Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5037

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
14-12-2017
Zaaknummer
23-000654-15 (A), 23-000653-15 (B) en 23-000652-15 (C)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van tweeënhalf jaar voor het voorhanden hebben en het vervoer van harddrugs en de handel daarin. Verweren met betrekking tot handelwijze CIE en rechtmatigheid toepassing dwangmiddelen verworpen. Niet aannemelijk geworden dat strafbare feiten zijn gepleegd met medeweten CIE. Opvatting dat doorzoeking woning op grond WWM na aantreffen verdovende middelen pas mag worden voortgezet na machtiging rechter-commissaris vindt geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummers: 23-000654-15 (A), 23-000653-15 (B) en 23-000652-15 (C)

Datum uitspraak: 29 november 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de onder de parketnummers 13-523313-07, 13-529012-09 en 13-666164-11 gewezen vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 9 februari 2015 in de strafzaken tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in P.I. Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juli 2016, 27 maart 2017, 13 november 2017 en 15 november 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Tegen voormelde vonnissen is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Voeging

Het op 9 februari 2015 onder parketnummer 13-523313-07 gewezen vonnis is bij het hof geregistreerd onder parketnummer 23-000654-15 (hierna: zaak A), het onder parketnummer 13-529012-09 gewezen vonnis is bij het hof geregistreerd onder parketnummer 23-000653-15 (hierna: zaak B) en het onder parketnummer 13-666164-11 gewezen vonnis is bij het hof geregistreerd onder parketnummer 23-000652-15 (hierna: zaak C). Het hof heeft op de terechtzitting in hoger beroep van 13 november 2017 de voeging van de zaken A, B en C bevolen.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep in zaak B

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan hem in zaak B onder 3 en 4 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte in die zaak onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het in die zaak ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg (in zaak A) door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte

– voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd:

in zaak A onder 2

dat hij op of omstreeks 26 september 2007 te Breukelen, in elk geval in Nederland opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 1,42 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

in zaak A onder 3

dat hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 27 september 2007 te Amsterdam voorhanden heeft gehad een busje K.O. Spray CS Gas, zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met (een) verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen), in elk geval een wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie van Categorie II, genoemd onder 6;

in zaak B onder 1

dat hij op of omstreeks 16 februari 2009 te Amsterdam en/of op de A4 ter hoogte van hectometerpaal 42,5 richting Den Haag (gemeente Leidschendam-Voorburg), in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval voorhanden heeft gehad, (ongeveer) 990 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

in zaak B onder 2

dat hij op of omstreeks 16 februari 2009 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 647 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

in zaak C onder 1

dat hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 maart 2011 tot en met 14 juni 2011, in elk geval op 14 juni 2011, te Amsterdam en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht of afgeleverd of verstrekt (aan [naam 1] en/of [naam 2] en/of een of meer andere (nog) onbekend gebleven koper(s)) of vervoerd een onbekende hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een onbekende hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

in zaak C onder 2

dat hij op of omstreeks 14 juni 2011 te Amsterdam en/of Amstelveen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 4,50 gram heroïne en/of 1081 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

heroïne en/of (ongeveer) 355 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnissen waarvan beroep

De vonnissen waarvan beroep, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, zullen worden vernietigd, omdat het hof na voeging van de zaken in hoger beroep komt tot één uitspraak.

Bespreking van verweren over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie in de zaken A en B niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte, omdat sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijk proces is tekortgedaan. Daartoe heeft zij de volgende stellingen ingenomen:

(i) De Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) is op ontoelaatbare wijze te werk gegaan, omdat de CIE wist dat de verdachte strafbare feiten pleegde om aan informatie te komen en hij vervolgens niet als CIE-informant is uitgeschreven, maar – door aan hem tipgelden te blijven uitkeren – impliciet is gestimuleerd door te gaan met het plegen van strafbare feiten. Daardoor heeft de CIE ook bewust de veiligheid van de verdachte in gevaar gebracht. Aan deze stellingen is ten grondslag gelegd dat de CIE ervan op de hoogte was dat werd vermoed dat de verdachte betrokken was bij een in 2006 gepleegde woninginbraak – die zaak mondde uiteindelijk in een vrijspraak van de verdachte – en bij een inbraak in 2007 in de woning van [slachtoffer] , ten aanzien van wie de verdachte documenten heeft afgeleverd bij de CIE, alsmede dat de CIE er in 2007 mee bekend was dat bij de verdachte in zaak A heroïne en pepperspray was aangetroffen. Eén en ander had in de optiek van de raadsvrouw aanleiding moeten vormen de verdachte als informant uit te schrijven, althans het toezicht op hem te verzwaren. In plaats daarvan heeft de CIE de verdachte met aan hem verstrekte tipgelden gestimuleerd door te gaan met het plegen van strafbare feiten. De conclusie dat de CIE wist dat de verdachte strafbare feiten pleegde en zijn informatie niet alleen opving als luistervink in koffiehuizen, volgt ook uit het sms-verkeer tussen de verdachte en zijn CIE-runner [naam 3] , en uit de transcriptie van het The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI) van een gesprek dat door de verdachte met zijn CIE-runners is gevoerd en door hem is opgenomen, terwijl uit de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van de CIE-runners [naam 3] en [naam 4] volgt dat ook zij vraagtekens plaatsten bij de wijze waarop de verdachte aan zijn informatie kwam. De raadsvrouw heeft in het bijzonder nog gewezen op een sms-bericht, geciteerd in een brief van de raadsvrouw mr. M.J. van Essen van 3 juni 2009, dat de verdachte aan zijn CIE-runners zou hebben verstuurd, waaraan de verdediging de conclusie heeft verbonden dat zij ervan op de hoogte waren dat de verdachte op 16 februari 2009 op weg was naar Den Haag om verdovende middelen af te leveren.

