan naar redelijke verwachting leidde tot een onaanvaardbaar zware financiële last, worden rente, aflossing en kosten volgens dezelfde maatstaf tussen de afnemer en Dexia verdeeld.

3.14 (

(Onder meer) met grief 2 in incidenteel appel stelt [geïntimeerde] zich - kort samengevat weergegeven - op het standpunt dat aan zijn kant geen of in mindere mate medeschuld moet worden aangenomen, althans dat de billijkheidscorrectie moet worden gehanteerd.

3.15

Deze grief faalt. Het hof verwijst in dit verband naar zijn arrest van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135) waarin het hof nogmaals heeft bevestigd dat uit de leaseovereenkomst voldoende duidelijk kenbaar was dat een geldlening werd verstrekt, dat het geleende geld werd belegd in effecten, dat over het geleende bedrag rente moest worden betaald en dat het geleend bedrag moest worden terugbetaald ongeacht de verkoopopbrengst van de effecten. In hetgeen [geïntimeerde] aanvoert wordt geen aanleiding gezien anders te oordelen. [geïntimeerde] heeft geen persoonlijke omstandigheden gesteld die afwijken van die in de genoemde procedures aan de orde waren en die tot een andere afweging zouden kunnen leiden.

Onaanvaardbaar zware financiële last?

3.16

Voor de beoordeling van de vraag of overeenkomsten van effectenlease op afnemers mogelijk een onaanvaardbaar zware financiële last legden heeft het hof in de vier richtinggevende arresten van 1 december 2009 de hofformule ontwikkeld. Het eerder door de kantonrechters ontwikkelde categoriemodel is daarbij niet gevolgd. De Hoge Raad heeft in de arresten van 29 april 2011 ten aanzien van de hofformule onder andere overwogen dat de rechter mag uitgaan van een algemene formule aan de hand waarvan de financiële ruimte van de afnemer wordt getoetst, mits die formule voldoende ruimte laat om ook met individuele omstandigheden van de afnemer rekening te houden.

3.17

Grief I in principaal appel strekt ten betoge dat het bestreden vonnis, dat gebaseerd is op het inmiddels achterhaalde categoriemodel, niet in stand kan blijven. Deze grief slaagt. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het hof de hofformule hanteert. De afnemer dient in verband daarmee gemotiveerd te stellen en bij betwisting te bewijzen dat de verplichtingen uit een leaseovereenkomst tot een onaanvaardbaar zware financiële last voor hem hebben geleid. De factoren die bij de toepassing van de hofformule in het voorliggende geval een rol spelen, worden hierna besproken.

Hofformule

3.18

De hofformule is een vuistregel waarvan de Nibud basisnorm, als een absoluut minimum, een bestanddeel vormt. Daarbij wordt uitgegaan van 110% van de Nibud basisnorm en wordt een opslag toegepast ter grootte van 15% van het verschil tussen de basis norm en het netto inkomen.

Netto maandinkomen (factor X)

3.19

Vaste rechtspraak van het hof is dat ter bepaling van het in aanmerking komende inkomen in beginsel een ‘Biljet van een proces’ of een ander stuk in het geding dient te worden gebracht waaruit het inkomen blijkt in het jaar waarin de betreffende overeenkomsten zijn gesloten. In dit geval is dat het jaar 1998. [geïntimeerde] heeft een overzicht van de Biljetten van een proces over het jaar 1998 overgelegd (productie 4a bij memorie van antwoord in principaal appel, memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte tot wijziging van eis). Daaruit blijkt dat hij in 1998 een bruto loon had van f. 70.597 (ofwel: € 32.035,52) en dat daarvan f. 19.776 (ofwel: € 8.973,96) loonbelasting/premie volksverzekeringen is ingehouden. Zijn netto loon was aldus
(€ 32.035,52 - € 8.973,96 = € 23.061,56 : 12) € 1.921,80 per maand.

3.20

Uit voormeld overzicht van de Biljetten van een proces blijkt dat [geïntimeerde] een gedeelte van het jaar gehuwd was en dat het arbeidsinkomen van de partner in de huwelijkse periode f. 2.780 (ofwel € 1.261,51) bedroeg. Het hof volgt [geïntimeerde] evenwel in zijn betoog (onder meer grief 4 in incidenteel appel) dat hiermee bij de berekening volgens de hofformule geen rekening moet worden gehouden. Op grond van de stellingen van partijen en het door [geïntimeerde] overgelegde GBA-uittreksel (productie 4f bij memorie van antwoord in principaal appel, memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte tot wijziging van eis) gaat het hof ervan uit dat [geïntimeerde] ten tijde van het aangaan van de onderhavige leaseovereenkomsten nog niet was gehuwd. Uit het GBA-uittreksel blijkt namelijk dat het tweede huwelijk van [geïntimeerde] op 20 april 1995 is ontbonden en dat een nieuwe partner in de periode van 18 juni 1998 tot 12 maart 2001 op het adres van [geïntimeerde] stond ingeschreven.

