Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:506

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
200.194.535/01 en 200.194.536/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderbijdrage, geen terugbetaling, verdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.194.535/01 en 200.194.536/01

zaaknummer rechtbank: C15/227086/FA RK 15-3192 en C15/231073/FA RK 15-5042

Beschikking van de meervoudige familiekamer van 21 februari 2017 inzake

[de vrouw] ,

wonende te [plaats a] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Bredius te Gorinchem,

en

[de man] ,

wonende te [plaats b] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. L. Bosch te Hoorn.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem) van 6 april 2016 uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 1 juli 2016 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 6 april 2016.

2.2

De man heeft op 12 augustus 2016 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De vrouw heeft op 25 oktober 2016 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- van de zijde van de vrouw de door haar in haar appelschrift aangekondigde productie 8;
- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 11 juli 2016 met als bijlage productie 16, ingekomen op 12 juli 2016;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 14 november 2016 met als bijlagen producties 7 tot en met 13, ingekomen op 17 november 2016.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 1 december 2016 plaatsgehad. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de vrouw en de advocaat van de man hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2007 te Zeevang. Bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 13 juli 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

Partijen zijn de ouders van:

- [A] , geboren [in] 2008 (9 jaar) (hierna: [kind a] ),
- [B] , geboren [in] 2012 (4 jaar) (hierna: [kind b] ).
De kinderen verblijven bij de vrouw. De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vindt plaats conform de afspraken van partijen en zoals door de rechtbank bij de bestreden beschikking in overweging 3.3 is vastgesteld.

3.4

Tussen de man en de vrouw heeft vanaf hun huwelijk een huwelijksgoederengemeenschap bestaan. Deze goederengemeenschap is op 22 mei 2015, de dag waarop het echtscheidingsverzoek werd ingediend, ontbonden. Voor de vaststelling van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap geldt in beginsel 22 mei 2015 als peildatum.

3.5

De vrouw, geboren [in] 1980, drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De onderneming heeft de naam [het gezondheidscentrum] . De vrouw heeft inkomsten uit die onderneming. De vrouw werkt binnen het verband van die onderneming als schoonheidsspecialiste/huidtherapeute.

Bij gelegenheid van de in eerste aanleg op 29 januari 2016 gehouden mondelinge behandeling waren partijen het eens dat het te verwachten resultaat uit de onderneming van de vrouw op jaarbasis € 25.000,- bedraagt.

De vrouw heeft recht op de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

De vrouw woont samen met haar nieuwe partner. Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen ten behoeve van de bepaling van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen: algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting.

3.6

Het functioneren en de waarde van de onderneming van de vrouw zijn vanaf eind 2014 een aantal malen onderzocht en getoetst.

Eind 2014/begin 2015 werd het te verwachten jaarresultaat van de onderneming door de vrouw geschat op € 59.000,-. Dat is gebeurd in het kader van een aanvraag van een hypothecair krediet ten behoeve van de aankoop van een bedrijfspand. De cijfers die ten grondslag liggen aan dit bedrag zijn aan de betrokken bank bekend gemaakt.

Op verzoek van de vrouw heeft bedrijvenmakelaar Argos in diezelfde periode advies uitgebracht over een eventuele verkoopprijs. De geadviseerde verkoopprijs bedroeg € 274.000,- (of € 273.000,-).

Beide partijen hebben in 2015 Contaxus verzocht om de waarde van de onderneming te begroten, een en ander ten behoeve van de verdeling van hun huwelijksgoederen-gemeenschap. Contaxus heeft op 11 december 2015 rapport uitgebracht. Contaxus heeft de intrinsieke waarde van de onderneming begroot op € 44.500,- en de waarde met toepassing van de zogenoemde DCF-methode op € 100.000,-.

Op verzoek van de vrouw heeft het accountantsbureau Zandvliet & Berghoef de waarde van de onderneming begroot en daarover op 21 juni 2016 gerapporteerd. De conclusie was dat in de onderneming geen goodwill zit en dat deze per 31 maart 2015 een negatieve waarde heeft groot € 14.570,-.