(ii) De waarheidsvinding heeft te lijden gehad onder de handelwijze van het OM. Om deze stelling te schragen, heeft de raadsvrouw aangevoerd dat (a) uit het procesdossier blijkt dat op 12 februari 2009 een telefoongesprek dat is gevoerd door de gebruikers van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] is getapt (het hof begrijpt: afgeluisterd en opgenomen), terwijl daarvoor pas op 13 februari 2009 een bevel is gegeven, (b) de telecomgegevens niet volledig in het dossier zijn opgenomen, mede doordat de officier van justitie te lang heeft gewacht met het opvragen van deze gegevens, waardoor deze niet meer te verkrijgen waren, (c) de verdachte lange tijd de kans is ontnomen zijn verhaal te doen over zijn CIE-contacten, doordat de rechter-commissaris het verzoek heeft afgewezen hem op grond van artikel 187d Sv te horen.

Volgens de raadsvrouw is aldus sprake van een opeenstapeling van verzuimen en onzorgvuldig handelen van de CIE en het OM waardoor de waarheidsvinding in het geding is gekomen en de verdediging op onherstelbare wijze in haar belangen is geschaad.

Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van het verweer onder (i)
Op basis van de verklaringen die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd (in eerste aanleg op 14 april 2014 en in hoger beroep op 13 en 15 november 2017), beschouwd in samenhang met de verklaringen van de CIE-runners [naam 3] , [naam 5] en [naam 4] , afgelegd bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 april 2014, komt het hof tot de volgende feitelijke vaststellingen over de gang van zaken met betrekking tot het optreden van de CIE.

De verdachte is in de eerste helft van 2006 informant geworden van de CIE. Hij zei toen dat hij informatie kon geven over verdovende middelen en wapens. Hij stelde aan deze informatie te kunnen komen doordat hij na jaren detentie aanzien had in het criminele milieu en vaak in koffiehuizen kwam, men naar hem toe kwam en hij ook verboden goederen zag. Bij zijn inschrijving als informant, en bij verschillende gelegenheden nadien, zijn de verdachte de bijbehorende (spel)regels uitgelegd.1 Tot die regels behoorden (en behoren) onder meer, kort gezegd, dat door de informant gepleegde strafbare feiten voor zijn eigen rekening en risico komen en dat de informant geen strafbare feiten mag plegen om aan informatie te komen.2 De verdachte heeft vervolgens tot aan zijn aanhouding op 16 februari 2009 als CIE-informant gefungeerd en heeft zijn runners meermalen informatie verstrekt over plaatsen waar zich verdovende middelen en geld bevonden en heeft daarvoor overeenkomstig de geldende regeling een beloning ontvangen.3 De verdachte heeft bevestigd dat hem is gezegd dat hij geen strafbare feiten mocht plegen en dat de runners hem steeds vertelden dat eventueel door hem te plegen strafbare feiten voor zijn eigen rekening en risico kwamen, maar dat hij daar heel nonchalant mee omging. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij niet in opdracht van de runners handelde, maar alles deed op eigen initiatief en dat dit ook gold voor zijn rit naar een afnemer van heroïne in Den Haag op 16 februari 2009. Over die rit naar Den Haag heeft de verdachte voorts verklaard dat de afnemer in Den Haag een eigen contact van hem was waarvan zijn runners niet op de hoogte waren en dat de runners ook niet wisten wat hij in Den Haag ging doen en waarheen hij reed.4 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte meer in het algemeen als zijn werkwijze uitgelegd dat hij via zijn contacten in het criminele circuit op de hoogte raakte van plaatsen waar drugs en geld werden bewaard, dat hij daar vervolgens in een aantal gevallen met behulp van een valse sleutel binnen ging en een deel van het geld wegnam (‘afroomde’), waarna hij de rest van hetgeen hij had aangetroffen ‘wegtipte’ aan zijn runners, teneinde op die manier ook nog een beloning van de CIE op te strijken. Dergelijke insluipingen noemt de verdachte inkijkoperaties. Die term wekt de suggestie van optreden onder de vlag van strafvordering, maar daarvan was geenszins sprake.

De CIE-runners van de verdachte hebben verklaard dat altijd navraag werd gedaan naar de herkomst van door de verdachte verstrekte informatie, teneinde de betrouwbaarheid daarvan te kunnen toetsen en om de veiligheid van de verdachte te controleren. Zij wisten niet dat de verdachte strafbare feiten pleegde om aan informatie te komen. Zij hebben wel eens twijfels gehad over de wijze waarop de verdachte aan de door hem verstrekte informatie was gekomen, en hem er toen aan herinnerd dat hij geen strafbare feiten mocht plegen.5

Niet is aannemelijk geworden dat de CIE wist dat de verdachte strafbare feiten pleegde om aan informatie te komen teneinde deze aan de CIE te kunnen verstrekken. Ook is niet aannemelijk geworden dat de CIE bewust de veiligheid van de verdachte in gevaar heeft gebracht. Het handelen van de verdachte gebeurde, zoals hij zelf heeft verklaard, op zijn eigen initiatief en – zo is het hof gebleken – ook met een eigen agenda. De omstandigheid dat de verdachte in de hem uitgekeerde beloningen een stimulans heeft gezien aan de CIE informatie te blijven verstrekken, kan de CIE niet worden tegengeworpen. Het hof kan zich alleen al om reden van het voorgaande geenszins vinden in de stelling van de verdediging dat de CIE de verdachte had moeten uitschrijven als informant, omdat hij strafbare feiten beging en dat het verzuim dat te doen in de weg staat aan de vervolging van de verdachte. Het hof merkt voorts op dat niet aannemelijk is geworden dat de CIE, in het licht van de haar bekende informatie, bewust onverantwoorde risico’s heeft genomen ten aanzien van de veiligheid van de verdachte. Ook hier geldt dat hetgeen de verdachte op eigen initiatief ondernam, en zonder dat de CIE daarvan kennis droeg, voor zijn rekening en risico komt.

