Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5123

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
16/00436
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. In eerste instantie is het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende de Europese Gehandicapten Parkeerkaart niet op de juiste wijze in de auto had geplaatst. Echter, gelet op al hetgeen belanghebbende consequent in alle fasen van het geding geloofwaardig heeft verklaard, moet redelijkerwijs worden betwijfeld of de waarneming van de parkeercontroleur correct is. Het door de heffingsambtenaar daartegen ingebrachte is onvoldoende om die twijfel weg te nemen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2967
V-N 2018/12.14.14
Viditax (FutD), 13-12-2017
FutD 2017-3186
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 16/00436

16 november 2017

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk HAA 15/5160 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Beverwijk, de heffingsambtenaar,

(P.A. Schrijver).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan [A] is ter zake van het parkeren door belanghebbende op 17 juni 2015 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, ten bedrage van € 60,25 (bestaande uit € 1,25 aan parkeerbelasting verhoogd met een bedrag van € 59 aan kosten ter zake van het opleggen van die naheffingsaanslag; hierna de Naheffingsaanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de Naheffingsaanslag. Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 10 november 2015, heeft de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaard en de Naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 3 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 5 oktober 2016. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Op 28 februari 2017 is van belanghebbende een nader stuk ontvangen, waarvan een afschrift aan de heffingsambtenaar is toegezonden.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2017. Aldaar zijn verschenen belanghebbende en Schrijver voornoemd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift met de uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

Het Hof acht termen aanwezig de feiten zelfstandig vast te stellen.

2.2.

Belanghebbende is houder van een Europese Gehandicapten Parkeerkaart.

2.3.

Belanghebbende parkeerde een rode Nissan met het kenteken [..-..-..] - welke op naam stond van [A] (hierna de Nissan) - op 17 juni 2015 op de Markt van de gemeente Beverwijk (hierna de Locatie).

2.4.

Op de Locatie was - op het moment van parkeren (circa 14.00 uur) - ingevolge de Verordening Parkeerbelastingen 2015 van de gemeente Beverwijk (hierna de Verordening) voor het parkeren parkeerbelasting verschuldigd. Voor houders van een Europese Gehandicapten Parkeerkaart gold een vrijstelling “mits deze parkeerkaart met de daartoe bestemde zijde op een van buiten duidelijk leesbare plaats direct achter de voorruit van het motorvoertuig is geplaatst” (art. 8 Verordening).

2.5.

Belanghebbende heeft ter zake van voornoemd parkeren geen parkeerbelasting betaald.

2.6.

Om circa 14:06 uur op 17 juni 2015 heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de Nissan op de Locatie geparkeerd stond. Hij heeft vervolgens de Naheffingsaanslag opgelegd.

2.7.

De parkeercontroleur heeft de volgende aantekeningen gemaakt:

“(…) [..-..-..] NISSAN ROOD (…) GEEN KAARTJE AUTOMAAT jas, dekamarkt tas”

2.8.

In een op 31 juli 2017 aan [A] verzonden duplicaat naheffingsaanslag staat onder meer:

“Belastbaar feit : Kaart niet zichtbaar/geen parkeerrecht”

2.9.

In een op 6 februari 2016 gedateerde ‘Beëdigde verklaring’ van de parkeercontroleur staat:

“Ondergetekende [B] , parkeercontroleur, belast met parkeerhandhaving in de gemeente Beverwijk heeft op 17 juni 2015 om 14:06 uur geconstateerd dat het voertuig met het kenteken [..-..-..] geparkeerd stond op de Markt te Beverwijk.

Bovengenoemd voertuig stond geparkeerd op een betaald parkplaats zonder dat er een parkeerkaartje dan wel een invalidenparkeerkaart duidelijk zichtbaar achter het voorruit van het motorvoertuig was geplaatst. Ook was er geen parskeerschijf zichtbaar.