3.7

De man, geboren [in] 1969, had inkomen uit loondienst. Zijn inkomsten zijn de afgelopen periode teruggelopen, omdat hij arbeidsongeschikt is geraakt. Hij ontving blijkens informatie van zijn werkgever als gevolg daarvan per april 2016 ongeveer € 1.850,- netto per maand. Vanaf 17 oktober 2016 ontving hij blijkens informatie van het UWV wegens arbeidsongeschiktheid een uitkering via het UWV. Deze uitkering bedroeg in november 2016 netto € 1.699,12 exclusief vakantiegeld. Blijkens productie 4 bij het verweerschrift van de man, ingekomen bij dit hof op 12 augustus 2016, is door het UWV aangekondigd dat de uitkering van de man per 17 oktober 2016 € 2.492,99 bruto per maand bedraagt, exclusief vakantiegeld (€ 2.692,38 bruto inclusief vakantiegeld). Vanaf 17 december 2016 ontvangt de man 70% van zijn WIA maandloon minus zijn inkomsten op dat moment, te weten 70% van € 3.589,84, zijnde € 2.512,30 inclusief vakantiegeld.

De man is alleenstaand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man € 162,- per kind per maand dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts is de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld overeenkomst hetgeen onder overweging 2.7.2 van die beschikking is overwogen.

4.2

De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep, naar het hof begrijpt met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- te bepalen dat de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand € 273,- per kind per maand, bij vooruitbetaling aan de vrouw voldoet;

- de waarde van de onderneming van de vrouw op € 10.470,- negatief vast te stellen, waarbij de man aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 5.235,- binnen zeven dagen na betekening van de onderhavige beschikking met vermeerdering van de wettelijke rente vanaf de datum indienen beroepschrift tot aan de datum der algehele voldoening;

- te bepalen dat de vordering op Dexia zonder verrekening aan de vrouw wordt toebedeeld;

- te bepalen dat de overdrachtskosten van de echtelijke woning door de man dienen te worden betaald;

- te bepalen dat de man hoofdelijk aansprakelijk is voor de door de man gestelde lening groot € 9.600,- van de ouders van de man alsmede dat deze schuld niet in de gemeenschap valt en door de man, zonder verrekening, dient te worden voldaan;

- te bepalen dat de vordering van Quebit/HFM in de gemeenschap valt en door beide partijen bij helfte dient te worden voldaan;

kosten rechtens.

4.3

De man verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de vrouw af te wijzen met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

4.4

In incidenteel hoger beroep verzoekt de man, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, dat:

- wordt bepaald dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 10.000,- uit hoofde van het aan hem onder uitsluiting geschonken bedrag door zijn ouders ter aanschaf van de woning aan [adres] te [plaats b] ;

- de onderneming [het gezondheidscentrum] inclusief alle activa en passiva wordt toebedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 72.500,- onder vergoeding van de helft van de waarde aan de man en onder ontslag uit de hoofdelijkheid van de man ten aanzien van de op het bedrijfspand rustende hypothecaire geldlening;

- de vrouw een bedrag van € 130,- aan de man dient te voldoen uit hoofde van de door de man voor partijen betaalde factuur van The Way Home Makelaardij;

- de bijdrage van de man in de kosten van de kinderen wordt vastgesteld op € 162,- per kind per maand per datum inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot 17 oktober 2016, en een bedrag van € 122,- per kind per maand van 17 oktober 2016 tot 17 december 2016 en een bedrag van € 110,- per kind per maand vanaf 17 december 2016, dan wel een door het hof te bepalen bijdrage en ingangsdatum;

- de vrouw wordt veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

4.5

De vrouw verzoekt het incidenteel hoger beroep af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

Bijdrage kinderen

Partijen verschillen van mening over de omvang van de bijdrage die de man ten behoeve van de kinderen kan betalen. De grieven 1 tot en met 4 van de vrouw gaan over die kwestie alsmede de grieven 3 en 4 van de man.

In de eerste plaats heeft de vrouw betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het te verwachten resultaat van de onderneming van de vrouw € 25.000,- op jaarbasis bedraagt. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft de vrouw zich beroepen op de jaarstukken 2015 en op de prognose van haar accountant voor de komende jaren. De man heeft dit standpunt van de vrouw bestreden. Hij heeft aangevoerd dat de vrouw ter zitting in eerste aanleg heeft ingestemd met een te verwachten jaarresultaat van € 25.000,- per jaar, zodat het oordeel van de rechtbank berust op een afspraak van partijen.

