Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5166

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-12-2017
Datum publicatie
19-12-2017
Zaaknummer
200.213.241/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gezag van gewijsde van een eerder tussen partijen over dezelfde vorderingen gewezen vonnis en het feit dat de vorderingen vallen onder de met een schone lei geëindigde wettelijke schuldsaneringsregeling van de debiteur en daarom niet meer afdwingbaar zijn leiden tot het alsnog afwijzen van de vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.213.241/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland: C/15/228799 / HA ZA 15-455

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 december 2017

inzake:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. J. Veninga te Koog aan de Zaan,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in principaal appel,

advocaat: mr. K.O. Valentien te Almere.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Partijen worden in het hiernavolgende [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.2

Bij dagvaarding van 30 maart 2017 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het op 4 januari 2017 door de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, uitgesproken vonnis (hierna: het vonnis), onder voormeld zaaknummer gewezen tussen hem als (oorspronkelijk) gedaagde, eiser in het verzet, en [geïntimeerde] als (oorspronkelijk) eiseres, gedaagde in het verzet. De dagvaarding bevat de grieven.

1.3

[appellant] heeft in essentie zes grieven tegen het vonnis aangevoerd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd het vonnis te vernietigen en - bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest - de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog integraal af te wijzen en haar te veroordelen tot terugbetaling - binnen 7 dagen na het ten deze te wijzen arrest - van al hetgeen zij uit hoofde van het vonnis eventueel bij hem heeft geïnd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van voldoening van de desbetreffende bedragen en tot betaling van de kosten van de procedure in beide instanties.

1.4

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord, tevens houdende wijziging van zowel de grondslag van de vordering als de vordering tevens incidenteel appel, de grieven van [appellant] bestreden en harerzijds in incidenteel appel vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, voor zover niet in incidenteel appel bestreden, en tot veroordeling van [appellant] tot betaling van (naast de in het vonnis toegekende bedragen) € 4.887,68, € 23.129,76, € 1.223,12 en

€ 500,- , alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2015, en de – maar het hof begrijpt - kosten van de procedure in principaal en incidenteel appel.

1.5

[appellant] heeft bij memorie in incidenteel appel de grieven van [geïntimeerde] bestreden.

1.6

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Beoordeling

2.1

Het gaat in deze zaak, voor zover in appel van belang, om het volgende. [geïntimeerde] heeft in de jaren 2003, 2004 en 2005 zes telefoonabonnementen afgesloten op naam van zijn moeder, [appellant] , drie bij T-Mobile en drie bij Telfort. De rekeningen van de respectieve providers zijn in ieder geval gedeeltelijk onbetaald gebleven. Tegen [geïntimeerde] zijn ter zake van onbetaald gebleven telefoonkosten (verstek)vonnissen gewezen, ter executie waarvan in 2005 door Telfort executoriaal derdenbeslag ten laste van [geïntimeerde] is gelegd onder de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Tussen mei 2005 en november 2013 heeft de SVB € 20.482,02 ingehouden op de AOW uitkering van [geïntimeerde] .

2.2

Stellende dat [appellant] wanprestatie heeft gepleegd ten aanzien van het op 25 maart 2003 door hem op haar naam afgesloten telefoonabonnement (door zijn verplichting de daaraan verbonden kosten te betalen niet na te komen) en onrechtmatig heeft gehandeld ten aanzien van op 7 juni 2003, 25 november 2003, 10 januari 2004, 9 april 2005 en 18 april 2005 op naam van [geïntimeerde] afgesloten telefoonabonnementen (waarbij zij tot het afsluiten van de vijf laatstgenoemde telefoonabonnementen geen toestemming heeft gegeven), heeft [geïntimeerde] in de inleidende dagvaarding gevorderd voor recht te verklaren dat [appellant] wanprestatie heeft gepleegd met betrekking tot het telefoonabonnement afgesloten op 25 maart 2003 en onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld met betrekking tot de vijf overige telefoonabonnementen en [appellant] te veroordelen tot betaling van € 28.007,44 ter zake van schadevergoeding, te vermeerderen met rente en alsmede € 12.169,69 en € 500,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Nadat tegen [appellant] verstek was verleend, heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] bij verstekvonnis van 20 mei 2015 toegewezen tot een bedrag van € 40.177,13 ter zake van schadevergoeding. De vorderingen voor recht te verklaren dat [appellant] wanprestatie heeft gepleegd respectievelijk onrechtmatig heeft gehandeld zijn afgewezen bij gebrek aan belang. [appellant] is in verzet gekomen, waarna de rechtbank bij het vonnis het verstekvonnis heeft vernietigd en voor recht heeft verklaard dat [appellant] met het afsluiten van de vijf laatstgenoemde telefoonabonnementen onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en [appellant] heeft veroordeeld tot het betalen van € 20.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 april 2015 ter zake van schadevergoeding. [appellant] is voorts veroordeeld in de kosten van de verstek- en de verzetprocedure. Tegen deze beslissingen en de gronden waarop deze berusten, richten zich de grieven in principaal en incidenteel appel.