Opgemaakt, getekend en gesloten op 06 februari-2016 te Beverwijk.

1e verbalisant 15398 op ambtsbelofte ?, [B] ”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de Naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen partijen daaraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft met betrekking tot het geschil het volgende overwogen:

Beoordeling van het geschil

7. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift buiten de wettelijke termijn van zes weken na oplegging van de naheffingsaanslag is ingediend. Eiser heeft evenwel geloofwaardig gesteld dat hij de naheffingsaanslag niet op de voorruit heeft aangetroffen en eerst met de ontvangst van het duplicaat op de hoogte is geraakt van de naheffingsaanslag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en heeft verweerder het bezwaar terecht ontvankelijk geacht.

8. Op grond van artikel 225, eerste lid, van de Gemeentewet, kan de gemeente parkeerbelasting heffen ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij de belastingverordening dan wel krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze. Van deze mogelijkheid heeft de gemeente Beverwijk met het vaststellen van de Verordening parkeerbelastingen 2015 gebruik gemaakt.

9. Niet in geschil is dat de parkeerplaats op de Markt te Beverwijk waar eiser de auto met kenteken [..-..-..] geparkeerd heeft, een parkeerplaats is waar op dat tijdstip uitsluitend tegen betaling van parkeerbelasting danwel met een gehandicaptenparkeerkaart zonder betaling van parkeerbelasting mocht worden geparkeerd. Voorwaarde daarbij is dat het parkeerkaartje ten bewijze van betaling of de gehandicaptenparkeerkaart met de daartoe bestemde zijde op een van buiten duidelijk leesbare plaats direct achter de voorruit is geplaatst.

10. Verweerder heeft gesteld dat de parkeercontroleur heeft geconstateerd dat in eisers voertuig geen parkeerkaartje of gehandicaptenparkeerkaart zichtbaar aanwezig was, en evenmin een parkeerschijf. Verweerder heeft het een en ander onderbouwd met een beëdigde verklaring van de parkeercontroleur. Het is vaste jurisprudentie dat een beëdigde verklaring van een parkeercontroleur in beginsel voldoende is om aan te nemen dat een naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Hoewel eiser steeds heeft volgehouden dat hij de gehandicaptenparkeerkaart en blauwe schijf zichtbaar achter de voorruit heeft gelegd, is dit onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de verklaring van de parkeercontroleur onjuist is. Dit betekent dat verweerder met de verklaring zijn standpunt voldoende onderbouwd heeft en de naheffingsaanslag dus terecht is opgelegd.

11. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.1.

In hoger beroep hebben partijen met betrekking tot hun standpunten en argumenten in hun geschriften in wezen hetzelfde ingebracht. Ter zitting heeft belanghebbende daar nog (kort gezegd) het volgende aan toe gevoegd:

“Al geruime tijd, een aantal maanden, had ik de auto van mijn vriend tot mijn beschikking. De invalidekaart ligt altijd in de auto. Als ik ga rijden heb ik de kaart bij me. Ik laat de kaart niet in de auto liggen als ik niet rij. Dan liggen mijn rijbewijs, de invalidekaart en de blauwe parkeerschijf samen in één mapje thuis klaar. Ik laat dit mapje in principe niet in de auto liggen. Straks wordt er nog een ruitje ingetikt en ben ik genoemde documenten kwijt.

Wanneer ik de auto in stap, doe ik het mapje in mijn jaszak en op het moment dat ik ga parkeren, dan pak ik het mapje uit mijn jas en leg de beide kaarten op het dashboard. In de afgelopen tien à vijftien jaar ben ik dat nog nooit vergeten. Ik heb me echt niet vergist. Het is een automatisme om de kaarten zo neer te leggen. Ik heb daarmee nog nooit problemen gehad. Bovendien wilde ik de gok ook helemaal niet nemen. Met het risico dat de auto, die niet eens van mij is, wordt weggesleept. Ik heb de blauwe parkeerschijf destijds ook neergelegd. Ik neem geen risico. De kaarten zijn niet op de grond gevallen.”

