Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5140

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
23-004834-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vrijspraak artikel 6 WVW, veroordeling artikel 5 WVW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004834-16

datum uitspraak: 13 december 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-679006-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 november 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij:

primair:

op of omstreeks 28 oktober 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto, daarmee rijdende over de [locatie 1] en/of de kruising van de [locatie 1] met de [locatie 2], zich zodanig, te weten zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor aan een ander, zijnde [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een forse kneuzing van de linkerlong en een minimale klaplong en bloed/vocht in de wand van de aortaboog en een wond aan het voorhoofd in de vorm van een lap/flap en een bloeding in de macula van het rechteroog en een verstuiking van enkel en knie rechts, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

  • -

    verdachte heeft achteruit gereden over de busbaan van de [locatie 1], komende uit de richting van Beneluxlaan en gaande in de richting van de [locatie 2],

  • -

    terwijl verdachte geen ontheffing had om op de busbaan te staan en/of te rijden en/of

  • -

    terwijl verdachtes zicht naar achteren (ernstig) werd belemmerd door een in de laadbak van de door verdachte bestuurde bedrijfsauto aanwezig (verkeers)bord en/of

  • -

    terwijl het beeld van de monitor (achteruitrijcamera) van de door verdachte bestuurde bedrijfsauto wazig was alsgevolg van een bevuilde camera,

  • -

    verdachte is (vervolgens) achteruitrijdend naar links af gaan slaan teneinde de [locatie 2] in te rijden,

  • -

    verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat een voetganger, zijnde voornoemde [slachtoffer] op de busbaan (schuin)achter de door hem, verdachte, bestuurde bedrijfsauto stond of liep,

  • -

    verdachte heeft (vervolgens) voornoemde voetganger geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken voor voornoemde voetganger,

  • -

    verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst en/of is verdachte (vervolgens) over deze [slachtoffer] (heen)gereden waardoor aan die [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel, in elk geval zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte en/of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

subsidiair:

op of omstreeks 28 oktober 2015 te Amstelveen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto, daarmee rijdende over de [locatie 1] en/of de kruising van de [locatie 1] met de [locatie 2], zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

  • -

    verdachte heeft achteruit gereden over de busbaan van de [locatie 1], komende uit de richting van Beneluxlaan en gaande in de richting van de [locatie 2],

  • -

    terwijl verdachte geen ontheffing had om op de busbaan te staan en/of te rijden en/of

  • -

    terwijl verdachtes zicht naar achteren (ernstig) werd belemmerd door een in de laadbak van de door verdachte bestuurde bedrijfsauto aanwezig (verkeers)bord en/of

  • -

    terwijl het beeld van de monitor (achteruitrijcamera) van de door verdachte bestuurde bedrijfsauto wazig was als gevolg van een bevuilde camera,

  • -

    verdachte is (vervolgens) achteruitrijdend naar links af gaan slaan teneinde de [locatie 2] in te rijden, verdachte heeft zich hierbij niet, althans niet tijdig en/of voldoende, vergewist en/of is zich niet, althans niet tijdig en/of voldoende, blijven vergewissen dat een voetganger, zijnde [slachtoffer] op de busbaan (schuin)achter de door hem, verdachte, bestuurde bedrijfsauto stond of liep,

  • -

    verdachte heeft (vervolgens) voornoemde voetganger geen voorrang verleend, althans niet voor laten gaan en/of heeft verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, afgeremd en/of is verdachte niet, althans niet tijdig en/of voldoende, uitgeweken voor voornoemde voetganger,

  • -

    verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden en/of aangebotst.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden veroordeeld voor het primair ten laste gelegde. De verdachte, die geparkeerd stond op een bushalte, is met zijn bedrijfsauto tegen het verkeer in achteruit gereden, terwijl hij net meerdere passagiers, waaronder het latere slachtoffer [slachtoffer], (hierna te noemen: [slachtoffer]) uit een bus had zien stappen. Hij wist dat hij minder zicht had door een verkeersbord in de laadbak van zijn bedrijfsauto, zodat van hem extra zorgvuldigheid verlangd had mogen worden bij deze bijzondere verrichting. Zonder zich echter te vergewissen of alle passagiers, waaronder [slachtoffer], inmiddels ook daadwerkelijk waren overgestoken, is de verdachte tegen [slachtoffer], die nog niet was overgestoken, aangereden. Hiermee heeft verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (WVW).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de verdachte van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte in zijn spiegels en achteruitrijcamera heeft gekeken alvorens achteruit te rijden. De verdachte heeft aangegeven zich ervan bewust te zijn geweest dat hij een dode hoek had vanwege het verkeersbord in de laadbak van zijn bedrijfsauto. De verdachte had vóór de aanrijding oogcontact gehad met [slachtoffer] die zojuist, samen met een aantal anderen, uit een bus was gestapt. Hij zag alle passagiers in zijn spiegels en vervolgens zag hij een groepje passagiers oversteken. Toen hij op een gegeven moment wist dat er niemand meer in de buurt was, heeft de verdachte nog een laatste keer in zijn spiegels en camera gekeken en de afweging gemaakt dat het veilig was om achteruit te gaan rijden. Ook de alarmlichten stonden aan. Daarmee heeft hij alles gedaan om het gebrek aan zicht – als gevolg van de dode hoek – te compenseren.

Er is derhalve geen sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW noch van gevaarzetting in de zin van artikel 5 WVW.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bij de beoordeling of er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de WVW, dus of er op zijn minst genomen sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid, komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt het navolgende.