Nu de vrouw in wezen niet heeft betwist dat zij ter zitting heeft ingestemd met een te verwachten jaarresultaat van € 25.000,- per jaar, is dat ook voor het hof uitgangspunt. De vraag is vervolgens of hetgeen de vrouw in hoger beroep heeft aangevoerd voldoende grond bevat om de vrouw niet langer aan die instemming te houden. Dat is naar het oordeel van het hof niet het geval. In de eerste plaats heeft hier te gelden dat de aard van de inkomsten van de vrouw meebrengt dat die inkomsten van jaar tot jaar sterk kunnen wisselen. Dat laten de aan het hof bekend gemaakte ondernemingscijfers van de vrouw ook zien. Daarbij komt dat de vrouw nog eind 2014/begin 2015 een winstprognose aan haar bank heeft gezonden die inhield dat zij een jaarresultaat groot € 59.000,- per jaar verwachtte. Het hof wil aannemen dat de vrouw het te verwachten resultaat ten behoeve van de kredietaanvraag wat mooier heeft voorgesteld en dat het jaarresultaat negatief is beïnvloed door de echtscheiding, maar het verschil tussen de eerdere prognose van de vrouw en die in dit geding is zo groot dat uit dit alles niet kan worden afgeleid dat een te verwachten jaarresultaat groot € 25.000,- per jaar misplaatst is en dat de vrouw daarom daaraan niet kan worden gehouden. Tot slot kan ook uit de jaarcijfers van de vrouw over 2015 en de privé-opnames door de vrouw aanwijzing worden geput dat voor de verwachting van de vrouw ten tijde van de zitting in eerste aanleg een reëel fundament bestaat. De eerste grief van de vrouw faalt daarom.

Voorts heeft de vrouw zich op het standpunt gesteld dat de man een ruimer inkomen kan realiseren dan hij thans ontvangt, te weten het voor hem gebruikelijke inkomen uit loondienst. De man heeft dat standpunt van de vrouw bestreden. Naar het oordeel van het hof bieden de stellingen van de vrouw onvoldoende houvast om aan te nemen dat de door het UWV aanvaarde arbeidsongeschiktheid van de man moet worden genegeerd. Met de rechtbank zal het hof dan ook bij de beoordeling van de draagkracht van de man rekening houden met zijn gedaalde inkomsten. In het bijzonder zal het hof ook tot uitgangspunt kiezen dat het inkomen van de man respectievelijk medio oktober 2016 en medio december 2016 opnieuw is gedaald.

Het hof ziet ontoereikende grond om afzonderlijk rekening te houden met de reiskosten die de man maakt in verband met de omgangsregeling met de kinderen. Het moge zo zijn dat de verhuizing van de vrouw heeft meegebracht dat de man extra moet rijden, de afstand die de man moet overbruggen ( [plaats b] - [plaats a] ) is niet zo uitzonderlijk dat het grond oplevert om daarop apart ten laste van zijn draagkracht acht te slaan. Daarbij heeft het hof nog in aanmerking genomen dat de grotere afstand ook voor de vrouw extra kosten oplevert.

Het betoog van de man bevat onvoldoende aanknopingspunt voor de gevolgtrekking dat zou moeten worden voorbijgegaan aan het verlies van het recht van de vrouw op een KGB. Het stond de vrouw ten opzichte van de man vrij om ervoor te kiezen met haar nieuwe partner te gaan samenwonen. Dat die keuze in dit geval heeft meegebracht dat haar recht op een KGB is komen te vervallen, heeft de man daarom tegen zich te laten gelden.

Nu de man de door de rechtbank vastgestelde bijdrage voor de periode vanaf 13 juli 2016 tot 17 oktober niet heeft bestreden in hoger beroep, zal het hof de te betalen bijdragen voor de kinderen met inachtneming van bovenstaande gegevens opnieuw berekenen en vaststellen vanaf 17 oktober 2016.

Gelet op vorenstaande gegevens zal het hof uitgaan van een netto besteedbaar inkomen aan de zijde van de man in de periode vanaf 17 oktober 2016 tot 17 december 2016 van € 1.805,- per maand en in de periode vanaf 17 december 2016 van € 1.707,- per maand.

De draagkracht van de man zal vervolgens worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.550,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man op het besteedbaar inkomen 30% in mindering zal worden gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 890,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Dit leidt tot een beschikbare draagkracht voor kinderalimentatie van de man in de periode vanaf 17 oktober 2016 tot 17 december 2016 van € 131,- per maand en de periode vanaf 17 december 2016 van € 107,- per maand.

