Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5053

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
02-07-2018
Zaaknummer
200.157.926/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van tussenarrest 31 januari 2017. Hof komt terug van voornemen deskundigenonderzoek te bevelen. Nadere instructie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.157.926/01

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 december 2017

inzake

[appellant],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. F.G.M.M. Alsters te Nijmegen,

tegen:

HALLMARK CARDS NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Heerlen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A J.C. Debije te Rotterdam.

1 Het geding na verwijzing door de Hoge Raad

Partijen worden hierna [appellant] en Hallmark genoemd.

Op 31 januari 2017 heeft dit hof in deze zaak een tweede tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt naar het tussenarrest verwezen.

Van de zijde van Hallmark is vervolgens een akte uitlating benoeming deskundige genomen.

2 Verdere beoordeling

2.1.

In bedoeld tussenarrest heeft het hof Hallmark in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren tegen de door [appellant] voorgestelde deskundige T.B.J. Hoogenbosch (hierna: Hoogenbosch) uit een te zetten. Nadat Hallmark in de door haar daartoe genomen akte te kennen had gegeven op voorhand geen aanleiding te hebben om te veronderstellen dat Hoogenbosch niet geschikt zou zijn om in de onderhavige zaak als deskundige op te treden of dat Hoogenbosch zijn taak als deskundige niet onafhankelijk en onpartijdig zou uitoefenen heeft het hof met het oog op diens benoeming als deskundige met Hoogenbosch contact gelegd.

Nadat hij aanvankelijk te kennen had gegeven bereid te zijn om als deskundige op te treden heeft Hoogenbosch bij brief van 26 juni 2017 het hof bericht daarvan af te zien.

2.2.

Op het verzoek van het hof aan partijen per brief van 9 augustus 2017 om met een voorstel te komen voor een andere te benoemen deskundige heeft [appellant] gereageerd met het verzoek Hoogenbosch opnieuw te benaderen. Hallmark heeft tegen het opnieuw benaderen van Hoogenbosch bezwaar gemaakt en heeft in haar reactie gepleit voor het alsnog benoemen van de eerder door haar voorgestelde deskundige D.J.M. Vermeulen (hierna: Vermeulen).

Gelet op de door Hallmark geuite bezwaren tegen het opnieuw benaderen van Hoogenbosch en de eerder door [appellant] geuite bezwaren tegen de benoeming als deskundige van Vermeulen gaat het hof aan beide suggesties voorbij.

2.3.

Reeds eerder, in de periode die volgde op de op 26 mei 2016 gehouden comparitie van partijen en de door partijen genomen aktes van 28 juni 2016, is het hof gebleken dat gelet op de specialistische en veelzijdige deskundigheid die vereist is om het hof in de onderhavige zaak op adequate wijze voor te lichten het zelf vinden van een geschikte deskundige niet tot de mogelijkheden behoort.

2.4.

Mede met het oog op de voortgang van de zaak ziet het hof in het voorgaande aanleiding om terug te komen van het voornemen om een door hem geschikt geachte deskundige te benoemen en [appellant], op wie de bewijslast ter zake van de door hem beweerdelijk geleden schade rust, in de gelegenheid te stellen om aan te tonen dat als gevolg van het niet nakomen door Hallmark van de in artikel 3.1 van de overeenkomst neergelegde inspanningsverplichting door hem voor vergoeding in aanmerking komende schade is geleden en voorts om het bewijs bij te brengen van de omvang daarvan. Dit bewijs zal op de voet van artikel 152 lid 1 Rv kunnen worden geleverd door alle middelen, waarbij met name ook te denken valt aan een rapport van een door [appellant] zelf geraadpleegde (partij)deskundige.

In het kader hiervan is van belang hetgeen het hof Den Haag in zijn tussenarrest van 30 november 2010 met betrekking tot het te leveren bewijs heeft overwogen, namelijk dat allereest vast moet komen te staan dat reële/bedrijfseconomisch verantwoorde exploitatie van de door [appellant] ontwikkelde opbergdoos met kleefkader op de Nederlandse markt had kunnen plaatsvinden en dient voorts acht te worden geslagen op de vragen die dat hof in zijn tussenarrest van 19 juli 2011 (rov. 6) heeft geformuleerd, zoals nader gepreciseerd in het proces-verbaal van comparitie van partijen van 26 mei 2016.

Daarnaast zal [appellant] dienen aan te tonen dat er tevens reële/bedrijfseconomische exploitatie mogelijkheden bestonden in andere landen dan de Benelux landen en dit per daarvoor in aanmerking komend land.

2.5.

Alvorens in de onder 2.4 bedoelde zin te beslissen en [appellant] tot het aldaar bedoelde bewijs toe te laten stelt het hof partijen in de gelegenheid om zich bij akte over deze wijze van voortzetting van de procedure uit te laten en zal het de zaak daartoe naar de rol verwijzen.

3 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 19 december 2017 voor het nemen door ieder van partijen van een akte als bedoeld onder 2.5;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, W.A.H. Melissen en D.J. Oranje en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 5 december 2017.