5.1.2.

De heffingsambtenaar heeft ter zitting zijn standpunt als volgt nader toegelicht:

“De aantekening van de parkeercontroleur “GEEN KAARTJE AUTOMAAT jas, dekamarkt tas” (Hof zie 2.7) geeft mij de indruk dat hij goed heeft gekeken. Bovendien is het zijn beroep om naheffingsaanslagen op te leggen. Ik heb geen reden om aan zijn waarneming te twijfelen.

Belanghebbende kan zich bovendien wel vaker iets niet helemaal meer goed herinneren. Zo staat in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting bij de rechtbank “Nu u het nogmaals vraagt moet ik zeggen dat ik niet meer weet of er een briefje onder de ruitenwissers zat. Ik zit in een leeftijdsgroep die wel eens wat vergeet”.”

5.2.

Het Hof overweegt als volgt. Op de heffingsambtenaar rust de last om aannemelijk te maken dat belanghebbende het belastbare feit heeft begaan. Hetgeen - gelet op de vaststaande feiten - in casu betekent, dat aannemelijk wordt gemaakt dat de Europese Gehandicapten Parkeerkaart niet “met de daartoe bestemde zijde op een van buiten duidelijk leesbare plaats direct achter de voorruit van het motorvoertuig (was) geplaatst”.

5.3.

Gelet op de inhoud van het onder 2.7 stuk is in eerste instantie het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende de Europese Gehandicapten Parkeerkaart niet op de juiste wijze in de auto had geplaatst. Het ligt vervolgens op de weg van belanghebbende dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat belanghebbende aannemelijk maakt dat hij de genoemde kaart wél op de juiste wijze in de auto had geplaatst; voldoende is dat op grond van hetgeen belanghebbende aanvoert redelijkerwijs moet worden betwijfeld of de waarneming van de parkeercontroleur (zoals die volgt uit de onder het onder 2.7 vermelde stuk) correct is.

Gelet op al hetgeen belanghebbende consequent in alle fasen van het geding geloofwaardig heeft verklaard met betrekking tot hetgeen hij gewend was te doen (1) ingeval hij een auto ging besturen, en (2) hij een auto parkeerde, acht het Hof zodanige twijfel gerechtvaardigd. De op 6 februari 2016 - en derhalve meer dan anderhalf jaar na het parkeren - opgemaakte “Beëdigde verklaring” (zie 2.9) en hetgeen de heffingsambtenaar ter zitting heeft verklaard (zie 5.1.2) zijn onvoldoende om die twijfel weg te nemen.

Derhalve concludeert het Hof dat de heffingsambtenaar niet aan zijn onder 5.2 vermelde bewijslast heeft voldaan.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de Naheffingsaanslag dienen te worden vernietigd.

6 Kosten

6.1.

Nu de beroepen gegrond zijn, acht het Hof termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof en de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

6.2.

Het Hof stelt deze kosten op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zitting (in beroep bij de rechtbank). Deze kosten worden becijferd op € 8,40 (de reiskosten Amsterdam – Haarlem op basis van de kosten van een retourreis per openbaar vervoer, tweede klasse).

Overige voor vergoeding in aanmerking komende zijn niet gebleken.

7 Beslissing

Het Hof:

 vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

 verklaart het beroep bij de rechtbank gegrond;

 vernietigt de uitspraak op bezwaar;

 vernietigt de Naheffingsaanslag;

 veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 8,40;

 gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende te vergoeden de door hem ter zake van het beroep (€ 45) en hoger beroep betaalde griffierechten (€ 124) van in totaal € 169.

De uitspraak is gedaan door mrs. P.F. Goes, voorzitter, F.J.P.M. Haas en C.M. Aarts, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Hogendoorn als griffier. De beslissing is op 16 november 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.