Met betrekking tot het hiervoor bedoelde, in een brief van mr. Van Essen aangehaalde, sms-bericht, overweegt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat dit door de verdachte aan zijn CIE-runners is verstuurd. De runners hebben ontkend dit bericht te hebben ontvangen, in de zich in het procesdossier bevindende resultaten van het telecomonderzoek komt het bericht niet voor en hetzelfde geldt voor het door de rechter-commissaris geraadpleegde CIE-dossier,6 zodat de verdediging als enige bron van het bestaan van dat sms-bericht resteert. Dat laatste klemt temeer nu mr. Van Essen in eerste aanleg ter terechtzitting van 14 april 2014 en 15 januari 2015 heeft gezegd te beschikken over de telefoon met het betreffende sms-bericht, doch deze niet aan de rechtbank heeft getoond, en de raadsvrouw in hoger beroep uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld alsnog de telefoon met dit bericht als stuk van overtuiging aan het hof over te leggen, maar van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.

Ten aanzien van de transcriptie van door de raadsvrouw van de verdachte aangeleverde geluidsopname, weergegeven in het rapport van [naam 6] , verbonden aan het TMFI, van 8 juni 2009 geldt dat de herkomst en datering van deze opname onduidelijk is gebleven en dat het een opname van slechte kwaliteit betreft waardoor slechts delen van het opgenomen gesprek verstaanbaar zijn. CIE-runner [naam 4] heeft verklaard wel de stem van de verdachte, maar niet zijn eigen stem of de stem van een collega te herkennen in de voor hem afgespeelde gedeelten van deze geluidsopname.7 CIE-runner [naam 5] heeft over verschillende fragmenten van de geluidsopname verklaard. Bij sommige fragmenten van de opname heeft hij de stem van de verdachte, die van CIE-runner [naam 4] en zijn eigen stem herkend en herinnerde hij zich de inhoud van het gesprek, bij andere fragmenten herkende hij niet de stem van [naam 4] of van zichzelf en zei de inhoud van de conversatie hem ook niets.8 Naar het oordeel van het hof kan, mede in het licht van het voorgaande, niet worden uitgesloten dat de geluidsopname is gemanipuleerd.

Het hof is voorts van oordeel dat de verstaanbare onderdelen van de opname die in de transcriptie zijn weergegeven, mede tegen de achtergrond van voormelde onduidelijkheden, wat betreft hun aard en strekking te weinig samenhang vertonen en daardoor zo onduidelijk zijn dat daaraan geen conclusies kunnen worden verbonden. De omstandigheid dat CIE-runner [naam 5] heeft verklaard de stem van de verdachte, die van [naam 4] en zijn eigen stem te herkennen in een gedeelte van de geluidsopname, maakt aannemelijk dat deze personen op dat moment aan het woord zijn, maar dat doet aan het voorgaande niet af.

Wat betreft de overige geluidsopnames die door de verdachte aan de rechter-commissaris zijn verstrekt, ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de rechter-commissaris die deze opnames heeft beluisterd, te weten dat niet duidelijk is wanneer de opgenomen gesprekken hebben plaatsgevonden, dat niet duidelijk is wie daaraan deelnamen (met dien verstande dat de rechter-commissaris de stem van de verdachte dacht te herkennen en nog één of twee mannelijke andere gespreksdeelnemers meende te horen) en dat uit die opnames niet kan worden afgeleid dat de CIE-runners van de verdachte wisten of hadden kunnen weten dat hij op 16 februari 2009 een kilo heroïne in zijn bezit had, dan wel dat zij hem daarvoor impliciet of expliciet toestemming hadden gegeven.9

Ten aanzien van de verweren onder (ii)

De stelling genoemd onder (a) mist feitelijke grondslag, nu blijkens de inhoud van het procesdossier op grond van een daartoe strekkende machtiging van de rechter-commissaris op 12 februari 2009 door de officier van justitie het bevel is gegeven tot het met ingang van die datum opnemen van telecommunicatie via het nummer [telefoonnummer 1] .10 Ten aanzien van het onder (b) gestelde geldt dat niet aannemelijk is geworden dat incompleetheden in de in het dossier opgenomen telecomgegevens het gevolg zijn van onzorgvuldig handelen van het openbaar ministerie (of de politie) waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Ook hetgeen onder punt (c) naar voren is gebracht, mist doel. Nog daargelaten dat artikel 187d Sv niet op een verdachte van toepassing is, rechtvaardigt een eventuele belemmering die de verdachte aanvankelijk heeft ondervonden in het ten volle vertellen van zijn kant van het CIE-verhaal geenszins de toepassing van enig door de raadsvrouw bepleit rechtsgevolg, ook al niet omdat de verdachte in het strafproces als geheel ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen – en deze ook heeft benut – zijn visie op de gang van zaken te belichten.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak A

Rechtmatigheid toepassing dwangmiddelen

De raadsvrouw heeft zich op de terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de staande- en aanhouding van de verdachte op 26 september 2007 onrechtmatig zijn geweest en heeft daartoe aangevoerd dat het erop lijkt dat sprake is geweest van een zogenaamde dynamische verkeerscontrole (avant la lettre). Eerst daarna is jegens de verdachte verdenking van witwassen ontstaan en op grond van die verdenking zijn de woning van de verdachte en diens auto doorzocht. Die twee dwangmiddelen zijn derhalve ook ingezet naar aanleiding van de dynamische verkeerscontrole en mitsdien onrechtmatig. Op deze gronden heeft de raadsvrouw primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte in zaak A en subsidiair is gesteld dat het resultaat van de onrechtmatige handelwijze, te weten het aantreffen van een bolletje heroïne en een busje pepperspray (het hof begrijpt: traangas), op grond van artikel 359a, tweede lid, Sv van het bewijs dient te worden uitgesloten, waarna vrijspraak dient te volgen.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op 23 augustus 2007 heeft de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam de aanhouding (naar het hof begrijpt: buiten heterdaad) en de signalering van de verdachte bevolen in verband met een jegens hem gerezen verdenking ter zake van woninginbraak.11 De verdachte is op 26 september 2007 aangehouden door de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .12 In een proces-verbaal van 28 september 2007 staat vermeld dat die aanhouding plaatsvond tijdens een verkeerscontrole ter zake van een openstaande signalering.13 De aanleiding van de aanhouding van de verdachte is verduidelijkt in een proces-verbaal van [verbalisant 1] van 24 juni 2008.14 Anders dan de raadsvrouw ziet het hof geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal. Uit dit laatste proces-verbaal komt naar voren dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 26 september 2007 omstreeks 02.00 uur waren belast met surveillancedienst en in een opvallende politieauto in Breukelen reden. Daar zagen zij een Fiat Stilo rijden waarvan de verlichting niet in orde was. Hierop hebben zij de bestuurder van de Fiat – naar even later bleek: de verdachte – een stopteken gegeven, waaraan deze voldeed. De politieambtenaren deden bij de meldkamer navraag naar het kenteken van de Fiat. Toen bleek dat de bestuurder niet de eigenaar van het voertuig was. Deze vaststelling van de politieambtenaren wekt bij het hof, anders dan bij de raadsvrouw, geen bevreemding, omdat het kenteken op naam stond van een vrouw15 en de verdachte van het mannelijk geslacht is. Vervolgens is de bestuurder naar zijn identiteitsbewijs gevraagd en is de meldkamer bevraagd op zijn personalia. Daarbij bleek dat de verdachte als gesignaleerd stond terzake van een woninginbraak voor de Regio Amsterdam-Amstelland. Hierop is de verdachte ter uitvoering van het door de officier van justitie gegeven bevel aangehouden.16