Het hof zal gelet op het voorgaande aan de zijde van de vrouw uitgaan van een netto besteedbaar inkomen van € 2.014,- per maand.

De draagkracht van de vrouw zal eveneens worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 890,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.550,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de vrouw op het besteedbaar inkomen 30% in mindering zal worden gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 890,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Dit leidt tot een beschikbare draagkracht van €182,- per maand.

Dat betekent dat de grieven 1, 2 en 4 van de vrouw falen. De derde grief van de vrouw gaat op maar kan niet leiden tot de door haar gewenste beslissing. Grief 3 van de man faalt, grief 4 slaagt. De bestreden beslissing kan in zoverre niet in stand blijven. Gelet op de door de man in incidenteel hoger beroep voorgestelde bedragen zal het hof bepalen dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen voor de periode vanaf 17 oktober 2016 een bedrag van € 131,- per kind per maand en voor de periode vanaf 17 december 2016 op € 110,- per kind per maand dient te voldoen.

De omvang van de op te leggen bijdragen en hetgeen aan het hof bekend is gemaakt over de financiële omstandigheden van partijen geven het hof aanleiding om te beslissen dat de vrouw eventueel te veel betaalde bijdragen niet behoeft terug te betalen aan de man.
Voor zover de man vanaf 17 oktober 2016 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald dan vermelde bijdragen, kan van de vrouw, mede gelet op het feit dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt.


Verdeling

Onderneming [het gezondheidscentrum]

Beide partijen hebben een grief (de vrouw grief 5 en de man grief 2) gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde waarde van de onderneming van de vrouw [het gezondheidscentrum] van € 44.500,-. Volgens de vrouw is de waarde van de onderneming negatief € 10.470,-, zodat de man de helft daarvan, € 5.235, dient te dragen, terwijl volgens de man de waarde zou moeten worden gesteld op het gemiddelde van de door de onafhankelijke deskundige berekende waardes, ongeveer € 72.500,-.

De vrouw beroept zich ter onderbouwing van haar standpunt op productie 16: een waardebepaling van een door haar ingeschakelde accountant. De man wijst van zijn kant op de onderzoeksbevindingen van Contaxus, de door partijen ten behoeve van de verdeling gezamenlijk ingeschakelde deskundige. De man heeft benadrukt dat de bevindingen van Contaxus meerwaarde hebben, omdat beide partijen zich met deze deskundige hebben verstaan, ook de vrouw. Ook heeft de man gewezen op de succesvolle hypotheekaanvraag en de voor de onderneming voorgenomen verkoopprijs, volgens hem groot € 273.000,-.

Het hof stelt bij de bespreking van deze kwestie voorop dat geen van partijen het door Contaxus aangehouden peilmoment voor de waardering van de onderneming ter discussie heeft gesteld. Het hof zal dan ook uitgaan van datzelfde peilmoment, te weten 31 december 2014. Met de man is het hof verder van oordeel dat de wijze waarop de rapportage van Contaxus is tot stand gekomen, meebrengt dat mag worden aangenomen dat Contaxus de visie van beide partijen in aanmerking heeft genomen, hetgeen aan dat rapport een zeker gewicht verleent.

Productie 16 is een brief van A.M. van der Meer, Accountant-Administratieconsulent aan de advocaat van de vrouw, gedateerd 8 juli 2016. In die brief signaleert deze accountant kort samengevat discrepanties in het definitieve rapport van Contaxus van 11 december 2015 en discrepanties tussen het conceptrapport van 13 augustus 2015 en het definitieve rapport. Volgens deze accountant bestaat er een onverklaarbare discrepantie tussen het eigen vermogen van € 16.990,- dat wordt vermeld in de in een bijlage bij het eindrapport vermelde balansopstelling ultimo 2014 en ook het conceptrapport, en de gevonden intrinsieke waarde van € 44.584,-. Hij mist normalisaties die het gevonden verschil verklaren. Naar het hof begrijpt zou volgens A.M. van der Meer in het rapport alleen melding worden gemaakt van normalisatie van de marktwaarde van de schulden. In het bijzonder wijst deze accountant erop dat

. het bedrijfspand voor een te hoog bedrag op de balans staat (de aankoopkosten zijn opgeteld bij de aankoopsom),

. de waarde van de inventaris te hoog is begroot, doordat de floatcabine ten onrechte is meegenomen,

. de openstaande vordering van Quebit/HFM Incasso ontbreekt.