2.3

Het hof ziet aanleiding eerst de grieven 2 en 3 in principaal appel te behandelen omdat deze de meest vergaande strekking hebben. De grieven klagen er over dat de rechtbank de verweren van [appellant] dat een eerder tussen partijen op 22 oktober 2014 door de rechtbank Midden-Nederland gewezen vonnis over dezelfde vorderingen zich er tegen verzet dat [geïntimeerde] de onderhavige vorderingen opnieuw aan een rechter voorlegt (grief 2) en dat de vorderingen niet meer in rechte afdwingbaar zijn nu [appellant] bij vonnis van 17 maart 2009 een zogenoemde schone lei is verleend nadat hij op 14 maart 2006 was toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, die ook voor de onderhavige vorderingen werkte (grief 3), niet heeft gehonoreerd.

2.4

Bij zijn conclusie van repliek in oppositie heeft [appellant] een kopie in het geding gebracht van het op 22 oktober 2014 door de rechtbank Midden-Nederland onder zaaknummer C/16/373195/ HL ZA 14-213 tussen partijen gewezen vonnis, waarbij volgens [appellant] dezelfde vorderingen van [geïntimeerde] , die in de onderhavige procedure aan de orde zijn, zijn afgewezen. Hij voert aan dat dit vonnis tussen partijen kracht (hof: bedoeld zal zijn gezag) van gewijsde heeft, zodat dezelfde vorderingen van [geïntimeerde] die in de onderhavige procedure opnieuw zijn ingesteld, afgewezen hadden moeten worden. [appellant] stelt voorts dat de rechtbank zijn verweer dat de onderhavige vorderingen niet meer afdwingbaar zijn omdat hij bij vonnis van 17 maart 2009 een zogenoemde schone lei heeft gekregen nadat op hem op 14 maart 2006 de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing was verklaard, heeft verworpen. Die schuldsaneringsregeling werkte voor de onderhavige vorderingen, die op 14 maart 2006 reeds bestonden. [appellant] betwist, naar aanleiding van de hierna weer te geven overweging van de rechtbank op dit punt, dat van hem verlangd kan worden dat hij aantoont dat [geïntimeerde] haar vorderingen destijds bij de bewindvoerder heeft aangemeld. Op grond van artikel 358 Fw heeft de schone lei tot gevolg dat vóór de schuldsanering ontstane vorderingen niet meer afdwingbaar zijn, ook in het geval dat de schuldeiser zijn vordering niet bij de bewindvoerder heeft aangemeld, aldus [appellant] .

2.5

In het door [appellant] bedoelde vonnis van 22 oktober 2014 wordt ten aanzien van dezelfde telefoonabonnementen die in deze procedure aan de orde zijn onder 2.2 –het volgende overwogen:

“2.2. [geïntimeerde] heeft betaling door [appellant] gevorderd van € 28.007,34 op grond van door [appellant] jegens haar gepleegd onrechtmatig handelen. [geïntimeerde] heeft op 25 maart 2003 ten behoeve van [appellant] een telefoonabonnement afgesloten bij T-Mobile. Tussen partijen is afgesproken dat [appellant] de facturen zelf en rechtstreeks aan T-Mobile zou voldoen. [appellant] heeft daarna, zonder toestemming of zelfs wetenschap van [geïntimeerde] op naam van [geïntimeerde] maar voor eigen gebruik nog verschillende telefoonabonnementen afgesloten bij T-Mobile en Telfort. [appellant] is vervolgens tekortgeschoten in de betalingsverplichtingen uit hoofde van de telefoonabonnementen, waarna T-Mobile en later ook Telfort incassoprocedures zijn gestart tegen [geïntimeerde] . De abonnementen stonden immers op haar naam. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de navolgende (verstek)vonnissen van de kantonrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad, waarbij [geïntimeerde] is veroordeeld tot betaling van het gevorderde:

- 13 oktober 2004, met betrekking tot het op 25 maart 2003 bij T-Mobile afgesloten

abonnement,

- 13 oktober 2004, met betrekking tot het op 7 juni 2003 bij T-Mobile afgesloten

abonnement,

- 13 oktober 2004, met betrekking tot het op 25 november 2003 bij T-Mobile afgesloten

abonnement,

- 9 februari 2005, met betrekking tot het op 10 januari 2004 bij Telfort afgesloten

abonnement,

- 16 februari 201 1, met betrekking tot het op 9 april 2005 bij Telfort afgesloten abonnement,

- 16 februari 2011, met betrekking tot het op 18 april 2005 bij Telfort afgesloten

Abonnement”

Overweging 2.6 van het betreffende vonnis luidt::

Verder zijn alle telefoonabonnementen waarover deze procedure gaat, afgesloten in de periode voorafgaand aan de schuldsanering. Vier van de zes vonnissen met betrekking tot deze abonnementen zijn voorafgaand aan de schuldsanering de schuldsanering betekend aan [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft zelf gesteld dat haar ‘schuldvordering’ is meegenomen op de lijst van erkende crediteuren in de schuldsanering. Deze ‘schuldvordering’ is na verlening van de schone lei aan [appellant] niet langer afdwingbaar. Voor zover de onderhavige vordering onderdeel uitmaakt van de ‘schuldvordering’ van [geïntimeerde] die op de lijst van erkende crediteuren staat, is deze niet toewijsbaar. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is voor de rechtbank niet te achterhalen of daarvan sprake is en zo ja, welk deel van de vordering hierin valt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [geïntimeerde] niet voldaan aan haar stelplicht. Hetgeen zij heeft gesteld, kan haar vordering niet dragen en de vordering zal worden afgewezen.”

2.6

Naar aanleiding van het beroep van [appellant] op het gezag van gewijsde in voormeld vonnis en zijn verweer dat de vorderingen niet meer afdwingbaar zijn omdat ze in de schuldsanering vielen, heeft de rechtbank in het (thans bestreden) vonnis onder 4.7 overwogen:

“Voorts geldt dat de rechtbank Midden-Nederland weliswaar al eerder naar aanleiding van de in 2014 uitgebrachte dagvaarding over een gelijkluidende vordering heeft geoordeeld, maar dat betrof een bij verstek uitgesproken oordeel. In de onderhavige procedure zijn nadere feiten aan de vordering ten grondslag gelegd, die de rechter destijds niet bekend waren. Die feiten komen erop neer dat [appellant] enigerlei vordering destijds bij de bewindvoerder heeft aangemeld en dat de bewindvoerder [geïntimeerde] daarover heeft aangeschreven. [geïntimeerde] stelt dat zij niet heeft begrepen waarover het ging en vanuit dat onbegrip niet heeft gereageerd. Bij die stand van zaken had het op de weg van [appellant] gelegen om stukken in het geding te brengen waaruit kan volgen dat de vorderingen die [geïntimeerde] in het onderhavige geding geldend wenst te maken door haar destijds bij de bewindvoerder zijn gemeld en dat deze op de lijst van erkende schuldvordering (zijn) geplaatst.”

2.7

De rechtbank heeft het beroep van [appellant] op het gezag van gewijsde van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland ten onrechte niet gehonoreerd.