Gelet op de kennelijk gemankeerde verlichting van de Fiat waren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], mede gezien het bepaalde in artikel 5.2.51 van het Voertuigreglement (oud) en de artikelen 158 tot en met 160 van de Wegenverkeerswet 1994, bevoegd de bestuurder te vorderen de Fiat te doen stilhouden. Gezien de bevinding omtrent de persoon van de tenaamgestelde van het kenteken van de Fiat konden de politieambtenaren op de voet van artikel 8a van de Politiewet 1993 van de bestuurder vervolgens inzage vorderen in zijn identiteitsbewijs. Toen de personalia van de bestuurder bekend werden en bleek dat jegens hem een bevel tot aanhouding buiten heterdaad was uitgevaardigd, stond de politieambtenaren er niets aan in de weg aan dat bevel uitvoering te geven. Dit betekent dat de staandehouding (of beter gezegd: het doen stilhouden) en de aanhouding van de verdachte op rechtmatige wijze hebben plaatsgevonden. Aan de daarop volgende doorzoeking van de Fiat en de woning van de verdachte kleeft dan ook niet het door de raadsvrouw opgevoerde gebrek.

Bewijsverweer met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het in zaak A onder 3 tenlastegelegde vrijspraak bepleit op de volgende gronden. De verbalisant (het hof begrijpt: opsporingsambtenaar [verbalisant 3] die bij proces-verbaal van 29 september 2007 de bevindingen van zijn onderzoek van het inbeslaggenomen busje CS-gas heeft gerelateerd) noch het NFI heeft de inhoud van het busje pepperspray (het hof begrijpt: traangas) gecontroleerd. De verdediging heeft van meet af aan betwist dat het busje nog vloeistof bevatte en zonder vloeistof kan het busje niet worden gebruikt als wapen, zodat het niet onder de Wet wapens en munitie (WWM) valt. De verdachte heeft verklaard dat hij het busje had geprobeerd te gebruiken, maar dat er niets uit kwam.

De onderzoekswensen van de verdediging met betrekking tot het busje zijn consequent afgewezen, zodat de verdediging een onvoldoende adequate en effectieve mogelijkheid heeft gehad het belastende bewijsmateriaal te betwisten en haar rechten ex artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn geschonden.

Een en ander dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de vondst van het busje.

Daarnaast wist de verdachte niet meer dat het busje in zijn woning lag, zodat niet kan worden gezegd dat hij zich (in meerdere of mindere mate) bewust was van de aanwezigheid van het busje in zijn woning.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.

Voormelde opsporingsambtenaar, [verbalisant 3], heeft in zijn proces-verbaal van 29 september 2007 gerelateerd dat het onderhavige busje een gasbusje was, dat het gevuld was met vloeistof en dat het busje als opschrift had: ‘K.O. Spray CS Gas’. Dit bracht hem tot de vaststelling dat het gasbusje bestemd was voor het treffen van personen met een giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende of soortgelijke stof.

De bij de politie17 en ter terechtzitting in eerste aanleg18 en hoger beroep19 afgelegde verklaringen van de verdachte over het busje zijn naar het oordeel van het hof niet anders op te vatten dan dat hij wist dat het gasbusje (al lange tijd) in zijn woning lag en dat daar traangas in zat. De stelling van de raadsvrouw dat de verdediging van meet af aan heeft betwist dat in het busje geen vloeistof meer zat, mist voor wat betreft de verdachte dan ook feitelijke grondslag. Tevens is met die verklaringen komen vast te staan dat de verdachte zich (ook) in de ten laste gelegde periode van op 1 tot en met 29 september 2007 in meerdere of mindere mate bewust was van de aanwezigheid van het gasbusje in zijn woning.

In het licht van het voorgaande en in aanmerking genomen dat de verdediging in geen enkel stadium van de berechting van de zaak in hoger beroep heeft verzocht om nader onderzoek naar de inhoud van het busje, kan niet met vrucht worden betoogd dat tekort is gedaan aan de in artikel 6, derde lid, EVRM gegarandeerde rechten van de verdediging.

Bij deze stand van zaken kan worden bewezen dat de verdachte het onderhavige gasbusje voorhanden heeft gehad. De enkele veronderstelling van de verdachte dat het gasbusje niet naar behoren functioneerde brengt niet mee dat het niet onder het bereik van de WWM valt (vgl. HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3503).

