Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5220

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2017
Datum publicatie
28-12-2017
Zaaknummer
23-002166-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

als leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002166-17

datum uitspraak: 14 december 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 15 juni 2017 in de strafzaak onder parketnummer 13-037396-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 november 2017.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 31 oktober 2016 tot en met 22 november 2016 te Amsterdam, althans in Nederland, als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl zij als leerling aan een school, te weten [naam 1] / [naam 2] stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 395a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 31 oktober 2016 tot en met 22 november 2016 te Amsterdam, als jongere die de leeftijd van 12 jaren had bereikt, terwijl zij als leerling aan een school, te weten [naam 1] / [naam 2] stond ingeschreven, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, deze school geregeld te bezoeken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

als leerplichtige jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt de verplichting tot geregeld volgen van onderwijs niet nakomen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kantonrechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde de Maatregel Toezicht en Begeleiding (MTB) uit te voeren door Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA).

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie geheel voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en Toezicht en Begeleiding.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van drie weken schuldig gemaakt aan ongeoorloofd schoolverzuim. Hierdoor heeft zij niet voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 de school waar zij als leerling was ingeschreven geregeld te bezoeken. Deze verplichting heeft als doel om in het belang van een goede en ononderbroken opleiding voor de jongere te trachten schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten te voorkomen.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het de verdachte betreffende rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 27 februari 2017 en het meest recente rapport ‘Update schoolverzuimonderzoek’ van de Raad van 2 november 2017. Hierin adviseert de Raad een deels voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf met als bijzondere voorwaarden het volgen van onderwijs tot het einde van het schooljaar, meewerken aan ingezette hulpverlening en toezicht en begeleiding door JBRA.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [naam 3] namens de Raad naar voren gebracht dat het sinds drie maanden goed gaat met de verdachte, maar dat de Raad zich wel zorgen maakt over haar toekomst omdat zij zich agressief heeft opgesteld in gesprekken met school en twee keer in de crisisopvang is beland. Het is volgens de Raad belangrijk dat de verdachte iemand heeft met wie ze kan praten en wellicht is ook nadere diagnostiek noodzakelijk. De Raad handhaaft haar eerder gegeven advies.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte bepleit geen bijzondere voorwaarden bij een eventuele voorwaardelijke straf op te leggen. De verdediging erkent dat er problemen waren, maar de verdachte en haar familie zouden die zelf hebben opgelost. De weerstand is groot tegen oplegging van bijzondere voorwaarden. Dat is ook de reden van het hoger beroep. Het gaat goed met de verdachte. Ze zit nu in 3 havo op een nieuwe school, haalt goede cijfers – hetgeen zij heeft gestaafd door het overleggen van een cijferlijst – , heeft vrienden en er is geen sprake van verzuim meer. Thuis gaat het ook goed hetgeen door de moeder van de verdachte ter terechtzitting is onderschreven.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof zal daaraan een proeftijd van één jaar verbinden. Het hof is met de verdediging van oordeel dat het stellen van bijzondere voorwaarden, zoals opgelegd door de kantonrechter en gevorderd door de advocaat-generaal, geen meerwaarde heeft. De verdachte heeft haar schoolgang hervat op een nieuwe school en dat verloopt volgens mededeling van de verdachte goed. De nieuwe school heeft tegenover de Raad ook geen zorgen over de verdachte kenbaar gemaakt. Er is het hof ook voor het overige niet gebleken van zorgelijke omstandigheden die begeleiding in een gedwongen kader noodzakelijk maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y en 77z van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 december 2017.

Mr. Hes- Bakkeren is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]