Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5176

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2017
Datum publicatie
20-12-2017
Zaaknummer
K16-0493
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Het hof acht, op grond van de verklaringen van verbalisanten (beklaagden), aannemelijk dat klager zich recalcitrant gedroeg en niet wilde meewerken met de politie, ook niet nadat hem was gezegd dat hij was aangehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

BEKLAGKAMER

Beschikking op het beklag met het rekestnummer K16/0493 van

[klager] ,

wonende te Amsterdam,

klager,

advocaat: mr. D.M. Rupert te Amsterdam.

1 Het beklag

Het klaagschrift is op 7 november 2016 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam om geen strafvervolging in te stellen tegen de politieagenten [beklaagde 1] en [beklaagde 2] , ter zake van (poging tot zware) mishandeling.

2 Het verslag van de advocaat-generaal

Bij verslag van 28 juni 2017 heeft de advocaat-generaal het hof in overweging gegeven het beklag af te wijzen.

3 De voorhanden stukken

Het hof heeft kennisgenomen van:

- het klaagschrift en de aanvulling daarop;

- het verslag van de advocaat-generaal;

- de in deze zaak door de politie opgemaakte processen-verbaal;

- drie filmpjes van omstanders, na de aangifte door klager aan de politie verstuurd;

- De op 5 december 2016 ingekomen brief van de advocaat van klager, met bijlagen;

- het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Amsterdam van 12 april 2017.

4 De behandeling in raadkamer

Het hof heeft klager in de gelegenheid gesteld op 22 november 2017 het beklag toe te lichten. Klager is, bijgestaan door zijn advocaat, in raadkamer verschenen en heeft het beklag toegelicht en gehandhaafd.

Voorts heeft het hof beklaagden in de gelegenheid gesteld op 22 november 2017 te worden gehoord. Beklaagde [beklaagde 2] is in raadkamer verschenen, daarbij bijgestaan door zijn advocaat mr. K.L. Meijering, advocaat te Amersfoort, en heeft het hof verzocht de klacht af te wijzen

Vervolgens is beklaagde [beklaagde 1] in raadkamer verschenen, daarbij bijgestaan door mr. E.A.M. Mannheims, advocaat te Amsterdam, en heeft het hof verzocht de klacht af te wijzen.

De advocaat-generaal is bij de behandelingen in raadkamer aanwezig geweest. In hetgeen in raadkamer naar voren is gekomen heeft hij geen aanleiding gevonden de conclusie in het verslag te herzien.

5 De beoordeling van het beklag

Feitelijke uitgangspunten die van belang zijn voor de beoordeling

Op 5 mei 2016 hield [beklaagde 1] klager staande in verband met de verdenking van verkeersovertredingen. Samen met [beklaagde 2] hield hij klager vervolgens aan wegens het niet voldoen aan de identificatieplicht. Omdat klager zich verzette brachten zij klager naar de grond en legden hem, toen hij op de buik lag, handboeien aan. Terwijl klager daar lag, bracht [beklaagde 2] (die stond) op enig moment zijn geschoeide voet tegen de motorhelm die klager op zijn hoofd droeg. [beklaagde 2] zat daarna nog enkele seconden met een knie op de helm/nek/schouder van klager.

In het dossier bevinden zich filmpjes die door omstanders zijn gemaakt van de aanhouding.

Klager heeft later die dag de Spoedeisende Hulp bezocht met pijn aan de linkerarm en schouder; een contusie (kneuzing) van de arm werd gediagnosticeerd.

De klacht

Klager betwist verkeersovertredingen te hebben begaan en stelt dat hij wel degelijk een identiteitsbewijs wilde tonen; hij bestrijdt dat geweld nodig was bij de aanhouding. Hij kwam pijnlijk op zijn linkerschouder en -elleboog terecht toen hij naar de grond werd gewerkt en probeerde zich daarom op zijn rug te draaien. [beklaagde 2] heeft hem toen driemaal een knietje op de borstkas gegeven. Klager had bovendien liggend op de grond last van zijn helm, hij had pijn en kreeg niet genoeg lucht, maar ondanks dat hij dat meldde heeft [beklaagde 2] de helm niet afgedaan. Integendeel: [beklaagde 2] gaf een trap tegen de helm. Als gevolg van de geweldshandelingen van beklaagden is klagers arm uit de kom geschoten en flink gekneusd. Klager heeft hierdoor een tijdlang niet kunnen werken en had veel pijn tijdens het slapen.

