Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2017:5030

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2017
Datum publicatie
27-12-2017
Zaaknummer
16/00472
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting; van belanghebbende die zich erop beroept dat sprake is geweest van in- en uitstappen, kan op zijn minst worden gevergd dat hij nader concretiseert wat de redengevende feiten en omstandigheden waren die tot deze conclusie nopen. Nu hij dit niet heeft gedaan moet het ervoor worden gehouden dat de auto geparkeerd stond. Geen strijd met artikel 8 EVRM, omdat – anders dan in HR 24 februari 2017, nr. 15/02068, ECLI:NL:HR:2017:286, BNB 2017/79 (het ‘ANPR-arrest’) – naar het oordeel van het Hof in dit geval geen sprake is van een inmenging in het privéleven. Het standpunt van belanghebbende dat hij op grond van Artikel 7:4, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht recht heeft op toezending van het integrale dossier vindt geen steun in de tekst van dat artikel noch in de Memorie van Toelichting daarop

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/6
Viditax (FutD), 29-12-2017
FutD 2018-0073
JBP 2018/11
Module Privacy en persoonsgegevens 2019/1248
NTFR 2018/156
Module Privacy & AVG 2019/1248
NLF 2018/0030 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 16/00472

23 november 2017

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer te Heerlen

tegen de uitspraak van 13 september 2016 in de zaak met kenmerk AMS 16/989 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 24 december 2015 aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van in totaal € 58,90 (€ 4 aan parkeerbelasting en € 54,90 aan kosten).

1.2.

Na daartegen gemaakt bewaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 4 februari 2016 de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 13 september 2016 het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 1 november 2016. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

In de gemeente Amsterdam wordt de controle op het betalen van parkeerbelasting (mede) uitgevoerd met behulp van een zogenoemde “scanauto”, die de kentekens van de auto’s die geparkeerd staan registreert en vergelijkt met de in de parkeerapparatuur opgeslagen gegevens van geparkeerde auto’s.

2.2.

Op 21 december 2015, tijdstip 21:32 uur, heeft een scanauto geregistreerd dat de auto van belanghebbende, met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto), stil stond in een parkeervak op de locatie [A-straat] ter hoogte van huisnummer [...] (hierna: de locatie), zonder dat er parkeerbelasting was voldaan. Ingevolge de Verordening Parkeerbelastingen 2015-II van de gemeente Amsterdam (Afd. 3A, 2015, nr. 85/293, Gemeenteblad nr. 44447, hierna: de Verordening) is in geval van parkeren op die locatie op dat tijdstip parkeerbelasting verschuldigd.

2.3.

Tot de gedingstukken behoort een afschrift uit de digitale systemen van Cition B.V. (hierna: Cition), waarop onder meer de volgende gegevens staan vermeld:

“(…)

Kenteken [kentekennummer]

[foto kentekenplaat met het leesbare kenteken [kentekennummer] ]

Gescand : maandag 21-12-2015 21:32:17

(…)

Geparkeerd : Ja

Processtatus : Gereed

(…)

Adres : [A-straat] (P)

Team : (CADDY05) Caddy 5

Scanapparaat : Caddy05 - cition-caddy05

(…)

Wachtrij status

Van Status Naar Status

21:32:17 Initieel 21:32:22 Gescand

21:32:22 Gescand 21:37:30 Verdacht

21:37:30 Verdacht 21:37:37 Wacht op handhaver

21:37:37 Wacht op handhaver 21:45:17 Controle door handhaver

21:45:17 Controle door handhaver 21:48:11 Gereed

2.4.

In het namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift van 11 januari 2016 heeft de gemachtigde verzocht te worden gehoord op de voet van artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Daarnaast heeft de gemachtigde in het bezwaarschrift het volgende verzoek opgenomen:

“Tot slot verzoek ik u mij namens cliënt om, mede in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor, alle zaakstukken in dit dossier te doen toekomen zodat deze bestudeerd kunnen worden voordat de hoorzitting plaats heeft.”

2.5.

Bij brief van 14 januari 2016 heeft de heffingsambtenaar als volgt op dit verzoek gereageerd:

“Wij nodigen u (…) uit uw standpunt mondeling toe te lichten op een hoorzitting op 28 januari 2016. Wij vragen u om 12.00 uur aanwezig te zijn op het bezoekadres (…). (…) Tot drie dagen voor de hoorzitting kunt u de stukken komen inzien. U kunt hiervoor telefonisch een afspraak maken (…).”

2.6.