De verdachte is op 28 oktober 2015 met zijn bedrijfsauto met laadbak vanuit een bushalte over de busbaan op de Bovenkerkweg te Amstelveen achteruit, tegen het verkeer in, in de richting van de [locatie 2] aldaar, gereden. De verdachte is bij deze manoeuvre tegen [slachtoffer] aangereden. [slachtoffer] stond op dat moment achter de bedrijfsauto van de verdachte en probeerde over te steken. Kort daarvoor was [slachtoffer], samen met een aantal andere passagiers, bij de bushalte uit de bus gestapt. Zij was langs de bedrijfsauto van de verdachte gelopen in de richting van de [locatie 2] aldaar. De verdachte heeft haar niet gezien als gevolg van een dode hoek die werd veroorzaakt door een rechtop staand verkeersbord in de laadbak van zijn bedrijfsauto.

Het verwijt dat de verdachte naar het oordeel van het hof in de kern gemaakt kan worden is dat de verdachte, die naar eigen zeggen een foto van de verkeerssituatie ter plaatse wilde maken, daartoe een bijzondere manoeuvre heeft verricht, te weten vanuit een bushalte over de busbaan, tegen het verkeer in, achteruit rijden, terwijl hij daarbij ook nog een bocht maakte. Daarbij geldt dat de verdachte wist dat hij vanwege het bord in zijn laadbak van zijn voertuig geen volledig zicht naar achteren had. De verdachte wist ook dat zijn bedrijfsauto niet was uitgerust met een adequaat geluidssignaal. Ook wist hij dat er zojuist meerdere passagiers uit de bus zijn bedrijfsauto hadden gepasseerd. Onder deze omstandigheden had de verdachte er voor kunnen en moeten kiezen om, in plaats van achteruit te rijden vanuit een busbaan, door te rijden over de Bovenkerkweg aldaar, om vervolgens om te keren richting de [locatie 2] aldaar. De verdachte heeft hier echter niet voor gekozen en daarmee een risico genomen. Onder deze omstandigheden had de verdachte, met het achteruitrijden, mede gelet op het feit dat er zojuist meerdere voetgangers zijn bedrijfsauto waren gepasseerd, meer moeten doen om zich ervan te vergewissen dat het daadwerkelijk veilig was om achteruit te rijden. Met name had hij in de gaten moeten houden of [slachtoffer], met wie hij net oogcontact had gehad, reeds daadwerkelijk was overgestoken, in ieder geval niet in de nabijheid van zijn bedrijfsauto was. De verdachte heeft dit slechts gedeeltelijk gedaan door weliswaar op de uitgestapte passagiers te letten, maar vervolgens slechts uit het tijdsverloop af te leiden dat ook [slachtoffer], die uiteindelijk een andere route nam dan de verdachte aannam, overgestoken moest zijn, hetgeen echter evident niet het geval bleek.

Uit het geheel van handelen volgt naar het oordeel van het hof echter niet, zoals de advocaat-generaal heeft geconcludeerd, dat de verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen als bedoeld in artikel 6 WVW. Derhalve is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.

Wel acht het hof op grond van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat de verdachte door zijn gedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 WVW, waarbij [slachtoffer] is aangereden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op 28 oktober 2015 te Amstelveen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto, daarmee rijdende over de kruising van de [locatie 1] met de [locatie 2], zich zodanig heeft gedragen dat daardoor gevaar op die weg werd veroorzaakt,

bestaande dat gedrag hieruit:

  • -

    verdachte heeft achteruit gereden over de busbaan van de [locatie 1], komende uit de richting van Beneluxlaan en gaande in de richting van de [locatie 2], terwijl verdachtes zicht naar achteren ernstig werd belemmerd door een in de laadbak van de door verdachte bestuurde bedrijfsauto aanwezig verkeersbord,

  • -

    verdachte is vervolgens achteruitrijdend af gaan slaan teneinde de [locatie 2] in te rijden,

  • -

    verdachte heeft zich hierbij niet voldoende vergewist en niet blijven vergewissen dat een voetganger, zijnde [slachtoffer] op de busbaan achter de door hem, verdachte, bestuurde bedrijfsauto stond of liep,

  • -

    verdachte heeft vervolgens voornoemde voetganger geen voorrang verleend,

  • -

    verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden.

Hetgeen subsidiair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder primair bewezen verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft bij de in hoger beroep op te leggen straffen rekening gehouden met de vrijspraak ten aanzien van artikel 6 WVW. Tevens heeft het hof de straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft, door met zijn bedrijfsauto over een busbaan, tegen het verkeer in, achteruit te rijden en daarbij af te slaan, gevaar veroorzaakt dat heeft geresulteerd in een aanrijding met een voetganger, te weten [slachtoffer].

Het hof houdt rekening met de positieve proceshouding van de verdachte en het feit dat hij inzicht heeft getoond in zijn handelen en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer.

Gelet op de ernst van het feit acht het hof een taakstraf en als bijkomende straf een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen, passend en geboden. Het hof houdt hierbij rekening met de omstandigheid dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 november 2017, reeds eerder en meermalen strafrechtelijk is veroordeeld wegens overtreding van de Wegenverkeerswet. Voorts houdt het hof er rekening mee dat de werkgever van de verdachte maatregelen heeft genomen om in de toekomst een soortgelijk incident te voorkomen en dat de verdachte voor zijn werkzaamheden als vakman verkeersmaatregelen afhankelijk is van zijn rijbewijs. Het hof ziet hierin aanleiding de ontzegging van de rijbevoegdheid in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de bijkomende straf van ontzegging niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.M.H.P. Houben, mr. F.A. Hartsuiker en mr. F.G. Hijink, in tegenwoordigheid van

mr. K. Sarghandoy, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 13 december 2017.