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak B

Rechtmatigheid toepassing dwangmiddelen

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanhouding van de verdachte op 16 februari 2009 en de daarop volgende doorzoekingen onrechtmatig waren op de navolgende gronden. De CIE-informatie was deels gedateerd, niet bijster concreet en kon niet als betrouwbaar worden aangemerkt. De auto en de woning van de verdachte zijn doorzocht op grond van de WWM, terwijl het onderzoek van de politie niet wees op de betrokkenheid van de verdachte bij dergelijke feiten. Omdat ten tijde van de inzet van deze dwangmiddelen geen gerechtvaardigde verdenking ter zake van overtreding van de WWM bestond, zijn de op wet gebaseerde doorzoekingen van de auto en de woning onrechtmatig. Bovendien was er geen machtiging de woning te doorzoeken op de aanwezigheid van verdovende middelen. De gevonden heroïne is hiermee onrechtmatig verkregen en die vondst dient te worden uitgesloten van het bewijs, reden waarom de verdachte moet worden vrijgesproken van de aan hem tenlastegelegde feiten.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Op 10 februari 2009 ontving een onderzoeksteam van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland een anonieme brief waarin stond dat de verdachte beschikte over een wapenarsenaal, waaronder handvuurwapens, volautomatische geweren en handgranaten. De verdachte zou deze wapens hebben buitgemaakt bij een woningoverval (ripdeal) met ene [medeverdachte 1] . Voorts zouden [medeverdachte 1] en de verdachte zich actief bezig houden met wapenhandel, drugshandel, afpersing en ripdeals. De verdachte zou verblijven op het [locatie 1] in Amsterdam en zou gebruik maken van een BMW 3-serie met het kenteken [kenteken 1] . Op 11 februari 2009 ontving het onderzoeksteam een proces-verbaal van de CIE, waarin stond vermeld dat [medeverdachte 1] in werkelijkheid [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heette en dat eerder over hem was gemeld dat hij in het bezit was van een pistool. Naar aanleiding van het voorgaande werd op 11 februari 2009 onderzoek 13Lans gestart. Uit onderzoek in de politiesystemen bleek onder meer het volgende. De verdachte en [medeverdachte 1] stonden beiden als vuurwapengevaarlijk geclassificeerd. Als verblijfadres van de verdachte was bekend het adres [locatie 1] . Het kenteken [kenteken 1] was weliswaar ongeldig, maar de verdachte en [medeverdachte 1] waren in het verleden gezamenlijk aangetroffen in een BMW 3 Serie met het kenteken [kenteken 2] . De verdachte en [medeverdachte 1] beschikten over antecedenten die zagen op verboden wapenbezit en op geweldsdelicten, waaronder overvallen.20 Op 12 februari 2009 ontving het onderzoeksteam CIE-informatie, onder meer inhoudende dat [medeverdachte 1] en de verdachte zich bezig hielden met het rippen van anderen.21

Op 12 februari 2009 heeft de officier van justitie naar aanleiding van die feiten en omstandigheden toestemming gegeven (het hof begrijpt: het bevel gegeven) de verdachte buiten heterdaad aan te houden22 en het bevel gegeven om met ingang van die datum en voor een periode van ten hoogste twee weken de gesprekken gevoerd met behulp van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] af te luisteren en op te nemen.23 De officier van justitie heeft vervolgens op 13 februari 2009 het bevel gegeven om met ingang van die laatste datum de telefoongesprekken gevoerd met behulp van het telefoonnummer van de verdachte af te luisteren en op te nemen, eveneens voor een periode van ten hoogste twee weken.24 Het onderzoeksteam vermoedde dat in sommige van de telefoongesprekken die hierna zijn afgeluisterd door de verdachte in versluierde taal over verdovende middelen werd gesproken.25

De verdachte is op 16 februari 2009 onder observatie genomen. Daarbij werd gezien dat de verdachte, die een gevulde witte plastic tas met een blauwe opdruk bij zich had, het pand aan het [locatie 1] om 11.05 uur verliet, in een grijze Fiat Stilo stapte en vertrok.26 Om 11.40 uur is de verdachte ter uitvoering van het door de officier van justitie gegeven bevel tot aanhouding op verdenking van overtreding van artikel 26, eerste lid, WWM in zijn voertuig aangehouden.27 Kort daarna heeft de politie (met een op artikel 49 van de WWM gestoelde machtiging tot binnentreden van de hulpofficier van justitie)28 de woning aan het [locatie 1] doorzocht in de verwachting (vuur)wapens aan te treffen.29 In de woning is 647 gram poeder bevattende heroïne aangetroffen. De auto van de verdachte is diezelfde dag doorzocht, waarbij 990 gram poeder bevattende heroïne is gevonden.

Het hof is van oordeel dat de inhoud van de anonieme brief, in combinatie met de informatie uit de politiesystemen, voldoende concreet en specifiek was om het in artikel 49 van de WWM bedoelde vermoeden op te leveren op grond waarvan doorzoeking ter inbeslagneming mocht worden verricht in de woning en in de auto van de verdachte. Ook is het hof van oordeel dat de officier van justitie op grond van diezelfde feiten en omstandigheden tot de conclusie heeft kunnen komen dat een redelijk vermoeden van schuld bestond dat de verdachte zich schuldig maakte aan overtreding van (artikel 26 van) de WWM, zodat aan het door hem gegeven bevel als bedoeld in artikel 54, eerste lid, Sv en aan de daaraan gegeven uitvoering geen gebrek kleeft. De omstandigheid dat uit de afgeluisterde telefoongesprekken aanwijzingen werden verkregen dat de verdachte zich bovendien schuldig maakte aan overtredingen van de Opiumwet, deed niets af aan genoemd vermoeden c.q. die verdenking. Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat de rechtmatig op grond van de WWM aangevangen en nog niet voltooide doorzoeking in de woning gestaakt had moeten worden na het aantreffen van verdovende middelen en pas voortgezet had mogen worden met een machtiging van de rechter-commissaris, faalt dat betoog, omdat het geen steun vindt in het recht.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak C

De raadsvrouw heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van het in zaak C onder 1 tenlastegelegde, omdat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Het hof is van oordeel dat dit verweer zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen.