Nadat de gemachtigde had bericht op de voorgestelde datum verhinderd te zijn en had verzocht om telefonisch te worden gehoord, heeft de heffingsambtenaar de gemachtigde bij brief van 22 januari 2016 uitgenodigd voor een hoorzitting op 2 februari 2016. In deze brief is aangegeven dat de gemachtigde tot drie dagen vóór de hoorzitting de stukken kan inzien en dat hij hiervoor een telefonische afspraak kan maken. Vervolgens is de gemachtigde op 2 februari 2016 telefonisch gehoord.

2.7.

Tijdens de zitting in hoger beroep is door de gemachtigde onder meer het volgende verklaard:

“Ik kan mijn stelling dat door scanauto’s verzamelde gegevens op systematische wijze worden bewaard en raadpleegbaar gehouden desgewenst van nader bewijs voorzien; ik doe in dit verband een bewijsaanbod. Waar is mijn stelling concreet op gebaseerd? Ik baseer mijn stelling op de website naheffingsaanslag.amsterdam.nl. Ik heb geconstateerd dat invoering van een kenteken, bijvoorbeeld dat van belanghebbende, op genoemde website een overzicht oplevert van ten aanzien van dat kenteken opgelegde naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Doorklikken op een naheffingsaanslag leidt tot een foto van het kenteken en overige detailgegevens die door de scanauto zijn verzameld. Wat verder nog relevant is: ook de naheffingsaanslagen waartegen geen bezwaar is gemaakt of waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard, blijven op de website raadpleegbaar. Er worden dus geen gegevens verwijderd. Ook niet-houders van het desbetreffende kenteken kunnen de website blijven raadplegen. Wie beheert deze website? Ik neem aan de gemeente Amsterdam.”

2.8.

Tijdens de zitting in hoger beroep is door de heffingsambtenaar onder meer het volgende verklaard:

“Ik betwist de stelling van belanghebbende dat geen tweede controlemoment zou hebben plaatsgevonden. De tweede controle blijkt uit het scanoverzicht, dat als bijlage 7 bij het verweerschrift in eerste aanleg is overgelegd. Het scanoverzicht vermeldt de belangrijkste kenmerken van de naheffingsaanslag. ‘CADDY05’ is de aanduiding van de controleur. Rechts is een overzicht opgenomen van een aantal tijdstippen. Het eerste tijdstip betreft het scanmoment; het kenteken is gescand en dan komt er een signalering door het systeem, dat ter controle gegevens opvraagt in het Nationale Parkeerregister, dat niet is betaald. Dan wordt het voertuig aangemerkt als ‘verdacht’. Vervolgens blijkt uit de vermelding van het desbetreffende tijdstip in het scanoverzicht dat om 21:45:17 uur een handhaver ter plekke is geweest. Wat doet de handhaver? De handhaver controleert of betaald is voor het parkeren; dat gaat digitaal. Tussen het sein ‘verdacht’ en de aankomst van de handhaver bij de auto zit in dit geval een tijdsduur van 13 minuten. Er is daarom geen sprake van laden en lossen dan wel in- en uitstappen; als iets daarvan was waargenomen, dan was de naheffingsaanslag niet doorgezet. Het tijdstip ’21:48:11 Gereed’ is het moment dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting definitief door de handhaver is doorgezet (…).”

2.9.1.

Op de website van de gemeente Amsterdam (www.Amsterdam.nl/veelgevraagd) is onder het Onderwerp “Bon voor te weinig betaald parkeergeld” – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“Inzage of kopie parkeerbon

Met het kenteken van de auto en het bonnummer kunt u via naheffingsaanslag.amsterdam.nl uw bon(nen) inzien. Daar kunt u ook bezwaar maken. Via Mijn Belastingen kunt u met DigiD uw parkeerbonnen van de laatste zes maanden inzien.

Foto van de overtreding

Als u via naheffingsaanslag.amsterdam.nl bezwaar maakt, kunt u op verzoek de foto zien die de scanauto van uw voertuig heeft gemaakt. U krijgt de foto alleen op verzoek toegestuurd, met het besluit op het bezwaar.”

2.9.2.

Op de website www.naheffingsaanslag.amsterdam.nl is onder meer het volgende vermeld:

“Gemeente Amsterdam

(…)

Parkeerbon inzien

Met uw kenteken en het nummer van uw naheffingsaanslag kunt u uw parkeerbon inzien. U kunt hier ook meteen bezwaar maken en de status van uw bezwaarschift volgen.

Kenteken [in te vullen veld]

Aanslagnummer [in te vullen veld] Bekijk uw parkeerbon >

Parkeerdiensten B.V., Postbus 2727, 1000 CS Amsterdam”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht is opgelegd. Het geschil in hoger beroep is toegespitst op de vraag of de auto niet langer heeft stilgestaan dan nodig was voor het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, in welk geval heffing van parkeerbelasting achterwege dient te blijven. Daarnaast is in geschil of de heffingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), doordat de naheffingsaanslag (mede) is vastgesteld op basis van door een scanauto vergaarde gegevens.