Artikel 236 lid 1 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekkingen in geschil betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen partijen bindende kracht hebben. In meergenoemd vonnis van de rechtbank Midden-Nederland is geoordeeld over dezelfde rechtsbetrekking tussen partijen die in de onderhavige procedure aan de orde is, te weten de vraag of [appellant] met het afsluiten van de zes in beide vonnissen genoemde telefoonabonnementen op naam Van [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. In feite wordt dezelfde vordering in de onderhavige procedure opnieuw ingesteld. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] destijds van het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland in appel is gegaan. Dat vonnis is dus door het ongebruikt verstrijken van de appeltermijn in kracht van gewijsde gegaan en heeft op grond van artikel 236 Rv bindende kracht tussen partijen.

Het feit dat het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland een verstekvonnis betreft impliceert, anders dan de rechtbank lijkt te suggereren, niet dat artikel 236 Rv toepassing mist. Ook een verstekvonnis kan een beslissing inhouden over een geschil tussen partijen en ook een bij een verstekvonnis afgewezen vordering kan niet opnieuw in een nieuwe procedure worden ingesteld, ook niet als er, zoals de rechtbank heeft overwogen, “nadere feiten aan de vordering ten grondslag (worden) gelegd, die de rechter destijds niet bekend waren”.

2.8

Anders dan [geïntimeerde] in haar reactie op grief 3 heeft gesteld, zijn de onderhavige vorderingen niet pas in 2013 ontstaan omdat zij toen pas bekend was met het feit dat [appellant] schadeplichtig jegens haar was wegens de onrechtmatig door hem afgesloten telefoonabonnementen. Haar vorderingen zijn ontstaan op de momenten waarop [appellant] onrechtmatig jegens haar handelde door in 2003, 2004 en 2005 zonder haar toezegging abonnementen op haar naam af te sluiten en op de momenten (in 2003, 2004 en 2005, het betrof een tweejarig abonnement) dat [appellant] zijn verplichtingen de daaraan verbonden kosten te voldoen ter zake van het ene in 2003 met medeweten van [geïntimeerde] afgesloten telefoonabonnement niet nakwam. Dat [geïntimeerde] zich mogelijk eerst in 2013 realiseerde dat zij een vordering op [appellant] had, doet daaraan niet af. Op grond van artikel 299 lid 1 onder a Fw werkte de schuldsanering dus voor de onderhavige vorderingen. Dat betekent dat die vorderingen, anders dan de rechtbank heeft overwogen, sinds 17 maart 2009, de datum dat [appellant] een schone lei kreeg, niet meer afdwingbaar zijn, zoals artikel 358 lid 1 Fw bepaalt, onverschillig of [geïntimeerde] al dan niet in de schuldsaneringsregeling is opgekomen en onverschillig of de vorderingen al dan niet zijn geverifieerd.

2.9

Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat de grieven 2 en 3 slagen en dat het vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zullen worden afgewezen. Bij deze stand van zaken heeft [appellant] geen belang bij behandeling van de overige grieven in principaal appel en behoeven de grieven in incidenteel appel evenmin behandeling. Zij strekken immers tot toewijzing van dat gedeelte van de vorderingen van [geïntimeerde] , dat bij het vonnis is afgewezen. Daarvan kan, gezien het vooroverwogene, geen sprake zijn.

2.10

De vordering van [appellant] [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen hij krachtens het vonnis heeft betaald, is bij gebreke van specifiek verweer toewijsbaar met dien verstande dat [geïntimeerde] niet veroordeeld zal worden binnen 7 dagen na het ten deze te wijzen arrest te betalen. [appellant] heeft bij dit gedeelte van zijn vordering geen belang nu dit arrest uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard en [geïntimeerde] - overeenkomstig de desbetreffende vordering van [appellant] - veroordeeld wordt wettelijke rente te betalen vanaf de dag dat hij betalingen krachtens het vonnis heeft gedaan.

2.11

Het hof ziet in het feit dat partijen bloedverwanten in de rechte lijn zijn aanleiding de kosten van de procedure in beide instanties op de voet van het bepaalde in artikel 237 lid 1 Rv te compenseren, in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] om hetgeen [appellant] uit hoofde van het vonnis heeft betaald aan hem terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling(en);

verklaart deze (terug)betalingsveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure draagt, zowel in eerste aanleg als in appel.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, A.M.A. Verscheure en G.C. Boot en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 december 2017.