De verdachte heeft (op de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep) gesuggereerd dat hij in de door de politie opgenomen telefoongesprekken weliswaar heeft gesproken over “het (kunnen) leveren”, maar dat hij dat zei om de schijn op te houden, omdat hij zich niet zonder gevaar kon terugtrekken uit het criminele milieu. Het is daarom nooit tot een daadwerkelijke verkoop of levering gekomen, aldus de verdachte. Deze suggestie wordt gelogenstraft door de vaststelling dat de verdachte op 14 juni 2011 een forse hoeveelheid heroïne heeft afgeleverd aan [naam 2] . Daarbij komt dat het hof het ongeloofwaardig acht dat de verdachte in de tenlastegelegde periode buitengewoon veel tijd en energie in telefoongesprekken heeft gestoken, louter teneinde ‘de schijn op te houden’.

De raadsvrouw heeft voorts aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is om ten aanzien van het in zaak C onder 2 tenlastegelegde tot een bewezenverklaring te komen, omdat de verdachte heeft verklaard dat de woning (naar het hof begrijpt: aan de [adres 1]) werd gebruikt door meer mensen en ‘onvoldoende bewezen is dat de aangetroffen heroïne van de verdachte was’.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat
a) de verdachte de huurder van de woning aan de [adres 1] was, hij de huurpenningen betaalde, over een sleutel van de woning beschikte en daar persoonlijke bezittingen, waaronder poststukken, had liggen,
b) van de verdachte bekend was dat hij in de woning verbleef,
c) de verdachte wist dat zich in de woning heroïne en cocaïne bevonden,
d) in de woning een stofkapje is aangetroffen, bij bemonstering van de binnenzijde van het stofkapje (ter hoogte van het mondgedeelte) een biologisch spoor is veiliggesteld waarvan het daaruit verkregen DNA-profiel met maximale zeldzaamheid matcht met het DNA-profiel van de verdachte (zodat het hof concludeert dat de verdachte de donor van het spoor is) en op dat stofkapje (ook) een hoeveelheid heroïne is aangetroffen, en

e) de (mede) door de verdachte aan [naam 2] afgeleverde hoeveelheid heroïne afkomstig was uit de woning aan de [adres 1].
Op grond hiervan neemt het hof als vaststaand aan dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de in de tenlastelegging genoemde harddrugs in bedoelde woning en daarover zodanig macht kon uitoefenen dat hij geacht kan worden die drugs aanwezig te hebben gehad. Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat in dit verband doorslaggevend is aan wie de aangetroffen drugs toebehoren, wordt overwogen dat die opvatting geen steun in het recht vindt (vgl. HR 28 mei 1985, NJ 1985/822). Daarbij komt dat op grond van hetgeen zojuist onder d) en e) is genoemd en de resultaten van de (overige) op 14 en 15 juni 2011 verrichte opsporingshandelingen die in de bewijsmiddelen zijn genoemd, voor het hof is komen vast te staan dat de op de [adres 1] aangetroffen waar (mede) van de verdachte was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd met dien verstande dat:

het in zaak A onder 2 tenlastegelegde

hij op 26 september 2007 te Breukelen opzettelijk heeft vervoerd 1,42 gram van een materiaal bevattende heroïne;

het in zaak A onder 3 tenlastegelegde

hij in de periode van 1 september 2007 tot en met 27 september 2007 te Amsterdam voorhanden heeft gehad een busje K.O. Spray CS-gas, zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met een verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof;

het in zaak B onder 1 tenlastegelegde

hij op 16 februari 2009 te Amsterdam en op de A4 ter hoogte van hectometerpaal 42,5 richting Den Haag (gemeente Leidschendam-Voorburg) opzettelijk heeft vervoerd 990 gram van een materiaal bevattende heroïne;

het in zaak B onder 2 tenlastegelegde

hij op 16 februari 2009 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 647 gram van een materiaal bevattende heroïne;

het in zaak C onder 1 tenlastegelegde

hij op tijdstippen in de periode van 14 maart 2011 tot en met 14 juni 2011 in Nederland opzettelijk heeft verkocht en/of verstrekt, aan [naam 2] en andere onbekend gebleven kopers, materiaal bevattende heroïne en materiaal bevattende cocaïne;

het in zaak C onder 2 tenlastegelegde

hij op 14 juni 2011 te Amstelveen opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,50 gram en 1.081 gram van een materiaal bevattende heroïne en 355 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring berust, zijn vervat in de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage. De bijlage maakt deel uit van dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaken A, B en C bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 2 en in zaak B onder 1 bewezenverklaarde levert telkens op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het in zaak A onder 3 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Het in zaak C onder 1 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het in zaak C onder 2 bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaken A, B en C bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en (overige) beslissingen omtrent het beslag

Hoofdstraf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 250, voor het in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest en voor het in zaak C onder 1 en 2 bewezenverklaarde eveneens tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor alle tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

De raadsvrouw heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen voor de duur die gelijk is aan het reeds door de verdachte in deze zaken ondergane voorarrest. Zij heeft hierbij gewezen op de geringe ernst van de feiten in zaak A, de lange tijd die sinds die feiten is verstreken, het feit dat de verdachte sinds 2011 niet meer in aanraking is geweest met justitie vanwege overtreding van de Opiumwet en op de overschrijding van de redelijke termijn. Bovendien heeft zij zich op het standpunt gesteld dat strafvermindering op zijn plaats is in verband met hetgeen door haar in de zaken A en B ten aanzien van het CIE-optreden naar voren is gebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van vier jaren schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben en het vervoeren van heroïne en cocaïne, waarbij de hoeveelheden die in 2009 en 2011 zijn aangetroffen van dien aard waren dat deze bestemd moeten zijn geweest voor verdere verspreiding en (de groot)handel. Voorts heeft hij zich in 2011 schuldig gemaakt aan handel in c.q. het verstrekken van verdovende middelen. Dat het hierbij niet om kleine hoeveelheden ging, blijkt uit de (in zaak C) aangetroffen hoeveelheden verdovende middelen, de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dat hij geen ‘50 grammetjes’ leverde (behalve misschien als monstertje) en uit de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken waarin de verdachte veelvuldig sprak over het leveren van verdovende middelen. In deze gesprekken werden – versluierd – bedragen van € 25.000 tot € 28.000 per kilogram werden genoemd. Met zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan de verspreiding en het gebruik van harddrugs. Het op de markt brengen van harddrugs vormt een ernstige bedreiging van de volksgezondheid en bevordert de toename van vermogensdelicten. Het is algemeen bekend dat gebruikers, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen, veelvuldig strafbare feiten plegen.