3.2.

Voorts is in geschil of de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met het voorschrift van artikel 7:4, vierde lid, Awb doordat deze, ondanks een verzoek daartoe van de gemachtigde, voorafgaand aan de hoorzitting geen afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de gemachtigde heeft toegezonden.

4 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak (waarin belanghebbende wordt aangeduid als ‘eiser’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’) – voor zover hier van belang – als volgt omtrent het geschil overwogen en beslist:

“6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser op een fiscale parkeerplaats geparkeerd stond en dat er geen parkeerbelasting was voldaan. Verder overweegt de rechtbank dat eiser niet heeft onderbouwd dat er sprake was van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Uit de door verweerder overgelegde gegevens van de scanauto blijkt dat de auto van eiser ongeveer dertien minuten geparkeerd stond. Dit is zodanig lang dat alleen al op basis daarvan de rechtbank niet aannemelijk acht dat er sprake was van het onmiddellijk in- of uitstappen van personen, dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat er sprake was van parkeren in de zin van artikel 2, aanhef en onder a, van de Verordening.

7. Ter zitting heeft verweerder verduidelijkt dat er om 21:45 uur wel degelijk een controle door een parkeercontroleur heeft plaatsgevonden. Dit blijkt als zodanig uit de scangegevens. De beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet.

8. Verder is niet gebleken dat er extra informatie door verweerder is ingewonnen bij de parkeercontroleur zoals gesteld door eiser. Verweerder heeft ter zitting ook toegelicht dat dit niet is gebeurd. Nu van feiten en/of omstandigheden die pas ná de telefonische hoorzitting van 2 februari 2016 bekend zijn geworden geen sprake is, is artikel 7:9 van de Awb niet geschonden. Al het overige dat door eiser is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

9. Nu is vastgesteld dat sprake is van parkeren in de zin van de Verordening, heeft het belastbaar feit zich voorgedaan en is de naheffingsaanslag terecht opgelegd. (…)”

5 Beoordeling van het geschil

Parkeren dan wel onmiddellijk in- en uitstappen

5.1.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat geen sprake is geweest van parkeren, maar van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen in de zin van artikel 2, onderdeel a, van de Verordening, zodat de opgelegde naheffingsaanslag dient te worden vernietigd. Uit de door de heffingsambtenaar overgelegde stukken volgt niet dat de auto gedurende ongeveer dertien minuten op de locatie heeft stilgestaan. Belanghebbende, die taxichauffeur is, stelt dat hij, nadat de scanauto de auto om 21:32 uur op de locatie had geregistreerd, met de auto is weggereden en vervolgens weer is teruggekeerd en de auto opnieuw heeft stilgezet in het parkeervak op de locatie; beide keren is sprake geweest van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. Belanghebbende heeft betwist dat de door de heffingsambtenaar gestelde fysieke controle heeft plaatsgevonden; dit blijkt niet uit het onder 2.3 vermelde afschrift. De heffingsambtenaar heeft geen proces-verbaal met bevindingen van de parkeercontroleur overgelegd, terwijl evenmin de feitelijke situatie met foto’s is vastgelegd, zoals bijvoorbeeld in zogenoemde Mulderzaken gebruikelijk is. Gelet op met name het commerciële belang van de bij Cition werkzame medewerkers kan er niet zonder meer van worden uitgegaan dat de verklaringen van Cition of haar medewerkers juist zijn. Aldus belanghebbende.

5.1.2.

De heffingsambtenaar heeft deze standpunten van belanghebbende betwist. De heffingsambtenaar betoogt dat de auto om 21:32 uur is gescand door een scanauto, waarna vervolgens om 21:45 uur nog een fysieke controle heeft plaatsgevonden door een parkeercontroleur die de onderhavige naheffingsaanslag uiteindelijk om 21:48 uur heeft opgelegd. Reeds vanwege het tijdsverloop van ongeveer dertien minuten tussen het tijdstip van scannen en de fysieke controle door een parkeercontroleur is de rechtbank volgens de heffingsambtenaar terecht tot het oordeel gekomen dat de auto geparkeerd heeft gestaan en dat de auto niet uitsluitend heeft stilgestaan voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. De parkeercontroleur heeft geen in- of uitstappende personen waargenomen. Volgens de heffingsambtenaar heeft belanghebbende in de bezwaar- en beroepsfase telkens wisselende standpunten ingenomen en heeft hij pas in hoger beroep enkel nog aangevoerd dat sprake was van het onmiddellijk in- en uitstappen, waarbij belanghebbende in hoger beroep voor het eerst stelt met de auto te zijn weggereden en weer te zijn teruggekomen. Het betreft hier louter stellingen, die belanghebbende niet heeft geconcretiseerd met feiten of een relaas waaruit kan worden geconcludeerd dat hetgeen door de gemachtigde naar voren is gebracht, aannemelijk is. Belanghebbende heeft, aldus de heffingsambtenaar, dan ook ten onrechte geen parkeerbelasting op aangifte voldaan. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de heffingsambtenaar zijn standpunten nader toegelicht, zoals weergegeven onder 2.8.