3.21

Voor zover [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat bij de toepassing van de hofformule de procentuele premie Ziekenfondswet in mindering moet worden gebracht op het besteedbaar netto maandinkomen, volgt het hof hem daarin niet. Het hof blijft bij zijn vaste rechtspraak dat binnen de hofformule het netto inkomen bij loonvormende arbeid in beginsel dient te worden bepaald door het brutoloon te verminderen met de ingehouden loonbelasting en premie volksverzekeringen (zie onder andere hof Amsterdam 10 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2830). De Hoge Raad heeft bij arrest van 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2749 (Groeneveld/Dexia) het tegen deze rechtspraak aangevoerde cassatiemiddel verworpen.

Woonlasten (factor W)

3.22

Partijen zijn het erover eens dat de woonlasten van [geïntimeerde] € 295,06 per maand bedragen. Na aftrek van de woonlasten volgens het Nibud, bedraagt factor W van de hofformule derhalve € 145,06 per maand.

Verplichtingen uit de overeenkomst (factor A) en de verplichtingen uit andere overeenkomsten (factor B)

3.23

Ook zijn partijen het eens over de volgende bij factoren A en B in de berekening op te nemen bedragen:

- bij de leaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 1] bedraagt factor A
€ 334,64 en factor B € 111,55;

- bij de leaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 2] bedraagt factor A
€ 111,55 en factor B € 334,64;

- bij de leaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 3] bedraagt factor A
€ 310,61 en factor B € 446,19.

Andere kredieten (factor C) en Vermogen (factor V)

3.24

Er was in het betreffende jaar geen sprake van verplichtingen uit hoofde van andere kredieten. Ook was er in dat jaar geen vermogen.

Bijzondere last (factor D)

3.25

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat nog rekening dient te worden gehouden met een bijzondere last (factor D) van € 567,34 per maand. Dexia heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.26

Als uitgangspunt geldt dat de kosten van kinderopvang niet als bijzondere last in de hofformule worden meegenomen (zie hof Amsterdam 3 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4475). Dit neemt niet weg dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last op grond van het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003) alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte in aanmerking moeten worden genomen. Het is dan aan [geïntimeerde] om zijn stellingen voldoende te concretiseren en te onderbouwen, wat hij heeft nagelaten. [geïntimeerde] noemt slechts het bedrag waarmee volgens hem als bijzondere last rekening moet worden gehouden. Hij legt geen stukken over. Onder 2.3 van de memorie van antwoord in principaal appel, memorie van grieven in incidenteel appel tevens akte tot wijziging van eis stelt hij dat hij maandelijks een bedrag van € 453,78 besteedde aan kosten kinderopvang. Kennelijk bedoelt [geïntimeerde] te stellen dat hiermee bij de berekening volgens de hofformule rekening moet worden gehouden. Het verschil met het hiervoor onder 3.25 genoemde bedrag blijft echter onduidelijk. Daarbij komt dat [geïntimeerde] een fiscale tegemoetkoming heeft gekregen voor de kosten van kinderopvang (zie productie 3 bij memorie van antwoord in incidenteel appel, memorie van grieven in incidenteel appel). Hij licht niet toe of en in hoeverre daarmee rekening is gehouden bij de door hem genoemde bedragen. Bij gebreke van een deugdelijke toelichting en specificatie kunnen de door [geïntimeerde] gestelde kosten voor kinderopvang niet in aanmerking worden genomen.

Nibud basisnorm (factor Y)

3.27

De toepasselijke Nibud-basisnorm (factor Y) bij een huishouden van een alleenstaande ouder met één kind was in 1998 f. 1.535 dat is (afgerond) € 697.

Berekening volgens de hofformule

3.28

Uitgaande van de door het hof vastgestelde bedragen was de bestedingsnorm (Y+(0,1xY)+0,15x(X-Y)) € 950,42 per maand. Het besteedbaar inkomen (X+V-W-A-B-C) was voor de verschillende leaseovereenkomsten respectievelijk € 1.330,55 (voor de leaseovereenkomsten met nummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] ) en € 1.019,94 (voor de leaseovereenkomst met contractnummer [contractnummer 3] ). Elk van deze bedragen is hoger dan de bestedingsnorm van € 950,42. Dit betekent dat de verplichtingen uit de leaseovereenkomsten naar redelijke verwachting geen onaanvaardbaar zware financiële last op [geïntimeerde] legden. Dexia is daarom alleen ter zake van de ontstane restschuld jegens [geïntimeerde] tot schadevergoeding gehouden.