Klager wenst de vervolging van beklaagden voor het toegepaste geweld; knietjes geven op de borstkas en trappen tegen het hoofd levert voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel op, want in de nabijheid bevinden zich vitale organen en kwetsbare onderdelen van het lichaam/hoofd.

Toetsingskader

Het hof heeft te beoordelen of de strafrechter die over deze zaak zou moeten oordelen – al dan niet na nader onderzoek – zou kunnen komen tot een veroordeling voor enig strafbaar feit. Daarnaast moet het hof beoordelen of er, gelet op alle omstandigheden, voldoende belang is bij het alsnog instellen van strafrechtelijke vervolging. Indien het antwoord op beide vragen bevestigend luidt, zal een bevel tot vervolging worden gegeven.

Het beklag heeft betrekking op geweldstoepassing door politieagenten. Daarbij is het volgende van belang. Politieambtenaren zijn in de rechtmatige uitoefening van hun bediening – indien noodzakelijk – bevoegd tot toepassing van (gepast) geweld. Buiten deze grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit zou – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – geweldstoepassing door overheidsdienaren als misdrijf gekwalificeerd kunnen worden en als zodanig strafbaarheid van de betrokken ambtenaar tot gevolg kunnen hebben.

Het (strafrechtelijk) onderzoek naar overheidsoptreden zal zich in die gevallen met name hebben te richten op de vraag of geweldstoepassing noodzakelijk, adequaat en proportioneel is geweest.

Het met betrekking tot de rechtmatigheid van belang zijnde toetsingskader wordt (buiten de verdere strafrechtelijke en mensenrechtelijke regels) gevonden in de Politiewet 2012, de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (in het bijzonder: artikel 1) en het rapport “Verantwoord politiegeweld” van de Nationale ombudsman.

Overwegingen met betrekking tot de bewijsbaarheid van de geweldshandelingen

Het beklag betreft de volgende geweldshandelingen:

(a) het naar de grond werken;

(b) knietjes op de borstkas;

(c) trap tegen de helm.

Betrokkenen zijn het erover eens dat beklaagden klager naar de grond hebben gewerkt, maar verklaren verschillend over de overige handelingen.

Ad (a) Met betrekking tot het door klager gestelde letsel als gevolg van het naar de grond werken, overweegt het hof als volgt.

Het hof gaat er vanuit dat klager zodanig terechtkwam dat hij daarbij de kort na het voorval gediagnosticeerde kneuzing aan zijn arm heeft opgelopen.

Klagers stelling dat sprake zou zijn van zwaarder letsel is slechts onderbouwd met stukken van de Arbodienst waarin als reden van de ziekmelding (vanaf oktober 2016) van klager bij zijn werkgever is vermeld: toenemende klachten van de linkerhand/arm/schouder die verband zouden kunnen houden met de functiebelasting (lopen, staan bukken, tillen duwen, trekken, repeterende bewegingen, kracht zetten, lopende band). Dit is onvoldoende om causaal verband met het voorval van 5 mei 2016 vast te kunnen stellen. Dit geldt te sterker nu uit de medische verklaring van 5 mei 2016 naar voren komt dat klager in 2002 aan de linkerarm letsel had opgelopen met blijvende beperkingen tot gevolg.

Ad (b) Volgens [beklaagde 1] was er geen sprake van knietjes; [beklaagde 2] heeft verklaard dat hij meent bij het onder controle brengen van klager nog met zijn knie op diens rug of schouder te hebben gezeten. Een omstander heeft het in zijn schriftelijke verklaring over knietjes die [beklaagde 2] in klagers borstkas gaf nadat deze op de grond was gekomen. Beelden van deze fase van de aanhouding zijn er niet.

Hoewel niet valt uit te sluiten dat nader onderzoek (het horen van getuigen) voldoende bewijs zou kunnen opleveren dat [beklaagde 2] zijn knie tegen de borstkas van beklaagde heeft gebracht, is het naar het oordeel van het hof zeer onwaarschijnlijk (ook al omdat geen letsel aan de borstkas is geconstateerd) dat de strafrechter tot het oordeel zou komen dat dit zodanig hard gebeurde dat daardoor de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontstond.