5.1.3.

In de Verordening is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1 Parkeerbelastingen

Onder de naam van parkeerbelastingen worden de volgende belastingen geheven:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats, tijdstip en wijze;

(…)

Artikel 2 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;”

De in artikel 2, onderdeel a, opgenomen definitie is inhoudelijk gelijkluidend aan de definitie van parkeren die in artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet is opgenomen.

5.1.4.

Het Hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de auto om 21:32 uur stil stond in een parkeervak op de locatie en dat in geval van parkeren op die locatie op dat tijdstip parkeerbelasting is verschuldigd. Het Hof acht aannemelijk, gelet op het onder 2.3 vermelde afschrift en de daarop door de heffingsambtenaar gegeven toelichting (zie 2.8), dat na het scanmoment de auto om 21:37 uur als “verdacht” is gesignaleerd (omdat na de geautomatiseerde controle in de database was gesignaleerd dat geen parkeerbelasting was voldaan) en dat vervolgens om 21:45 uur een fysieke controle heeft plaatsgevonden door een controleur van Cition B.V. (het bedrijf dat in de gemeente Amsterdam betaald parkeren controleert). Voorts acht het Hof aannemelijk dat, zoals de heffingsambtenaar heeft verklaard, deze controleur drie minuten later (om 21:48 uur) heeft bevestigd dat de auto op het desbetreffende tijdstip geparkeerd stond en dat hij deze bevestiging niet zou hebben verzonden indien hij gedurende deze periode in- of uitstappende personen had waargenomen. Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze vastleggingen en de daarop gegeven toelichting. Belanghebbende heeft geen concrete feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan zou kunnen worden getwijfeld aan de door de controleur in acht genomen objectiviteit en onafhankelijkheid. De enkele omstandigheid dat Cition B.V. een commerciële onderneming exploiteert, is daartoe onvoldoende. Het Hof is derhalve van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de auto zowel om 21:32 uur als om 21:45 uur op de locatie heeft stilgestaan, zonder dat daarvoor parkeerbelasting is voldaan.

5.1.5.

Bij deze stand van zaken kan van belanghebbende, die heeft gesteld dat op beide tijdstippen (21:32 en 21:45 uur) sprake is geweest van het onmiddellijk in- en uitstappen van personen en dat hij met de auto in de tussentijd is weggereden en weer op dezelfde locatie is teruggekeerd, op zijn minst worden gevergd dat hij nader concretiseert welke de redengevende feiten en omstandigheden waren die tot deze conclusie kunnen leiden. Temeer nu vastgesteld moet worden of het voertuig uitsluitend heeft stilgestaan gedurende de tijd die nodig was voor en gebruikt werd tot het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. Hierbij weegt het Hof mee dat om 21.45 uur een controle ter plaatse is uitgevoerd en dat het Hof aannemelijk acht, zoals hiervoor overwogen, dat de controleur drie minuten later (om 21:48 uur) heeft bevestigd dat de auto op het desbetreffende tijdstip geparkeerd stond en dat hij deze bevestiging niet zou hebben verzonden indien hij gedurende deze periode in- of uitstappende personen had waargenomen, zodat reeds om die reden niet aannemelijk is dat de auto op het tweede tijdstip uitsluitend heeft stilgestaan gedurende de tijd die nodig was voor het onmiddellijk in- en uitstappen van personen. Overigens acht het Hof de door belanghebbende voor het eerst in hoger beroep ingenomen, op geen enkele wijze nader geconcretiseerde stelling dat hij in de tussentijd is weggereden en om 21:45 uur weer op dezelfde locatie is teruggekeerd (met blijkbaar andere passagiers) ongeloofwaardig, zodat het er veeleer voor moet worden gehouden dat de auto (ook) in de periode tussen 21:32 en 21:45 uur onafgebroken geparkeerd heeft gestaan. Op dit punt is het gelijk derhalve aan de heffingsambtenaar.

Artikel 8 EVRM

5.2.1.

Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 8 EVRM heeft gehandeld doordat de naheffingsaanslag (mede) is vastgesteld op basis van door scanauto’s vergaarde gegevens. De wijze waarop de heffingsambtenaar de voor de naheffingsaanslag benodigde gegeven heeft vergaard ontbeert, aldus belanghebbende, een wettelijke basis. Evenmin bestaat een wettelijke basis waaraan de heffingsambtenaar systematische controlebevoegdheden kan ontlenen. Bovendien heeft de heffingsambtenaar niet de bevoegdheid tot het opslaan en systematisch vaststellen en bewaren van de op hem betrekking hebbende gegevens. Dit alles maakt, aldus nog steeds belanghebbende, dat de scangegevens die zich in het dossier bevinden niet ten grondslag mogen worden gelegd aan de naheffingsaanslag. Ter ondersteuning van zijn standpunt verwijst belanghebbende naar het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, nr. 15/02068, ECLI:NL:HR:2017:286, BNB 2017/79. Tijdens de zitting in hoger beroep heeft belanghebbende hierover nader verklaard, als weergegeven onder 2.7.

5.2.2.

De heffingsambtenaar heeft het standpunt ingenomen dat geen sprake is van handelen in strijd met artikel 8 EVRM en heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van dit Hof van 20 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2604. Van het in strijd met de waarborg van artikel 8 EVRM voor lange tijd op systematische wijze vastleggen en raadpleegbaar houden van gegevens is volgens de heffingsambtenaar geen sprake. De scangegevens worden, nadat de naheffingsaanslag parkeerbelasting is betaald, binnen 48 uur verwijderd; bij niet-betaling worden de gegevens bewaard totdat de desbetreffende naheffingsaanslag onherroepelijk is komen vast te staan, zo stelt de heffingsambtenaar. Voorts heeft de heffingsambtenaar verzocht de voor het eerst ter zitting in hoger beroep door belanghebbende ingenomen stellingen over de website naheffingsaanslag. amsterdam .nl tardief te verklaren, aangezien de heffingsambtenaar, naar hij ter zitting heeft gesteld, niet bekend is met deze website en geen onderzoek heeft kunnen doen naar de voor het eerst ter zitting hierover door belanghebbende ingenomen stellingen.

5.2.3.

Het Hof stelt voorop dat de gemeenteraad bevoegd was de Verordening vast te stellen. Naar het oordeel van het Hof is daarmee tevens een controlebevoegdheid gegeven op de naleving van de Verordening: de gemeente mag controleren of de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan. De controlebevoegdheid kent echter grenzen, gesteld door wet, verdrag en algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Belanghebbende stelt dat de grens getrokken door artikel 8 EVRM is overschreden.

5.2.4.

Artikel 8, eerste lid, EVRM, bepaalt – voor zover hier van belang – dat “een ieder (…) recht [heeft] op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven”. In het tweede lid van artikel 8 wordt vervolgens bepaald dat “geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid [Hof: en enige andere opgesomde belangen]”.

5.2.5.

Een schending van artikel 8 EVRM vindt dus plaats indien sprake is van (a) een inmenging als bedoeld in het tweede lid die (b) niet gerechtvaardigd wordt door één van de in dat lid genoemde belangen. De vraag of zich een inmenging voordoet, dient als eerste te worden beantwoord; is er geen inmenging, dan komt men aan de vraag of zich een rechtvaardigend belang voordoet niet toe.

5.2.6.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft meermaals overwogen dat het begrip ‘privéleven’ een “broad term” is die zich niet voor een uitputtende definitie leent (zie onder andere EHRM 28 januari 2003, nr. 44647/98, Peck v. United Kingdom, par. 57). Uit de sterk casuïstische jurisprudentie kan het volgende worden afgeleid.

5.2.7.

Aan de ene kant mag het begrip privéleven niet te beperkt worden opgevat. Artikel 8 EVRM beschermt niet alleen activiteiten in privéruimten (thuis), maar kan ook andersoortige activiteiten daarbuiten beschermen (zie onder andere EHRM 25 september 2001, nr. 44787/98, P.G. en J.H. v. United Kingdom, par. 56, ECLI:NL:XX:2001:AN9273). De enkele omstandigheid dat belanghebbende in de publieke ruimte handelingen verrichtte (het parkeren van zijn auto), laat dus onverlet de mogelijkheid dat het respect voor zijn privéleven is geschaad.

5.2.8.