De visie van deze accountant kan het hof niet overtuigen. In de eerste plaats ontbreekt een verantwoording op basis van welk cijfermateriaal hij of zij tot zijn/haar bevindingen is gekomen. Anders dan deze accountant veronderstelt heeft Contaxus in het definitieve rapport van 11 december 2015 geantwoord op vragen van de vrouw en de man naar aanleiding van het conceptrapport en is daarin ingegaan op de door hen genoemde normalisatieposten. Contaxus heeft aldus op de samenstellende onderdelen van het eigen vermogen alsook het vreemd vermogen zogenoemde normalisaties toegepast en de gemaakte keuzes in het rapport verantwoord, onder meer met behulp van een genormaliseerde winst- en verliesrekening. Dit alles heeft uiteindelijk geleid tot het overzicht met het opschrift “Balans [het gezondheidscentrum] met prognose Definitief”, welk overzicht als bijlage bij het rapport is gevoegd en welk overzicht de zogenoemde intrinsieke waarde van de onderneming bevat. De bewuste brief waarop de vrouw zich beroept, bevat daartegenover onvoldoende aanknopingspunt voor de veronderstelling dat de gekozen normalisaties onvoldoende verdedigbaar zouden zijn. Dat de kosten van aankoop van het bedrijfspand zijn opgeteld bij de koopprijs van het pand en het saldo op de balans staat betekent niet zonder meer dat het opgenomen bedrag onvoldoende verdedigbaar zou zijn. Dat geen hertaxatie heeft plaatsgehad, betekent niet dat de opgenomen waarde onjuist moet worden geacht. Evenmin bevat de brief toereikend houvast voor de gevolgtrekking dat de floatcabine reeds op de in dit verband gekozen peildatum buiten het bedrijfsvermogen moet worden gehouden. Al evenmin is voldoende duidelijk dat op de peildatum tot de relevante vorderingen (nog steeds) die van Quebit/HFM Incasso moet worden gerekend (zie ook de beoordeling van grief 9 van de vrouw hieronder). Dat alles brengt het hof tot de slotsom dat de brief van accountant Van der Meer tegenover de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende hout snijdt. De vijfde grief van de vrouw faalt.

De man wil van zijn kant ingang doen vinden dat de waarde van [het gezondheidscentrum] door de rechtbank te laag is begroot. De man heeft betoogd dat de relevante waarde moet worden gevonden door te middelen tussen de waarde die Contaxus heeft gevonden door middel van de DCF-methode, € 100.000,-, en de intrinsieke waarde, € 44.500,-. De vrouw heeft dit standpunt van de man bestreden.

Het hof volgt de visie van de man niet. Voordeel van de DCF-methode is dat toekomstverwachtingen tot op zekere hoogte kunnen worden verdisconteerd in de waardebepaling. In een periode waarin de vrouw te maken kreeg met majeure wijzigingen, waaronder de echtscheiding, de nieuwe partner en de verhuizing, is bepaald onzeker, in hoeverre toekomstverwachtingen kunnen worden ontleend aan de resultaten die de vrouw in het verleden heeft behaald. Het in 2015 gerealiseerde resultaat, dat lager is dan werd verwacht, wijst ook op de betrekkelijkheid van deze methodiek. Met de rechtbank is het hof daarom van oordeel dat in dit geval de voorkeur moet worden gegeven aan de intrinsieke waarde van de onderneming. Grief 2 van de man faalt.

Kosten verdeling woning

In grief 6 stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat partijen gezamenlijk de kosten dienen te dragen verbonden aan de overname van de woning door de man.

Volgens de vrouw dient de man die kosten te dragen omdat hij toedeling wenst van de woning en hypothecaire lening aan hem. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat deze kosten door partijen ieder voor de helft moeten worden gedragen, zodat deze grief faalt. Partijen zijn deelgenoten in een gemeenschap en hebben belang erbij dat deze wordt verdeeld. De kosten die dit met zich brengt dienen naar evenredigheid van de aandelen van de deelgenoten in de gemeenschap te worden gedragen. Hieraan doet niet af dat in geval de woning wordt verkocht de koper overwegend de kosten draagt. Grief 6 faalt.