Ad (c) Volgens beide beklaagden maakte [beklaagde 2] met zijn voet een duwende beweging tegen de helm van klager, niet om klager pijn te doen maar om hem rustig te krijgen. [beklaagde 2] heeft verklaard hierbij zijn evenwicht te hebben verloren en op klager te zijn gevallen. Klager heeft niet gezien wat [beklaagde 2] deed, maar had het gevoel een knietje tegen het hoofd te krijgen. De door omstanders gemaakte beelden geven naar het oordeel van het hof geen steun aan de schriftelijke verklaringen van omstanders die menen een trapbeweging te hebben gezien; uit de beelden valt niet af te leiden dat [beklaagde 2] zijn

voet met kracht tegen de helm heeft gebracht. De beelden geven daarmee naar het oordeel van het hof wel steun aan de verklaringen van beklaagden. Gezien die beelden is het zeer onwaarschijnlijk dat de strafrechter tot het oordeel zou komen dat [beklaagde 2] klager zodanig hard tegen de helm heeft getrapt dat daardoor de aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel ontstond. Bij die stand van zaken zou de strafrechter niet tot een bewezenverklaring van mishandeling of poging tot zware mishandeling kunnen komen.

Overwegingen met betrekking tot de rechtmatigheid van de geweldstoepassing en het belang bij vervolging

Uit een uitspraak van de bestuursrechter met betrekking tot verkeersgedrag van klager voor zijn aanhouding, blijkt, dat de rechter van oordeel was dat klager door rood licht heeft gereden. De enkele ontkenning daarvan door klager geeft het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van beklaagden, dat sprake was van verkeersovertredingen die de staandehouding van klager rechtvaardigden. Datzelfde geldt voor de verklaring van [beklaagde 1] , dat klager zich niet wilde of kon identificeren, hetgeen reden was voor de aanhouding van klager. Dat op het politiebureau uiteindelijk een identiteitsbewijs door klager is getoond, doet hieraan niet af.

Het hof acht, op grond van de verklaringen van verbalisanten [beklaagde 1] en [beklaagde 2] , aannemelijk dat klager zich recalcitrant gedroeg en niet wilde meewerken met de politie, ook niet nadat hem was gezegd dat hij was aangehouden. Klager zwaaide bij de aanhouding met zijn armen, zo blijkt uit de verklaring van [beklaagde 2] . [beklaagde 1] heeft verklaard dat hij klager gecontroleerd naar de grond heeft begeleid en hem op zijn buik heeft neergelegd en hem daarna direct gefixeerd heeft. Dat de strafrechter op dit punt tot een veroordeling van beklaagden zou kunnen komen is daarom geenszins te verwachten.

Tegen de achtergrond van het hiervoor weergegeven toetsingskader is naar het oordeel van het hof aannemelijk dat dit naar de grond werken door beklaagden noodzakelijk, adequaat en proportioneel was.

Met betrekking tot de overige geweldshandelingen van [beklaagde 2] overweegt het hof dat uit niets blijkt dat [beklaagde 2] het opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn of letsel, maar slechts op het onder controle krijgen en houden van een recalcitrante aangehouden verdachte. Dat het handelen van [beklaagde 2] als onvoldoende professioneel kan worden beoordeeld, in elk geval waar het het drukken met de voet op de helm van klager betreft, valt te betreuren. [beklaagde 2] is (mede) daarvoor echter disciplinair bestraft. Nu noch de handeling met de voet, noch de eventuele knietjes tot enig letsel bij klager hebben geleid, bestaat naar het oordeel van het hof onvoldoende algemeen belang om daarnaast nog – voor zover daarvoor al voldoende bewijs bijeen zou worden gebracht – een strafvervolging wegens mishandeling te rechtvaardigen.

Het hof is dan ook van oordeel dat er ten aanzien van beide beklaagden goede redenen zijn om in deze zaak geen vervolging te gelasten. Het beklag is ongegrond.

6 De beslissing

Het hof wijst het beklag af.

Deze beschikking, waartegen voor betrokkenen geen rechtsmiddel openstaat, is gegeven op

14 december 2017 door mrs. P.C. Kortenhorst, voorzitter, M.J.G.B. Heutink en N. van der Wijngaart, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. O. Boekraad, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.