3.29

Zoals hiervoor onder 2.2. is opgenomen, vermeldt de eindafrekening van de leaseovereenkomst met de naam Koersleasen een negatief resultaat van € 6.728,46. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen de in de desbetreffende eindafrekening opgenomen post van € 903,20 wegens ‘achterstallige posten’, zijnde vijf maandtermijnen. [geïntimeerde] had inmiddels vernomen dat Dexia een onrechtmatige daad had begaan door hem verkeerd voor te lichten, door geen rekening te houden met zijn persoonlijke omstandigheden en door hem niet te waarschuwen voor de risico’s. [geïntimeerde] wilde geen betalingen meer verrichten, juist om zijn schade te beperken en ter behartiging van zijn belang. Hetgeen [geïntimeerde] aanvoert, wat daar verder ook van zij, laat onverlet dat [geïntimeerde] , zolang het bedrag van de lening waarmee de aandelen waren aangeschaft niet was afgelost, de maandelijkse rentetermijnen verschuldigd bleef. Het hof ziet in de stellingen van [geïntimeerde] evenmin aanleiding de in voormelde eindafrekening opgenomen post ‘beëindigingskosten’ voor rekening van Dexia te laten komen. Voor het overige heeft [geïntimeerde] de door Dexia berekende restschuld van € 6.728,46 niet weersproken, zodat het hof daarvan uitgaat. Twee derde deel daarvan, zijnde € 4.485,64, komt voor vergoeding in aanmerking, terwijl een derde deel van deze restschuld, zijnde
€ 2.242,82, voor rekening van [geïntimeerde] blijft.

3.30

Vaststaat dat [geïntimeerde] het eerdergenoemde negatieve resultaat van € 6.728,46 niet aan Dexia heeft voldaan (zie eveneens hiervoor onder 2.2). [geïntimeerde] is derhalve gehouden € 2.242,82 aan Dexia te voldoen. Het hof begrijpt de stellingen van Dexia aldus dat hierop een bedrag van € 98,28 aan dividend in mindering kan worden gebracht. Nu [geïntimeerde] daartegen geen verweer heeft gevoerd, volgt het hof Dexia daarin. Dit betekent dat [geïntimeerde] een bedrag van € 2.144,54 aan Dexia moet betalen.

3.31

Dexia vordert in hoger beroep wettelijke rente vanaf 9 juni 2005, de datum van de eindafrekening. Deze ingangsdatum is door [geïntimeerde] niet bestreden, zodat de wettelijke rente vanaf die datum toewijsbaar is.

3.32

Grief III van Dexia inzake de ingangsdatum van de door Dexia verschuldigde rente zoals door de kantonrechter in het eindvonnis (rov. 4.12) bepaald, faalt gezien HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1198.


Slotsom

3.33

Gelet op de uitkomst van de zaak zijn de eerste twee grieven in principaal hoger beroep terecht voorgesteld en faalt de derde grief van Dexia. De vierde grief van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep treft doel, hoewel dat niet leidt tot een ander dictum. De overige grieven in incidenteel hoger beroep falen. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de uit de hofformule voortvloeiende (subsidiaire) vordering van Dexia zal (gedeeltelijk) worden toegewezen, met inachtneming van het voorgaande.

3.34

De primair en meer subsidiair door [geïntimeerde] gevorderde verklaringen voor recht zijn niet toewijsbaar. Hij heeft onvoldoende belang bij toewijzing van de subsidiair door hem gevorderde verklaring voor recht.

3.35

Het aangeboden bewijs, indien bewezen, kan niet tot andere beslissingen in deze zaak leiden, zodat de bewijsaanbiedingen als niet ter zake dienend worden gepasseerd.

3.36

De uitkomst van het hoger beroep betekent dat beide partijen in eerste aanleg deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld. De kosten van de procedure in eerste aanleg zullen daarom tussen partijen worden gecompenseerd. [geïntimeerde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep.

3.37

De door Dexia ingestelde restitutievordering, met 12 november 2008 als ingangsdatum van de wettelijke rente, is door [geïntimeerde] niet bestreden, zodat deze zal worden toegewezen, zoals hierna wordt vermeld.

4 Beslissing

Het hof:

in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] € 2.144,54 aan Dexia te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2005 tot aan de dag van algehele betaling;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan Dexia van hetgeen hij ter uitvoering aan het bestreden vonnis méér van Dexia heeft ontvangen dan hem op grond van dit arrest toekomt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2008 tot aan de dag van algehele terugbetaling;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg aldus, dat iedere partij de eigen kosten daarvan draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Dexia begroot op € 350,71 aan verschotten en € 894 voor salaris en op € 131 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.WM. Tromp, M. Jurgens en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 19 december 2017.