Daarnaast heeft de verdachte een busje traangas voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit hiervan brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 november 2017 is hij eerder veelvuldig onherroepelijk veroordeeld. Zo is hij in de periode van 1987 tot 2005 veroordeeld tot gevangenisstraffen voor een totale duur van ongeveer 14 jaar, ter zake van vergrijpen variërend van overvallen en (vuur)wapenbezit tot vernieling en diefstal. Deze (in totaal langdurige) gevangenisstraffen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw en herhaaldelijk ernstige strafbare feiten te plegen. Uit het dossier rijst dan ook het beeld op van een geharde beroepscrimineel. Op geen enkele wijze heeft de verdachte er in de onderhavige zaken blijk van gegeven zich rekenschap te geven van de laakbaarheid van zijn handelen of van het gevaar van zijn handelen voor de maatschappij. In tegendeel, hij heeft de verantwoordelijkheid voor het leeuwendeel van zijn gedragingen bij de CIE neergelegd.

In het licht van het voorgaande kan niet worden volstaan met een andere straf dan een vrijheidsbenemede straf en is oplegging van een vrijheidsbenemende straf van langere duur gerechtvaardigd. Nu het hof het verweer ten aanzien van het CIE-optreden heeft verworpen, kan hierin geen grond voor strafvermindering worden gevonden.

Het hof constateert dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM gegarandeerde recht van iedere verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht, in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Hoewel de vertraging in beide instanties voor een niet gering gedeelte is veroorzaakt door de (ingewilligde) verzoeken om aanhouding van de behandeling door de verdediging, zal het hof de overschrijding voor het overige verdisconteren in de op te leggen straf.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 6 maanden. In een vrijheidsstraf met de omvang zoals door de raadsvrouw bepleit zou de ernst van het bewezen geachte en het strafblad van de verdachte in onvoldoende mate tot uitdrukking komen, mede gezien de straffen die in soortgelijke gevallen door rechters plegen te worden opgelegd.

Bijkomende straffen en (overige) beslissingen omtrent het beslag

Zaak A

Tijdens het onderzoek onder het onderhavige parketnummer zijn een OLVG-pas (goednummer 3130974), pasfoto’s (nummer 13 beslaglijst), waardepapieren (nummers 14 en 15 beslaglijst) en een vliegticket (nummer 16 beslaglijst) in beslag genomen, althans het hof houdt het – niettegenstaande het ontbreken van kennisgevingen van inbeslagname met betrekking tot die voorwerpen – daarvoor, omdat deze zijn vermeld op de lijst van in beslag genomen voorwerpen van 19 maart 2014. Deze goederen zijn (vermoedelijk) nog niet zijn teruggegeven. Voor het hof is genoegzaam komen vast te staan dat deze goederen toebehoren aan [slachtoffer] , zodat het hof zal gelasten dat deze goederen aan hem worden teruggegeven.

De op 27 september 2007 onder [medeverdachte 2] in beslag genomen giroafschriften (goednummers 3130984 en 3183096), kassabonnen (goednummer 3183093), jaaropgave en salarisspecificatie (goednummer 3183100), stortingsbewijzen (goednummers 3183101 en 3183103) en rol plastic zakjes (goednummer 3183118) zijn nog niet teruggegeven. Het hof zal gelasten dat deze goederen aan haar worden teruggeven.

De op 27 september 2007 onder de verdachte in beslag genomen stortingsbewijzen (goednummers 3183216 en 3183220), bon (goednummer 3183218) en pandbewijzen (goednummer 3183219) zijn nog niet teruggegeven. Het hof zal gelasten dat deze goederen aan hem worden teruggegeven.

Zaak B

Op 16 februari 2009 is onder de verdachte in beslag genomen een Fiat Stilo met kenteken [kenteken 3] (goednummer 3181895).30 Het hof neemt als vaststaand aan dat de verdachte de feitelijke eigenaar is van dit voertuig en dit dus aan hem toebehoort, aangezien:

- de verdachte dit voertuig ooit heeft gekocht;31

- de verdachte op 26 september 2007 in dit voertuig harddrugs heeft vervoerd;

- de verdachte op 16 februari 2009 in dit voertuig harddrugs heeft vervoerd en hij kort na zijn aanhouding ter zake heeft verklaard dat hij goederen in zijn auto had vervoerd;32

- de verdachte, zo kan uit de verklaringen van getuige S. Rutten33 worden opgemaakt, de regelmatige bestuurder was van het voertuig en dat de verdachte daarover lang de beschikking had.

De omstandigheid dat de echtgenote van de verdachte op de eerstgenoemde datum34 en haar zuster op de tweede datum als kentekenhouder stonden geregistreerd35 is in dit licht van onvoldoende gewicht om een andere conclusie te rechtvaardigen.

Nu het in zaak B bewezenverklaarde met behulp van de Fiat is begaan, is deze vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit het requisitoir van de officier van justitie is naar voren gekomen dat het voertuig op grond van een machtiging als bedoeld in artikel 117 Sv inmiddels is vervreemd. Daarom zal de opbrengst van de verkoop van het voertuig als bijkomende straf worden verbeurdverklaard. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen de ouderdom en de navenant te verwachten waarde van het in 200236 (door de RDW) toegelaten voertuig, als ook de draagkracht van de verdachte die – naar eigen zeggen – met pensioen kan zodra hij uit detentie komt, omdat hij ‘nog een appeltje voor de dorst’ heeft.