Vordering op Dexia

Grief 7 van de vrouw ziet op de vordering van de vrouw op Dexia. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de vordering op Dexia wordt toegedeeld aan de vrouw met dien verstande dat zij, indien in de toekomst door Dexia een bedrag zal worden uitbetaald, de helft ervan na aftrek van kosten aan de man dient uit te keren. Zij stelt zich op het standpunt dat deze vordering aan haar is verknocht. De man heeft dit betwist.

Het hof deelt niet het standpunt van de vrouw dat de vordering aan haar is verknocht en daarom dus niet in de gemeenschap valt. Of een goed wegens het hoogstpersoonlijke karakter ervan op de voet van het bepaalde in artikel 1:94 lid 3 BW aan een van de echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. De door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden, te weten dat de vrouw in 2000 in het buitenland op een cruiseschip heeft gewerkt en de gelden heeft belegd met behoud van inleg bij Dexia, dat Dexia dit niet waar heeft kunnen maken en dat de vrouw een rechtszaak is gestart via Leaseproces, van welke procedure zij de kosten betaalt, rechtvaardigen niet de conclusie dat aan het hiervoor geformuleerde criterium is voldaan. Het enkele gegeven dat de belegging reeds voor het huwelijk heeft plaatsgehad, maakt de vordering niet verknocht in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW. Hetzelfde geldt voor de deelname van de vrouw aan de collectieve claim op basis van no cure no pay. Mitsdien faalt deze grief.

Schuld van de man aan zijn ouders van € 9.600,-

In grief 8 stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan de ouders van de man van € 9.600,-.

De vrouw beroept zich onder meer op onbekendheid met deze schuld en onbekendheid met de betaling van dit geld aan de man en de besteding door hem daarvan. Zij stelt dat partijen feitelijk uiteen waren en in mediation op het moment dat de man de lening aanging en is van mening dat deze schuld is verknocht aan de man.

De man voert verweer en beroept zich voor het bestaan van de geldlening op de reactie van de vrouw op deze lening tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg. Ook beroept hij zich op een onderhandse overeenkomst van geldlening van 1 mei 2015. Ter zitting in hoger beroep heeft hij desgevraagd toegelicht dat hij zijn vader om geld heeft gevraagd voor het geval hij niet uitkomt, dat hij het geld stukje bij beetje heeft geleend voor de inrichting van de kinderkamer, voor vaste lasten, kost en inwoning, kleding en reiskosten en dat hij dankzij zijn ouders het hoofd boven water heeft weten te houden. Hij heeft de vraag hoe de som tot € 9.600,-- is gemaakt niet kunnen beantwoorden.

Het hof overweegt als volgt. Anders dan de man meent, kan uit de opmerking van de vrouw ter zitting bij de rechtbank inhoudende: “beide schulden aan de ouders van de man vallen in de gemeenschap”, niet worden afgeleid dat zij heeft ingestemd met een draagplicht voor de helft van de schuld aan zijn ouders van € 9.600,-. Hieruit kan redelijkerwijs enkel worden geconcludeerd dat voor zover deze schulden er zijn, deze deel uitmaken van de gemeenschap. Er is ontoereikende grond om te aanvaarden dat de man op grond van de uitlatingen van de vrouw een ruimere bedoeling van de vrouw mocht aannemen. Bovendien stond het de vrouw in dit opzicht vrij om in hoger beroep haar standpunt te verduidelijken/corrigeren.

Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van het hof tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet komen vast te staan dat de man vóór 22 mei 2015 € 9.600,- ten titel van geldlening van zijn ouders heeft ontvangen. Om die reden slaagt deze grief en zal het verzoek van de man een regeling te treffen voor de draagplicht van de schuld van € 9.600,- alsnog worden afgewezen.

Vordering van Quebit/HFM Incasso

Grief 9 van de vrouw ziet op een vordering van Quebit/HFM Incasso waarmee de rechtbank volgens de vrouw ten onrechte geen rekening heeft gehouden. De vrouw beroept zich op de sommatie tot betaling van HFM Incasso betreffende Quebit van 2 juli 2015 en stelt dat de schuld een zakelijke schuld betreft die haar op de peildatum nog boven het hoofd hing en die niet in de waardebepaling door Contaxus van [het gezondheidscentrum] is opgenomen. Het betrof een buitensporig hoge rekening van een websitebouwer, die niet goed had geleverd. Er is weliswaar een regeling getroffen voor € 2.000,-- maar finale kwijting is niet verleend, aldus de vrouw.