Aan de andere kant levert niet ieder optreden van de overheid dat het privéleven raakt een “inmenging” op. Zo vormen waarnemingen in de publieke ruimte op zichzelf geen “inmenging”, ook niet als die waarnemingen plaatsvinden met behulp van apparatuur zoals camera’s. Bijzondere omstandigheden kunnen dat anders maken, bijvoorbeeld indien de waarnemingen systematisch worden opgeslagen en bewerkt, op een wijze als aan de orde in het door belanghebbende aangevoerde arrest van 24 februari 2017, BNB 2017/79. De Hoge Raad overwoog in dat arrest dat sprake was van een inmenging in het privéleven:

“2.3.3. (…) door de wijze van verzamelen, vastleggen, bewerken, bewaren, en door het gebruik van de met ANPR‑camera’s verkregen gegevens (…) Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het hier niet gaat om één of enkele waarnemingen in de openbare ruimte, maar om het systematisch verzamelen, vastleggen, bewerken en jarenlang bewaren van gegevens over de bewegingen van voertuigen op diverse plaatsen in Nederland, op een zodanige wijze dat die gegevens aan de hand van het kenteken tot een bepaald voertuig en daarmee (in beginsel) tot een bepaalde persoon kunnen worden herleid, en waarbij het doel (mede) is om aan de hand van een analyse van die gegevens per voertuig een beeld te krijgen van de verplaatsingen daarvan gedurende een jaar (vgl. EHRM 2 september 2010, Uzun vs. Germany, nr. 35623/05, par. 44 e.v.)”.

5.2.9.

Een andere wezenlijke (in de woorden van het EHRM: “significant”) omstandigheid die een rol speelt bij de vraag of een waarneming door de overheid een verboden inmenging oplevert, is de redelijke verwachting die de burger in de omstandigheden van het geval mocht hebben ten aanzien van zijn privacy.

5.2.10.

Het Hof komt voor het onderhavige geval tot het oordeel dat zich geen verboden inmenging heeft voorgedaan. De controles door middel van scanauto’s zijn aan te merken als waarnemingen in de publieke ruimte die op zichzelf geen verboden inmenging opleveren. De redelijke verwachtingen van belanghebbende omtrent zijn privacy zijn in dit opzicht niet geschaad. Integendeel, hij kon nu juist verwachten dat controle van de parkeerbelasting zou plaatsvinden, en dat bij en ten behoeve van die controle het kenteken van de auto zou worden geregistreerd.

5.2.11.

Voorts neemt het Hof bij zijn beoordeling in aanmerking dat, zoals in het Uitvoerings- en Aanwijzingsbesluit op grond van de Verordening Parkeerbelastingen 2017 en Parkeerverordening 2013 is opgenomen (vgl. de ter zitting aan partijen voorgehouden uitspraak van het Hof Amsterdam (meervoudige burgerlijke kamer) 16 mei 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1796, onder 2 (Feiten)), dat de door middel van een scanauto gescande kentekens voordat zij naar het zogenoemde Servicehuis Parkeer- en Verblijfsrechten (SHPV, hierna: het Servicecentrum) worden verzonden, worden omgezet in een 40 karakters tellende versleutelde code en dat het Servicecentrum niet beschikt over kentekengegevens in onversleutelde vorm. Het Servicecentrum beschikt over gegevens waaruit blijkt of voor het voertuig waarvan het kenteken is ingevoerd een parkeervergunning is afgegeven, dan wel parkeerbelasting op aangifte is voldaan. Indien er een parkeervergunning is afgegeven, dan wel de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan, worden de ingevoerde versleutelde kentekengegevens na 48 uur verwijderd. Indien blijkt dat er geen parkeervergunning is afgegeven en de verschuldigde parkeerbelasting niet op aangifte is voldaan, wordt de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam met betrekking tot dat kenteken hierover geïnformeerd. De heffingsambtenaar vraagt vervolgens bij de RDW de gegevens van de kentekenhouder op en legt een naheffingsaanslag op.

5.2.12.

Het Hof heeft geen reden eraan te twijfelen dat deze procedure ook in het onderhavige jaar werd toegepast (vgl. – voor het jaar 2013 – Hof Amsterdam 7 januari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:146). Op grond van die procedure worden de ingevoerde (versleutelde) kentekengegevens waarvan is gebleken dat ter zake van de (vermoedelijke) parkeerhandeling een parkeervergunning is afgegeven dan wel de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan, na 48 uur verwijderd. Belanghebbende heeft daartegenover onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot de conclusie leiden dat aan de door het EHRM of de Hoge Raad gestelde voorwaarden voor het kunnen aannemen van een schending van artikel 8 EVRM - als weergegeven onder 5.2.8 - is voldaan. De omstandigheid dat, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, de scangegevens aan de hand waarvan naheffingsaanslagen parkeerbelasting zijn opgelegd door de gemeente wél in een database worden vastgelegd en gedurende een bepaalde periode raadpleegbaar gehouden, leidt niet tot een dergelijke conclusie. Deze gegevens vormen bewijsmateriaal voor de heffingsambtenaar, ter onderbouwing van de desbetreffende naheffingsaanslag(en); het Hof acht niet aannemelijk geworden dat deze gegevens op systematische wijze worden verzameld en bewaard met (mede) het doel om “aan de hand van een analyse van die gegevens per voertuig een beeld te krijgen van de verplaatsingen daarvan gedurende een jaar”.

