Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5198

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-12-2017
Datum publicatie
27-12-2017
Zaaknummer
23-004725-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal. Bewijsoverweging. Van een verklaring in woord of geschrift en blijk gevende van die vermeende toestemming is door of namens de verdachte niet gebleken. Enigszins hogere straf in vergelijking met de medeverdachte gelet op leidende rol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-004725-16

Datum uitspraak: 15 december 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 december 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-113134-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres]

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 1 december 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, ten laste gelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 20 januari 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ijzeren archiefkast en/of 29, althans een of meer ijzeren schapdragers en/of een ijzeren ophangrek en/of 3, althans een of meer ijzeren uitvouwmanden en/of 3, althans een of meer displaywagens en/of een ijzeren voet van een lessenaar en/of een stortbak en/of 5, althans een of meer ijzeren vouwkratten en/of een ijzeren onderstel van een container, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] (filiaal [naam]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de verdachte van het ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Daartoe is - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de goederen tezamen met medeverdachte [medeverdachte] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen.

Het hof verwerpt het verweer en neemt hierbij het volgende in aanmerking:

  • -

    namens de benadeelde [slachtoffer 1], eigenaresse van [bedrijf], is op 31 maart 2015 aangifte gedaan, waarbij aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de benadeelde op opnamen van het beveiligingssysteem van Jumbo de diefstal ziet gebeuren en dat op de beelden is te zien dat er twee mannen goederen aan het inladen zijn in de aanhangwagen van een terreinwagen van het merk Hyundai, type Galoppe;

  • -

    het opslagterrein achter de Etos, waar voor diverse winkels goederen worden geleverd en spullen zijn opgeslagen, is afgesloten door middel van een hek en is enkel te bereiken door het hek te openen. Op de bewakingsbeelden is te zien dat het hek door de verdachte en de medeverdachte wordt geopend;

  • -

    op stills van de bewakingsbeelden die zich in het dossier bevinden is te zien dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] (zij herkennen zichzelf op de beelden) diverse goederen, vanaf het achterterrein bij de Etos, op de aanhangwagen achter de terreinauto leggen;

  • -

    uit niets blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachte vaker op dit achterterrein zijn geweest voor het ophalen van oud-ijzer. Er is nader onderzoek ingesteld bij de winkeliers die genoemd terrein gezamenlijk gebruiken. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 19 mei 2015 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (PL1300-2015037476-11), blijkt dat geen van de winkeliers, gevestigd aan dit deel van de [naam], ooit contact heeft gehad met een oud-ijzerhandelaar, laat staan toestemming gegeven om spullen van het achterterrein weg te halen;

  • -

    op 20 januari 2015 hebben de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] niemand van de gebruikers van het gemeenschappelijke achterterrein gesproken met betrekking tot het ophalen van het oud-ijzer (dit blijkt uit de verklaring van de verdachte in hoger beroep);

  • -

    blijkens de bewakingsbeelden waren de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in slechts acht minuten klaar met het inladen van de goederen.

In samenhang bezien leiden deze feiten en omstandigheden het hof tot de conclusie dat de stelling van de verdachte dat hij toestemming had (gekregen) om van dit achterterrein spullen in zijn aanhangwagen te laden en vervolgens af te voeren, niet aannemelijk is geworden. Van een verklaring in woord of geschrift en blijk gevende van die vermeende toestemming is door of namens de verdachte niet gebleken. De aangifte die namens [bedrijf] is gedaan en de verklaringen die door de winkeliers zijn afgelegd, wijzen juist op het tegendeel. Het tot vrijspraak strekkende verweer dient dan ook te worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 20 januari 2015 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ijzeren archiefkast en 29 ijzeren schapdragers en een ijzeren ophangrek en 3 ijzeren uitvouwmanden en 3 displaywagens en een ijzeren voet van een lessenaar en een stortbak en 5 ijzeren vouwkratten en een ijzeren onderstel van een container toebehorende aan [bedrijf] (filiaal [naam]).

Hetgeen onder 1 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich op 20 januari 2015 tezamen met zijn mededader schuldig gemaakt aan diefstal van meerdere goederen, zijnde ijzerwaren, toebehorende aan [bedrijf]. Daarbij hebben zij het met een hekwerk afgesloten opslagterrein van verschillende winkels betreden en hebben zij de ijzerwaren op een aanhanger geladen alvorens ermee weg te rijden. Door zo te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de betreffende winkelier. Een feit als het onderhavige is een hinderlijk feit dat doorgaans onrustgevoelens en financiële schade voor de slachtoffers veroorzaakt.

Het hof stelt vast dat de verdachte – in vergelijking met de medeverdachte – een meer leidende rol heeft gehad bij het begaan van de bewezen verklaarde diefstal. Derhalve komt het hof, evenals de advocaat-generaal, tot een hogere straf dan door de politierechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij Etos

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.313,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.006,50. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden en acht een schadevergoeding op zijn plaats. Met betrekking tot de ontvreemde ijzerwaren, waarvan de vervangingswaarde door de benadeelde partij is opgegeven, maakt het hof gebruik van de bevoegdheid de werkelijk geleden schade te schatten en komt zo tot het bedrag van € 1.006,50. Op het punt van de werkzaamheden door de zaakwaarnemer heeft de verdediging geen verweer gevoerd, zodat dit onderdeel van de vordering voor toewijzing gereed ligt. Aldus komt het hof tot een totaal schadebedrag van € 1.306,50. Het totaal toe te wijzen bedrag is, zoals gevorderd, exclusief BTW. De verdachte is hoofdelijk met de medeverdachte tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is in zoverre niet tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor het overige zal worden afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.306,50 (éénduizend driehonderdzes euro en vijftig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf], ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.306,50 (éénduizend driehonderdzes euro en vijftig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. P.F.E. Geerlings en mr. A.M. Ruige, in tegenwoordigheid van T. van den Honert, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 15 december 2017.