Zaak C

Het op 15 juni 2011 in de woning van de verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 8.000 (bestaande uit coupures van 500 en 50 euro)37 is nog niet teruggegeven (goednummer 4080820). Dat bedrag behoort de verdachte in eigendom toe.38 De verdachte heeft ter terechtzitting van 15 november 2017 verklaard dat hij dit geld mogelijk gedeeltelijk heeft verdiend met zijn werkzaamheden als CIE-informant. Het hof acht het hoogst onwaarschijnlijk dat dit contante bedrag afkomstig is van uitbetalingen op grond van de Regeling bijzondere opsporingsgelden (oud). De verdachte is immers na zijn aanhouding van 16 februari 2009 reeds uitgeschreven als informant van de CIE, terwijl het totaal van de hem op grond van die regeling verstrekte bedragen ver onder € 30.000 gelegen is geweest.39 Vast staat dat de verdachte zich in de bewezenverklaarde periode met verdovende middelen heeft beziggehouden en dat de gesprekken die hij toen aan de telefoon voerde over lira, euro, auto, ticket, melk, brood over de handel in verdovende middelen gingen en dat de getallen daarbij steeds voor de prijs of de hoeveelheid stonden; meer specifiek stond het getal ‘2.5’ voor € 25.000 per kilo verdovende middelen en het getal ‘2.7’ voor € 27.000 per kilo.40 De grote frequentie waarmee de verdachte in de gedurende de bewezenverklaarde periode opgenomen telefoongesprekken er over spreekt dat hij ‘2.5’, ‘2.6’, 2.65’ of ‘2.8’ heeft of kan regelen en de omstandigheid dat de verdachte op 14 juni 2011 over bijna 2 kilo harddrugs kon beschikken maken aannemelijk dat de verdachte met de handel in aanzienlijke hoeveelheden harddrugs veel geld heeft verdiend. De verdachte heeft voorts verklaard dat personen in het criminele milieu betaalden in coupures als aangetroffen41 en dat hij heroïne van A naar B reed, meestal in grotere pakken; hoeveelheden van 50 gram leverde hij niet.42 Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, brengen het hof tot de conclusie dat het aangetroffen geldbedrag van € 8.000 geheel of grotendeels door het onder 1 bewezen feit is verkregen en mitsdien voor verbeurdverklaring vatbaar is. Daarom zal het hof dit bedrag als bijkomende straf verbeurdverklaren. Ook hierbij is gelet op de draagkracht van de verdachte op de wijze als zo-even genoemd.

Het op 15 juni 2011 in de woning van de verdachte (in de slaapkamer van zijn echtgenote [medeverdachte 2] ) in beslag genomen geldbedrag van € 2.000 is nog niet teruggegeven (goednummer 4080826). Voor het hof is genoegzaam komen vast te staan dat dit bedrag toebehoort aan [medeverdachte 2] . Nu zij redelijkerwijs als rechthebbende heeft te gelden, zal het hof gelasten dat dit bedrag aan haar wordt teruggegeven.

Twee, relatief kleine, onder de verdachte in beslag genomen geldbedragen (goednummers 4081188 en 4081337) zijn nog niet zijn teruggegeven. Het hof zal gelasten dat deze bedragen worden teruggegeven aan de verdachte.

Op 15 juni 2011 is in de middenconsole van een Volkswagen Bora met kenteken [kenteken 4] aangetroffen en (niet onder een persoon) in beslag genomen een bedrag aan kleingeld (goednummer 4081477).43 Het voertuig stond op naam van de echtgenote van de verdachte, [medeverdachte 2] .44 Daarom kan zij redelijkerwijs als rechthebbende op dat geldbedrag worden beschouwd en zal de teruggave daarvan aan haar worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 33, 33a, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in zaak B onder 3 en 4 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis in zaak B voor het overige, alsook de vonnissen in de zaken A en C en doet (in zoverre) opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 2 en 3, zaak B onder 1 en 2 en zaak C onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 2 en 3, zaak B onder 1 en 2 en zaak C onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- ( de opbrengst van de verkoop van een) Fiat Stilo met kenteken [kenteken 3] (goednummer 3181895);

- geldbedrag van € 8.000 (goednummer 4080820).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- stortingsbewijzen (goednummer 3183216);

- stortingsbewijzen (goednummer 3183220);

- bon (goednummer 3183218);

- pandbewijzen (goednummer 3183219);

- geldbedrag van € 570,20 (goednummer 4081188);

- geldbedrag van € 5,80 (goednummer 4081337).

Gelast de teruggave aan [slachtoffer] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- OLVG-pas (goednummer 3130974);

- pasfoto’s (nummer 13 op beslaglijst);

- waardepapieren (nummers 14 en 15 op beslaglijst);

- vliegticket (nummer 16 op beslaglijst).

Gelast de teruggave aan [medeverdachte 2] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- giroafschrift (goednummer 3130984);

- giroafschrift (goednummer 3183096);

- kassabonnen (goednummer 3183093);

- jaaropgave en salarisspecificatie (goednummer 3183100);

- stortingsbewijzen (goednummer 3183101);

- stortingsbewijzen (goednummer 3183103);

- rol plastic zakjes (goednummer 3183118);

- geldbedrag € 2.000 (goednummer 4080826);

- geldbedrag € 4,90 (goednummer 4081477).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.J.I. de Jong, mr. A.M. van Woensel en mr. R. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. C.J.J. Kwint, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 29 november 2017.

[....]

[....]

[....] 45

[....]

[....] 46

[....]

[....] 47

[....]

[....] 48

[....]

[....]

[....] 49

[....]

[....]

1 [....]

2 [....]

3 [....]

4 [....]

5 [....]

6 [....]

7 [....]

8 [....]

9 [....]

10 [....]

11 [....]

12 [....]

13 [....]

14 [....]

15 [....]

16 [....]

17 [....]

18 [....]

19 [....]

20 [....]

21 [....]

22 [....]

23 [....]

24 [....]

25 [....]

26 [....]

27 [....]

28 [....]

29 [....]

30 [....]

31 [....]

32 [....]

33 [....]

34 [....]

35 [....]

36 [....]

37 [....]

38 [....]

39 [....]

40 [....]

41 [....]

42 [....]

43 [....]

44 [....]

45 [....]

46 [....]

47 [....]

48 [....]

49 [....]