5.2.13.

Ook met zijn verwijzing naar de via de website naheffingsaanslag. amsterdam .nl raadpleegbare gegevens heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een inbreuk op de waarborg van artikel 8 EVRM. Weliswaar heeft belanghebbende terecht gesteld dat deze website in beheer is bij (of onder de verantwoordelijkheid van) de gemeente Amsterdam , zoals blijkt uit de onder 2.9.1 vermelde gegevens, maar uit de onder 2.9.2 vermelde feiten blijkt tevens dat via deze website uitsluitend gegevens kunnen worden geraadpleegd door degenen die naast het kenteken ook het aanslagnummer van de desbetreffende naheffingsaanslag kunnen invoeren. Tijdens een schorsing van het onderzoek ter zitting heeft het Hof vastgesteld – zoals na heropening aan partijen is medegedeeld – dat bij het invoeren van het kenteken van belanghebbende ook andere ter zake van hetzelfde kenteken (op eerdere en latere tijdstippen) opgelegde naheffingsaanslagen parkeerbelasting van de gemeente Amsterdam raadpleegbaar worden. Voor zover daaraan al door scanauto’s verzamelde gegevens ten grondslag liggen, geldt hiervoor het onder 5.2.12 opgenomen oordeel dat het hierbij bewijsmateriaal van de heffingsambtenaar betreft ter onderbouwing van specifieke naheffingsaanslagen en niet een op systematische wijze verzamelen en bewaren van gegevens als bedoeld in het arrest BNB 2017/79.

5.2.14.

Ook voor het overige zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die tot de conclusie kunnen leiden dat de waarborg van artikel 8 EVRM is geschonden. Het Hof passeert het voor het eerst tijdens de zitting in hoger beroep door belanghebbende gedane aanbod (zie 2.7) nader bewijs aan te brengen van zijn stelling dat uit de via de website naheffingsaanslag. amsterdam .nl raadpleegbare gegevens blijkt dat de gemeente Amsterdam het voorschrift van artikel 8 EVRM heeft geschonden. Naar aanleiding van dit bewijsaanbod heeft het Hof afgewogen, enerzijds, het belang dat belanghebbende heeft bij het kunnen aanbrengen van nader bewijs en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan en, anderzijds, het algemeen belang van een doelmatige procesgang (zie onder meer HR 29 juni 2012, nr. 11/03523, ECLI:NL:HR:2012:BV9648, BNB 2012/254). Een goede procesorde brengt immers mee dat bewijs ter staving van door de wederpartij betwiste feiten zoveel mogelijk in de schriftelijke stukken en tijdig voor de zitting in het geding wordt gebracht. Gelet op de rechtsstrijd tussen partijen, had belanghebbende het ter zitting aangeboden bewijs eerder kunnen en moeten aanbieden, temeer nu reeds in eerste aanleg in geschil was of het voorschrift van artikel 8 EVRM is geschonden. Niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende niet eerder in staat was om het eerst ter zitting in hoger beroep aangeboden bewijs op een eerder tijdstip in te brengen. Daarvoor voldoet niet de mededeling ter zitting van de gemachtigde dat hij na kennisneming van de onder 5.2.2 vermelde uitspraak van het Hof van 20 juni 2017, in een andere door hem (namens de belanghebbende) gevoerde procedure, heeft besloten naar de zitting van 3 oktober 2017 te komen en tijdens die zitting het bedoelde bewijsaanbod te doen. Bij de afweging om het onderzoek voort te zetten dan wel te beëindigen brengt, onder deze omstandigheden, naar het oordeel van het Hof het belang van een doelmatige procesgang met zich dat het onderhavige bewijsaanbod als tardief wordt gepasseerd.

Artikel 7:4, vierde lid, Awb

5.3.1.

Belanghebbende heeft in hoger beroep zijn klacht herhaald dat hij op grond van artikel 7:4, vierde lid, Awb recht heeft op toezending in de bezwaarfase van het integrale dossier, althans van de op zaak betrekking hebbende stukken, nu daarom is gevraagd in zijn bezwaarschrift.

5.3.2.

Ingevolge artikel 7:4, tweede lid, Awb legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage. Ingevolge het vierde lid van dit artikel kunnen belanghebbenden van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.

5.3.3.