In de door de man overgelegde productie 26, een email van 2 juni 2015 (bij zijn journaalbericht van 12 januari 2016 in eerste aanleg), staat vermeld: “Je krijgt vandaag een rekening van € 2.000,-- ex BTW en dan is het over en uit met Quebit.” Op grond van de inhoud van deze mail in samenhang met de verklaring van de vrouw ter zitting in hoger beroep dat er na 2 juli 2015 niets meer van de vermeende claim is vernomen, oordeelt het hof dat geen althans onvoldoende grond bestaat om tot de onderneming/huwelijksgoederengemeenschap te rekenen de door de vrouw gestelde vordering van Quebit/HFM Incasso op de vrouw. Ook deze grief van de vrouw faalt.


Schenking € 10.000,-

Grief 1 van de man richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de schenking door zijn ouders aan hem van € 10.000,- in de gemeenschap is gevallen. Hij stelt dat zijn ouders hem dit bedrag met de uitsluitingsclausule hebben geschonken en dat het niet de bedoeling was dat deze schenking in enige gemeenschap zou vallen. De man heeft deze stellingen op geen enkele manier onderbouwd. Noch uit de overgelegde bankafschriften noch anderszins is gebleken van een uitsluitingsclausule bij de gift. Deze grief van de man faalt.

Makelaarskosten

In grief 5 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte de kosten van de makelaar niet bij helfte tussen partijen heeft gedeeld. Partijen hebben gezamenlijk een makelaar ingeschakeld om de woning te laten taxeren in verband met de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man heeft de factuur van deze taxatie na de peildatum van de verdeling voldaan, zodat de vrouw nog de helft van dit bedrag, te weten € 130,- aan hem dient te voldoen.

De vrouw heeft niet betwist dat partijen gezamenlijk een opdracht tot taxatie van de gezamenlijke woning hebben gegeven. Hieruit volgt dat de kosten hiervan door elk van partijen voor de helft moet worden voldaan. Blijkens het overgelegde bankafschrift (productie 6 bij het verweerschrift in appel tevens incidenteel appel) heeft de man op 27 mei 2016 € 260,- euro voldaan aan The Way Home Makelaardij. De vrouw dient de helft daarvan, te weten € 130,- te voldoen aan de man. Deze grief van de man heeft succes.

6 Slotsom


Grief 6 van de vrouw slaagt. De overige grieven van de vrouw kunnen geen van alle leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking. Dat betekent dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen wat betreft de schuld groot € 9.600,- aan de ouders van de man en de draagplicht van de vrouw in verband met deze schuld. Voor het overige zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

Grieven 4 en 5 van de man slagen. Het hof zal in zoverre de bestreden beschikking vernietigen en opnieuw/aanvullend recht doen. Het hof zal een lagere kinderbijdrage vaststellen als hierna te noemen en bepalen dat de vrouw de helft van de makelaarskosten heeft te dragen. Voor het overige zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

Omdat partijen gewezen echtelieden zijn, zal het hof bepalen dat elk van hen de eigen proceskosten van het hoger beroep moet betalen.

7 De beslissing

Het hof:

in het principaal hoger beroep:


vernietigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de schuld groot € 9.600,- aan de ouders van de man deel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen en de vrouw daarvan de helft heeft te dragen, en zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het verzoek van de man in zoverre af;

in het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank vanaf 17 oktober 2016 de kinderbijdrage heeft bepaald en in zoverre opnieuw rechtdoende:


bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen voor de periode van 17 oktober 2016 tot 17 december 2016 op € 131,- per kind per maand en voor de periode vanaf 17 december 2016 op € 110,- per kind per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 17 oktober 2016 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

verklaart dit onderdeel van de beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw een bedrag groot € 130,- aan de man moet voldoen, zijnde de helft van de door de man betaalde makelaarskosten;

in het principaal en incidenteel appel:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte;

bepaalt dat elk van partijen de eigen proceskosten moet betalen.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.B.C.M. van der Reep, mr. A.R. Sturhoofd en mr. C.M.J. Peters, in tegenwoordigheid van mr. H. Sapir als griffier en is op 21 februari 2017 in het openbaar uitgesproken.