In zijn arrest van 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7081, BNB 2012/235 heeft de Hoge Raad overwogen dat niet elk telefoongesprek tussen het bestuursorgaan en een rechtsbijstandverlener dat wordt gevoerd in het kader van een bezwaarprocedure kan worden aangemerkt als het verschijnen ter hoorzitting in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De mogelijkheid bestaat echter dat het telefoongesprek op een zodanige wijze plaatsvindt dat het zich, afgezien van de lijfelijke aanwezigheid, materieel niet onderscheidt van een hoorzitting in de zin van de proceskostenregeling. In een dergelijk geval kan het voeren van dit telefoongesprek op één lijn worden gesteld met het verschijnen ter hoorzitting.

5.3.4.

In het onderhavige geval onderscheidde het telefonisch horen van de gemachtigde, dat met instemming van belanghebbende en de heffingsambtenaar in de plaats is getreden van een hoorzitting, zich materieel niet van een hoorzitting. Belanghebbende heeft dan ook gebruik gemaakt van zijn recht om te worden gehoord alvorens uitspraak op bezwaar wordt gedaan en had bijgevolg recht op inzage in de stukken als bedoeld in artikel 7:4, vierde lid, Awb.

5.3.5.

Het Hof stelt vast dat de heffingsambtenaar bij brief van 14 januari 2016, in reactie op het verzoek om een hoorzitting, de gemachtigde heeft medegedeeld dat de stukken tot drie dagen voor de hoorzitting, die was gepland op 28 januari 2016, konden worden ingezien. Ook in de brief van 22 januari 2016 waarin de heffingsambtenaar aan de gemachtigde een nieuwe datum voor de hoorzitting heeft bekend gemaakt, is deze mededeling opgenomen (zie 2.6). Vervolgens is de gemachtigde – conform zijn verzoek – op 2 februari 2016 telefonisch gehoord.

5.3.6.

Belanghebbende, die van de hem geboden mogelijkheid tot inzage geen gebruik heeft gemaakt, heeft betwist dat de heffingsambtenaar aldus heeft voldaan aan zijn verplichting ex art. 7:4, vierde lid, Awb. Hij stelt dat de heffingsambtenaar op grond van dit artikellid een toezendverplichting heeft.

5.3.7.

In de Memorie van Toelichting op artikel 7:4, tweede lid, Awb is omtrent het inzagerecht het volgende vermeld (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 149) :

“Het inzagerecht, geregeld in het tweede lid, is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Zoveel mogelijk moet vermeden worden dat het bestuursorgaan zijn beslissing doet steunen op informatie welke de betrokken belanghebbenden niet hebben kunnen kennen. Ongewenst ook is de situatie dat pas in een latere fase (bijvoorbeeld bij de administratieve rechter) een belanghebbende kennis kan nemen van stukken die voor hem in een eerdere fase ontoegankelijk waren. De consequentie daarvan zou immers kunnen zijn dat geschilpunten die in de bezwaarfase definitief beslist hadden kunnen worden indien alle stukken bekend waren geweest, zonder voldoende noodzaak tot een procedure voor de administratieve rechter leiden. In beginsel dient het bestuursorgaan daarom rapporten, adviezen en beleidsnota’s die aan de beroepsinstantie plegen te worden toegezonden, ook reeds in de bezwaarschriftprocedure voor belanghebbenden ter inzage te leggen. De bepaling eist derhalve niet meer, dan dat stukken die de belanghebbende in een eventuele procedure voor de rechter toch al zou kunnen inzien, reeds in de bezwaarschriftprocedure voor hem ter kennisneming beschikbaar zijn.”

Het Hof leidt uit de laatste twee volzinnen van deze passage af dat de wetgever bewust een onderscheid heeft gemaakt tussen de verplichtingen van het bestuursorgaan in de bezwaarfase en de verplichtingen van het bestuursorgaan in de beroepsfase. Alleen in de beroepsfase is het bestuursorgaan op grond van artikel 8:42 Awb verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken (aan de rechter) toe te zenden; in de bezwaarfase geldt ter zake van diezelfde stukken op grond van artikel 7:4 Awb enkel een (passief) inzagerecht.

5.3.8.

Nu de stelling van belanghebbende dat het dossier aan haar toegezonden had moeten worden in de tekst van de Awb noch in de Memorie van Toelichting steun vindt, wordt zij verworpen.

5.3.9.

Voor zover belanghebbende in hoger beroep heeft willen betogen dat in casu het voorschrift van artikel 7:9 Awb is geschonden, wordt dit standpunt verworpen op de door de rechtbank in onderdeel 8 van haar uitspraak opgenomen gronden, welke het Hof tot de zijne maakt.

Slotsom

5.4.

De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mr. H.E. Kostense, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer in tegenwoordigheid van mr. C. Lambeck als griffier. De beslissing is op 23 november 2017 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.